Posts tonen met het label korte verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label korte verhalen. Alle posts tonen

maandag 22 februari 2016

Ineens ben je op een plek waar je nog nooit was en waar je niet meteen nog een keer komt, een klein plaatsje waar je zo nu en dan langsrijdt, waarvan je het bestaan wel weet, maar ja, wat moet je daar en ineens ben je daar en sta je, niet ver van de doorgaande weg en denk je: goh, dit is nu Groot Wetsinge.

Je ziet het oude kerkhof, je parkeert je auto op een plek waar dat eigenlijk niet kan, omdat er maar een straat is en die is niet zo breed en een man opent de deur, zegt welkom en dan sta je in een middeleeuwse pastorie, waarvan er nog maar vier in de provincie Groningen zijn en dat nu een woonhuis is, waar het naar vers gebakken koekjes ruikt en de man neemt je meteen mee naar de tuin, wijst naar het eeuwenoude land, door water en weer gevormd, zijn vinger wijst naar de oude meanders, een oud kerkepad en je ziet de kippen in een hoekje samengeklonterd en je denkt: goh, ik kijk nu uit over Middag-Humsterland en je vraagt nog eens: en daar, die woningen, met dat kerkje, dat is Klein Wetsinge?

donderdag 24 december 2015

Noordwaarts

Dag 1


Met een bus(je) mag je een hoop. Zoals over de Vismarkt rijden. De Schipholtaxi steekt zelfs Tussen beide markten over. Wat iedereen hoopt, een haakse bocht en dan vol gas de Herestraat over richting Ringweg, mag echter weer niet. Een pistool tegen zijn slaap had de chauffeur kunnen inspireren om het wel te doen, maar zoals meestal heb je geen vuurwapen op zak als het nodig is. Ook zonder had-ie het gewoon moeten proberen, want om half vier op maandagochtend is het stadscentrum uitgestorven.

Het bekende nadeel van wonen in Groningen: je zit zover van de bewoonde wereld dat je allejezus vroeg je nest uit moet als je om acht uur op Schiphol wordt verwacht. Dus word ik zondagavond om half acht gebeld met de mededeling dat de chauffeur mij om tien voor half vier oppikt. De marge is een half uur. Wat betekent dat het dus ook tien voor drie kan zijn. Dus moet de wekker op half drie en de zenuwenlijer die ik ben is vanaf zo’n moment met één gedachte bezig: als ik me maar niet verslaap. Dus doe ik geen oog dicht.

Terwijl zoiets helemaal niet hoeft. We arriveren om half zes bij de luchthaven, zijn binnen tien minuten ingecheckt en kunnen daarna twee uur gaan zitten wachten op boarding time.

Al is dichtbij Schiphol wonen geen garantie dat het dan goed gaat. De piloot wekt de indruk dat ie bij de landing in Kopenhagen aan het gamen is, zo zwaait de voorkant van het vliegtuig van links naar rechts en de stewardess sommeert ons bij het uitstappen goed te letten op het lampje ‘gordel vast’. Waarna een gehakkel volgde in de trant van ‘oeps, ik heb de verkeerde procedure voor me, wat dom van mij, neem me niet kwalijk mensen, nu ja, toch bedankt dat u met de KLM hebt gevlogen enzovoort enzovoort.’

Waarschijnlijk is het dezelfde stewardess die halverwege de vlucht bij een meneer gaat staan met de vraag: ‘U bent die en die?’

Ja, dat is hij.

Nou ja, ze hadden begrepen dat hij vaak met hun vloog en daarom wilden ze een beetje weten wat hij zo van hunnie vond, de KLM dan. Dat ging vrij dwingend. Ik dacht: je zult vliegangst hebben en dan vraagt zo’n miep of je de veiligheidsinstructies voldoende vond, of je echt goed had begrepen wat te doen bij een crash. Bij het inchecken was er niemand te bekennen, dat doet de reiziger tegenwoordig helemaal alleen en ineens moest er dan feedback komen?

Gelukkig wachtte op Deense bodem het werk.

Het Groninger Museum wil met Nordic Art een ode brengen aan de volken en culturen van Scandinavië middels een overzicht van negentiende- en twintigste-eeuwse Noord-Europese schilderkunst. De presentatie omvat landschappen, portretten en taferelen van ‘the real life. Gastconservator David J., Hoogleraar Russische en Scandinavische Kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Leeds, benadrukte dat het deze keer niet om grote namen ging. Wel om de periode en de stijlen: realisme, naturalisme, symbolisme, modernisme. Het aanbod komt uit vijf landen (Denemarken, Noorwegen, Finland, Zweden en nog een ander Scandinavisch land) en omdat een museum dat een expositie organiseert graag publiek wil en publiek vooral is te verkrijgen met publiciteit is er een persreis georganiseerd en ben ik in als redacteur kunst en cultuur van de Groninger Gezinsbode in gezelschap van collega’s van RTV Noord, De Telegraaf, Trouw, Universiteitskrant en Villa d’Arte en dus doen we in een week Kopenhagen, Stockholm, Helsinki.

 
 
Ondanks dat we niet op namen moesten letten kwam die van Vilhelm Hammershøi veel voorbij. Een vrij onbekende naam dachten wij, maar dat dachten wij verkeerd. Michael Palin blijkt een enorme fan en maakte zelfs een documentaire over de man. Daar zaten ze bij de BBC niet echt op te wachten en toen heeft het voormalige Monty Python-lid zijn in twintig jaar tijd opgebouwde goodwill in een keer opgebruikt om de vertoning er door te drukken.

De eerste dag begon met een wandeling door Kopenhagen. Jackson wilde de belangrijkste plekken laten zien, zoals natuurlijk The Little Mermaid. Je kon immers niet in Kopenhagen zijn en het beroemde beeldje missen.

Bij het zien van al die gebouwen dacht ik: typisch Deense architectuur, geen idee waarom, maar typisch Deens. Totdat collega M. van het Dagblad van het Noorden opmerkte: ik vind het net Groningen. Daarna togen we onder meer langs het Thorvaldsen-museum, geheel gewijd aan Thorvaldsen (de schilderingen op de buitenmuren gaan over de inrichting van het Thorvaldsen-museum) en The Opera House (een geschenk van containerboer Maersk) en het was zo veel dat we niet alles konden zien en we toch The Little Mermaid hebben gemist.

De (werk)dag werd besloten met een bezoek aan het buiten Ordrupgaard, voormalig eigendom van Wilhelm en Henny Hansen. De man werd schathemeltjerijk met verzekeringen voor de gewone mens en investeerde zijn fortuin in een schitterende kunstcollectie , dat in het zomerhuis was te bezichtigen. Bij de Deense bankcrisis van omstreeks 1922 of 1923 raakte hij alles kwijt, edoch: de man krabbelde weer op, vergaarde een nieuw fortuin en kocht veel weer terug. Niet alles, wel veel.

Het zomerhuis wordt anno nu beheerd door de Deense staat, met aan de muren negentiende en twintigste-eeuwse kunst van impressionisten en post-impressionisten als Degas, Renoir, Monet, Cézanne, Gauguin en Matisse. Die zijn niet in het Groninger Museum te zien, maar Ordrupgaard levert drie werken. Het bezoek was er volgens Jackson om voeling met de tijd te krijgen. Hammershøi hing er ook; landschappen en interieurs met een bijna magisch-realistische sfeer. Ook opvallend: vrouwen schilderde hij met de rug naar de kijker toe. Een verbeelding van ‘the poetry of silence’.

Het beheren van een zomerhuis vol kunst is blijkbaar geen aangenomen werk, want als we aankomen is er niemand en duurt het even voor er iemand aan komt wandelen om de deur voor ons te openen.

Jackson bekende in de tuin van het landgoed dat hij geen vat kreeg op de uitspraak vande Denen. Hij vergeleek het met een vis waar je alle botten uithaalt. Zelfs de komst van Hannah Heilmann, zijn Deense assistent, bracht weinig duidelijkheid. Ordrupgaard wordt uitgesproken als Rdordropgord. Het beste, aldus de Brit, was om hier en daar klinkers en medeklinkers weg te laten, de overgebleven letters in een andere volgorde zetten en praten alsof er een schroevendraaier door je tong zat.

Dag 2


Gastconservator J. vertelde bij het ontbijt dat hij niet verbaasd was over de situatie gisteren bij Ordrupgaard, waar geen van de beheerders op het afgesproken tijdstip voor ons klaar stond. Na een telefoontje kwam er een jongedame aan met ‘oh, was dat vandaag?’ Zo ging het vaak met Denen, wist hij. Oh, hadden we een afspraak? Sorry, wat laat. Die laidback-mentaliteit konden ze zich veroorloven omdat uiteindelijk alles toch weer goed kwam.

Dat zullen collega J. van Trouw, collega M. van het Dagblad van het Noorden en collega M. van De Telegraaf ook gedacht hebben. Zij kwamen niet om kwart over negen, maar pas om half tien (!) in de lobby om uit te checken. Ook dat bleef zonder gevolgen, want we waren op tijd in het Statens Museum for Kunst, dat 25 of 26 werken levert. De conservator keek wel streng naar de camera van collega R. van RTV Noord en stak een rappellement af over copyright en wat hij allemaal niet mocht filmen. Alleen de muren en de brandblussers bleven over.

Collega M. van het Dagblad corrigeerde schrijver dezes overigens over het stukje van gisteren, want ‘ook jij vond Kopenhagen net Groningen’. Bij deze dus. In het staatsmuseum werden we iets wijzer over de Nordic Art-expositie. Moderne kunst, want kunst over het dagelijks leven, kunst die verhalen vertelde, maar ook kunst die getuigde van doorbraken in Scandinavië, eind negentiende, begin twintigste eeuw. Zoals de ‘liberation’ van vrouwen, vrije seks, ‘kick-out’ van religie’ en nog zo wat.

De werken van mensen als Juel, Eckersberg, Strindberg, Krøyer en Skovgaard toonden een en al daily life, al bleek het ook weer niet alleen een en al daily life. Het was vergeven van de symboliek. Jackson verduidelijkte dat met een schilderij van een vrouw die ziek op bed lag en een boek las. Een vrouw die een boek las op bed, dacht ik, maar dat bleek een statement. Aangetoond werd dat vrouwen zich best wilden ontwikkelen, maar dat ze dat alleen konden als ze ziek waren. Als ze dat niet waren moesten ze het huishouden doen, de kinderen verzorgen en de gele onderbroeken van manlief met reuzel wassen, zoiets.



Daarmee sneed de gastconservator het punt aan van labels. Je kon iets realistisch noemen, maar als je koos voor het vastleggen van een arbeider in povere omstandigheden of mensen die uit hun huis werden gezet, dan was dat bijna automatisch al een politiek werk. We knikten allemaal ja toen de gastconservator dat zei, maar schudden nee bij het icoon van de expo: At the French Windows. The Artists Wife van L.A. (Lauritz) Ring. Ring is naast Munch en Strindberg een van de bekendste namen. In de discussie gaven we Jackson geen gelijk. De kwestie: was de vrouw van Ring zwanger of niet. Ja, vonden wij. Nee, zei Jackson. Wel, zeiden we nog een keer. Zie die buik. Nee, zei hij, jurken uit die tijd maakten je dik. Dat zou bovendien controversieel zijn. Niemand schilderde zijn vrouw op die manier. We kwamen er niet uit.

Er was ook kunst van vrouwen zelf. Ze mochten niet studeren aan de Royal Academy, maar kregen les van de gevestigde namen. Daaruit ontstonden blijkbaar allerlei relaties, want het was Jackson opgevallen dat er meer vrouwelijke kunstenaars en artiestenkoppels in Scandinavië waren dan elders. Wat de kunstenaars ook deden was rekening houden met de markt. Er werden ‘feelgood’-werken gemaakt, inspelend op het nationalisme dat in die dagen de sfeer bepaalde. Van landschappen, zonnige dagen aan het strand, tot het gezellige gezinsleven. Op mijn vraag dat de geportretteerden geen geld hadden om die doeken te kopen riposteerde Jackson dat de gegoede burgerij ook ‘warme gevoelens’ had voor de lagere klassen.

Daarna mochten we een uurtje of twee wat voor ons zelf doen. Rondkijken bij Matisse, bij Franse kunst of lunchen. Het werd lunchen en met een sandwich kip en een flesje water was ik na koud anderhalve dag alweer door mijn kronen heen, want Denemarken is een duur land. Waarna er zonder Deens geld weinig anders overbleef dan in de tuin wandelen, maar het regende dus ging ik in de moderne uitbouw tussen delen van het Statue of Liberty zitten gamen.

Omdat ook bij de Hirschsprung Collection niemand open deed merkte ik op dat dit ‘de reis van de gesloten deuren’ was. Een poëtisch statement dat meteen in de prullenbak kon omdat iemand aan de zijkant op zijn Deens riep dat we ‘hiero’ moesten zijn. Het klonk als hjurro. Wij daaro heen, dwars door het natte gras, behalve collega M. van De Telegraaf die haar schoenen wilde sparen. Zij liep een stuk om. Mannen kijken daar van op. Die banjeren rustig in hun Armani door kniehoog slijk als het moet.

Heinrich en Pauline Hirschsprung waren collectioneurs die de kunstenaars soms financieel bijstonden. Artistieke stimulatie kwam van iemand als Eckersberg, docent aan de Royal Academy. Hij duwde andere kunstenaars de moderniteit in. Onder meer met de opmerking dat je niet moest kijken of een schilderij goed was, maar of het eerlijk was. Blijf bij jezelf. Probeer niet mee te gaan met stromingen of mode, maar doe wat je denkt dat je moet doen. Zoiets had Manet ook gezegd.

 
 
Als rechtgeaarde Groninger, opgegroeid met slaag en regen, heb ik een fascinatie voor ellende, desolate landschappen en ‘grote tragedies’ en ik werd geïntrigeerd door ‘The murder of a child’ van Erik Henningsen. Over een vrouw die haar maatschappelijk ongewenst kind vermoordde. Het doek zou niet in het Groninger Museum te zien zijn. Volgens Jackson was het te depri en er zou genoeg gloomy stuff uit Zweden te zien zijn.

Daarna volgde een borrel bij de ambassade, moesten we naar het hotel om alle gekregen kunstboeken in de bagage te doen, gingen we eten en togen naar het station voor de nachttrein naar Stockholm. Op die trein bleek geen Wi-Fi, zodat mijn verslag van Dag 2 pas op Dag 3 op de Gezinsbode-site verscheen.

Dag 3


De nachttrein was een drama. Een eerste klas coupé met eigen douche en wc klonk spectaculair, de praktijk bleek minder romantisch, want beide bevonden zich op dezelfde vierkante meter. Er hing ook nog een föhn. Bijna niemand deed een oog dicht, behalve collega J.. Ook collega P. niet, maar hij, met zijn 1,97 meter de langste man in het gezelschap, slaagde er wel in zich te douchen. Hij vond het zelf minder bijzonder, gezegend als hij in zijn eigen woning in hartje stad was met ‘het kleinste badkamertje van Groningen’. We noemen hem nu Houdini.

Met bloeddoorlopen ogen en knallende hoofdpijn lopen we naar Hotel Scandic, tegenover het hoofdstation. Van de verwachte Zweedse Gründlichkeit bij de spoorwegen is weinig te merken. Niemand controleert tickets, niemand komt ons wekken en niemand doet een poging ontbijt te brengen. Dus doen we dat, met de treinvouchers, in dat hotel. Daar blijkt een wc te zijn met een codeslot! Nooit eerder gezien. Daar word ik zenuwachtig van. Stel dat je een aanval kreeg van buikgriep. Stond je met dichtgeknepen billen te zoeken naar het papiertje met de vier cijfers. Het is trouwens 4363, voor wie toevallig in de buurt is en zich niet helemaal lekker voelt. In het eigen hotel, eveneens van Scandic, kwamen we bij door even te gaan werken, te Facebooken of verkiezingsnieuwtjes te googelen, in Nederland was het immers Election Day.

De eerste activiteit om elf uur: Nationalmuseum, Stockholm. Dat levert zo’n twintig werken. Nordic Art omvat in totaal 160 stukken en volgens researcher Hannah is dat een zeer krappe selectie. Jackson had liever 220 gehad. Het Nederlandse gezelschap werd rondgeleid door conservator Per. Per schrok van het aantal van elf mensen dat plots voor zijn neus stond, maar deed niet moeilijk over de camera van collega R.. Hij kon filmen wat hij wou en het had niet veel gescheeld of Per had mee helpen tillen.

 
 
De entree van het museum is opgesierd met immense muurschilderingen en daarna hoefde ik eigenlijk niks meer te zien. Vooral indruk maakte het befaamde Midvinterblot (‘Midwinteroffer’) van Carl Larsson. Het werk uit 1915 is gebaseerd op verhalen uit Noordse saga’s, zoals de Ynglingatal, waarin de Zweedse koning Dómaldr werd geofferd na een aantal jaren van slechte oogsten. Een kunstwerk ook met een verhaal (Midvinterblot).

Aan de muren in Stockholm tevens een Rembrandt, volgens Per de enige mural die de heer Van Rijn ooit heeft geschilderd. De titel: ‘The Conspiracy of the Barbarians under Claudius Civilus’. Als vanzelf werden we daar naar toegetrokken, maar daar kwamen we niet voor. Wel voor ‘Midsummerdans’ van Anders Zorn en ‘Getting ready for a Game’ van Bruno Liljefors. Iconen in de Scandinavische kunst. Jackson merkte op dat het normaliter vrij moeilijk is iconen los te weken. Iedereen begint te huilen bij het idee alleen al. Voor Nordic Art doet niemand moeilijk. Per had een sluitende verklaring: ‘Wij hebben eigenlijk geen iconen en wij zien de mensen graag huilen.’
 
 

Zorn en Liljefors zijn twee van de drie ABC-kunstenaars, zeg de top drie van Scandinavië. De derde plek is voor Larsson, wiens voornaam met een C begint. En ook vandaag benadrukte Jackson het nut van een klassieke scholing. Wij hadden hem al ingewijd in de mores in Groningen, waar de klassieke academie is opgericht omdat op Academie Minerva vooral het concept-denken wordt onderricht en aankomende kunstenaars geen ambacht meer leren. De gastconservator vond: je moest eerst de ‘grammar’ kennen en daarna kon je er mee doen wat je wou. Hij wees op een vijfluik van Liljefors met een Rien Poortvliet-achtige thematiek. Een vogeltje, een kat en een kat die een vogeltje dood wil maken. Met geen mogelijkheid een spectaculair onderwerp te noemen, maar enorm populair, dankzij de sheer quality.

Sheer quality zou een te enthousiaste kwalificatie te zijn voor het voedsel in het restaurant, maar het gehaktbrood met aardappelpuree en zure besjes was wel typisch Zweeds en op zijn Gronings gezegd ‘goed binnen te houden’. De twee vrij uurtjes daarna waren een vreemde gewaarwording na de hektiek van gisteren toen we met tassen met dikke boeken (sommige collega’s hadden zelf ook nog dikke boeken gekocht) van hot naar her liepen. Toen Jackson vroeg wat ik ging doen, antwoordde ik: ‘I am going to walk around in mijn dooie akkertje’. Het voortdurend omschakelen van Nederlands naar Engels en van Engels naar Nederlands is soms verwarrend. Het komt regelmatig voor dat we als Nederlanders in het Engels tegen elkaar staan te wauwelen.

Ik liep wat door het museum. Dat gaf een beetje vakantiegevoel, want dan deed je dat soort dingen. Daarna zat ik een uurtje op een bankje naar het water te kijken, want daar is in het dagelijks leven helemaal geen tijd voor.  Ik had er best langer willen zitten, maar we moesten naar de Nederlandse ambassade, alwaar Filip (Flip) de Heer net twee weken geïnstalleerd was. Wij waren zijn eerste groep en het ontvangst was allerhartelijkst. Collega P. spotte een Willem Hussem bij de entree en dat bleek het lievelingswerk van de ambassadeur. We mochten overal rondkijken, ook in zijn privévertrekken en het gesprek kwam op onze eigen kunstminnende koningin. Wij hoorden dat haar paleis volhing met eigentijdse kunst en wat hij verder vertelde was staatsgeheim. Omdat ik daaraan niet gehouden ben kon ik meedelen dat Beatrix van bitterballen houdt. Dat had ze een keer gegeten in het restaurant van de Fraeylemaborg in Slochteren. De waard, die ik goed ken, was van plan om zijn beste beentje voor te zetten bij de Koninklijke lunch, maar dat hoefde niet: Bea wilde bitterballen. Het boekje van de ambassade liet ik aan me voorbijgaan: ‘Mén, we are already stikking in de boeken’.

Hannah bekende dat ze ons een grappige groep vond: eenderde Indiana Jones, eenderde Dogma en eenderde Jacques Tati. Zo ging dat dus: wij denken dat we ons perfect normaal gedragen en zij denkt: het circus is in de stad.

Dat kwam onder meer door onze uitspraak van Wi-Fi, het toverwoord van deze persreis. In om het even welk gebouw, instelling, station, kroeg; de eerste vraag is steevast: ‘Heb jij Wi-Fi?’ Zij dacht aan een running gag, aangezien alleen senioren in Denemarken Wi-Fi uitspreken als Wie-Fie. Je moet zeggen: Wai-Fai. Zoals Hi-Fi. Bij het uitzwaaien gaf de ambassadeur nog een leestip aan ondergetekende: Paul de Wispelaere en de anderen moesten er op toezien dat ik dat ook echt ging lezen. ’s Avonds bleek dat een biertje hier inderdaad duur is, omgerekend zo’n acht euro en daarna concentreerden we ons op de verkiezingen, want dankzij Wai-Fai is de verkiezingsuitslag ook hier trending topic.

Dag 4


Zoals wij Bea hebben, zo hadden de Zweden Prins Eugéne. Lid van de koninklijke familie en kunstminnend. Over de kwaliteiten van onze vorstin als beeldhouwer heb ik geen mening, maar Eugéne kon echt goed schilderen. Daarnaast verzamelde hij en steunde kunstenaars. Om al die activiteiten op een plek te brengen wilde hij een buiten en als je geld hebt laat je dat bouwen. Het landgoed Waldemarsudde, gelegen op een van de eilandjes die Stockholm rijk is, begon in 1900 en was vijf jaar later klaar. Het is tegenwoordig een museum en er komen jaarlijks 200.000 bezoekers. Evenveel als het Groninger Museum gemiddeld boekt. Waldemarsudde leek mij een mooie plek om te werken, maar volgens collega P. zou ik hier niet gelukkig worden: ‘Nee man. Je zou je hier te pletter vervelen.’

Misschien, maar ik woon met plezier in Slochteren, ook niet bepaald het centrum van de wereld. Eugéne hing zijn residentie vol kunst en nodigde de intelligentsia uit voor diners en intellectual meetings. De schoonheid van ex- en interieur, omgeven door een tuin met de afmetingen van het Wiener Wald, was dermate dat de prins zichzelf af en toe bij de kladden moest grijpen om decent werk te maken. Anders bleef het bij sitting and staring as an idiot.

Tijdens de wandeling van hotel naar tramstation dacht ik: met de sfeer in de groep zit het wel goed. Het woord ‘reünie’ viel al. Aan de oevers bij Waldemarsudde dacht ik echter: dit zit helemaal niet goed. Collega R. van Villa d’Arte en collega J. van Trouw hadden het over de vogels bij het water. Merkwaardig, dacht ik, de een weet alles over klassieke muziek en opera in het bijzonder, de ander promoveert binnenkort op een mij onbekende Franse fotograaf en leest ’s ochtends in de lobby de Herald Tribune, maar of die beesten, op nog geen vijf meter afstand, zwanen of ganzen zijn, daar kunnen ze het niet over eens worden.

 
 
De directie van Waldemarsudde is genereus in de uitlenerij voor Nordic Art. Uit de collectie van meer dan zevenduizend stukken worden bijvoorbeeld twee werken van Carl Larsson uitgeleend, alsmede Gaslisa van Ernst Josephson. Collega P. van RTV Noord had meegekregen dat de kunstenaar had gezegd: ‘Of ik word de Rembrandt van Zweden of ik sterf.’ Zoiets moet je nooit roepen en het is hem ook niet goed gegaan. Van Eugéne zelf komt een topstuk naar Groningen: Det gamla slottet. Oftewel: het oude huis. Een schilderij dat de eenzaamheid verbeeldt. Het is een van zijn twee bekendste schilderijen en ook op Waldemarsudde doen ze niet moeilijk over het uitlenen van iconen.

Daarna was er koffie, met iets erbij, zoetigheid en gebak. Ik ben meer van de hartigheid, maar omdat je nooit weet wanneer je weer te eten krijgt nam ik twee dingen. Daarna hadden we weer een uurtje vrij voor een wandeling in de tuin, langs een van de 44 denkers die Rodin heeft gemaakt en langs de bloementuinen waar de bloemen werden gekweekt voor de bloemenkamer en dat waren weer de bloemen die Eugéne in zijn tijd mooi vond. Ik weet niet wat voor bloemen. Je kunt niet overal verstand van hebben en ik weet niks van bloemen.

Tijdens de wandeling naar de rozentuin voor de lunch passeerden we een juffrouw van de gemeentewerken met een handmaaier. Die stopte toen we langsliepen. Logisch, dacht ik, het gras wordt met gloeiend geweld in het rond gezwiept en het zou best kunnen dat er net iemand zijn hond heeft uitgelaten. Het park was groot en de bewegwijzering in het Zweeds, dus bleef voor de lunch slechts tien minuten over. Om twee uur werden we immers in het Strindburgmuseum verwacht en Denen mogen dan zelf graag te laten komen, als anderen het doen, is dat een belediging. De schade bleef beperkt tot tien minuten, toen stonden we bezweet in het Strindberg Museum.

De voormalige woning van een van Zwedens beroemdste zonen is helemaal gewijd aan August Strindberg. Er was een overzichtsexpositie, want het is precies honderd jaar geleden dat hij overleed. Strindberg is iemand die nauwelijks introductie behoeft: toneelschrijver, schilder, fotograaf, schrijver, vrouwenhater, gek, socialist, revolutionist, essayist en internationalist. En o ja, hij heeft geprobeerd goud te maken en was drie keer getrouwd: twee keer met een actrice en een keer met een journaliste. Een gedurfde score voor een ‘vrouwenhater’. Strindberg heeft over tal van kwesties ‘scherpe dingen’ gezegd, maar vanuit het museum werd dat niet ontkend of goedgepraat. Gids Erik: ‘We zijn geen Strindberg-fanclub.’

Ondanks dat zijn opvattingen tot op de dag van vandaag verdeeldheid veroorzaken, waren er vijftienduizend mensen die hem toezwaaiden op zijn vijftigste verjaardag en bij zijn begrafenis, hij overleed op 63-jarige leeftijd, stonden er vijftigduizend man langs de weg, in 1912 eenvijfde van de totale bevolking van Stockholm.

Op een persreis als dit ontmoet je als Groninger, wonend aan het einde van de wereld en verstoken van alle trends, eindelijk mensen die wel weten hoe het moet. Zoals met twee duimen typen op je iPhone in plaats van een. Zoals ik het deed, meenden enkele collega’s, leek dat een beetje vreemd. Ik deed mijn best, maar keek wat raar op toen er ‘Beetjoven’ stond en ‘…ze was tien toen hij dood gong’. Het driekamerappartement van Strindberg was overigens modern voor die tijd. Er zat van alles in: cv, lift en wc. Alleen een ding miste. Wi-Fi dacht ik, maar het bleek een keuken.

 
 
Waarna een snelle blik volgde op een beeld van Strindberg vijftig meter verderop in een park. Beautiful, zei ik. Onvervalste homo-erotiek, zei collega R. Ik heb ze mooier gezien, zei collega P.. Waarna alweer de bus wachtte naar de veerboot, voor de oversteek van Stockholm naar Helsinki. Een geheel nieuwe ervaring. Die dingen had ik tot vandaag alleen gezien in series als Love Boat en ARD-documentaires over het Nord-Ostsee-Kanal. Twaalf verdiepingen, een winkelpromenade, een casino, meerdere bars uiteraard, liften, alles zat er op en eraan. Ik liep er rond als Sjakie in de Chocoladefabriek. Ook al hebben we veel moois gezien en is het nog afwachten wat morgen het nationaal museum Ateneum en het huis van Akseli Gallen-Kallela brengt (de tijd om een blog te schrijven ontbreekt dan), de twee uurtjes op het zonnedek, onderwijl de boot bij ondergaande zon door het eilandrijke kustgebied voer, vormden het hoogtepunt van de reis.

Epiloog

 
We schrijven het jaar 2022. Het cultuurlandschap in Nederland is voorgoed veranderd. De mores worden bepaald door een select groepje mensen; figuren die de een na de andere internationale prijs in de wacht slepen met hun werk en die dicteren wat wel of niet kan. Zelfs in het Calvinistische Holland worden ze Godenmensen genoemd.

Zoals scenarioschrijfster Maaike S., voorheen kunstredacteur van De Telegraaf. Ze verzette de bakens in Nederland Toneelland met de vijfakter ‘Wachten op Wi-Fi’, een fenomenaal geschreven abstract-minimalistische play over een groep mensen die ergens op een trap van een museum zit te wachten. Het is niet duidelijk waarop ze wachten, maar de dialogen gelden inmiddels als een standaard in de internationale toneelwereld. Er is Staffhorst vaak gevraagd of de groep misschien wacht op God. Haar antwoord is dan steevast: ‘Nee, dan had ik het wel Wachten op God genoemd.

Marijke B., die tot 2012 voor het Dagblad van het Noorden werkte, is al jaren een celebrity in Nederland. De geëngageerde Godmother of Modern Journalism schreef talloze boeken over lifestyle, met vegetarisme als speerpunt. De basis voor haar immense oeuvre is het idee dat een mens zich niet steeds hoeft uit te spreken voor het een OF het ander. Iemand kan in een restaurant ook zeggen ‘I prefer vegetarian’. Daarmee haalde ze het vegetarisme uit het verdomhoekje en opende ze en passant ook voor andere subculturen (‘I prefer being gay’) de deuren en slechtte ze de grenzen tussen alle gezindten en stijlen. Ons land is sindsdien niet meer hetzelfde

Joke de W., begonnen bij dagblad Trouw, schreef een zestiendelig standaardwerk over obscure Franse fotografie. De kloeke publicatie degradeerde de Bijbel in een klap tot een inderhaast in elkaar geflanst stripboekje. Overbodig te zeggen dat ze in het land van kaas en wijn overladen is met prijzen en nu in Parijs doceert. De Wolf maakte tevens naam door in haar eentje in een kleine schouw non-stop drie keer de wereld over te zeilen, met een minimum aan equipment. Onderweg pikte ze een huilende Henk van der Velde (‘boehoe, ik heb zo’n heimweehee!’), tot dan de goeroe van de vaderlandse zeilwereld, op in de Noordelijke IJszee en zorgde dat hij weer veilig thuis kwam. Van der Velde werkt sindsdien op de visafslag in Zoutkamp.

Pieter de H. kreeg als eerste Nederlander, als eerste buitenlander überhaupt, de prestigieuze Pulitzer Prize. Na jaren van onderzoek in Cuba, Rusland en Amerika, slaagde hij er vijftig jaar na dato in de moord op John F. Kennedy eindelijk op te lossen. Een prestatie die zijn weerga niet kent in de journalistiek. Zelfs Woodward en Bernstein vonden dat hun stukjes over Nixon het niet haalden bij het werk van De Hart.

Een van de beroemdste aanslagen uit de wereldgeschiedenis bleek uiteindelijk toch op een misverstand te berusten. Lee Harvey Oswald was aan het jagen in Dallas, spotte een fazant op het gras en juist op het moment dat hij vuurde, reed plotseling de wagen met Kennedy voorbij.

Roy Z. won drie Oscars voor zijn trilogie De Reis, De Nacht, De Verdwijning. Een beklemmende reeks, die wereldwijd in de bioscopen 1 miljard dollar opbracht. Een verhaal over een filmmaker die tijdens een bootreis verdwijnt. Op de ochtend van aankomst ligt in zijn cabine alleen een pakje shag, een portemonnee en onder het opklapbed een paar flesjes vodka. De man wordt nooit teruggevonden. Op de vraag naar het autobiografische element in de drieluik verzucht Zwier doorgaans: ‘Hoe kan een film over een verdwijning nu autobiografisch zijn?’

Rene S., autoriteit op eenzame hoogte op het gebied van klassieke muziek en opera,  voltooide na tien jaar de Unvollendete van Beethoven. Daar ging een uitputtende speurtocht door alle archieven van Duitsland en Oostenrijk aan vooraf. Het werk, dat inmiddels in elk land is uitgevoerd, heet sindsdien ook geen Unvollendete meer, maar ‘Witte zwanen, zwarte ganzen’. Naar later bleek bepaalde hij ook de mode in de straten van Denemarken, Zweden en Finland, waar op zeker moment in 2012 mannen hun hoedje omgekeerd gingen dragen.

Anne Carlijn K. wordt de Oriana Fallaci van Nederland genoemd. Een keiharde journaliste. Ze doorbrak de hegemonie van persvoorlichters door de spindoctor van Mark Rutte (die halverwege het kabinet Rutte 6 was) af te kappen met: ‘IK stel hier de vragen’. Sindsdien is de verhouding van een journalist op vijf voorlichters verleden tijd. Het vaderlandse journaille kan dankzij Kok weer normaal haar werk doen. De in Groningen opgeleide vrouw had al indruk gemaakt door cum laude haar studie Nederlandse Letterkunde af te ronden met een proefschrift over het woord ‘Hertje’.

Josee S. presteerde het onmogelijke door met een pr-campagne die zijn weerga niet kende, de economie van Egypte als Vierde Weg te verkopen. Het land geldt sindsdien als het rolmodel voor andere economieën en drukt de Verenigde Staten, China, Rusland en India al jaren van de eerste plek als meest toonaangevende land op onze aardbol. Noord-Korea dingt al jaren naar haar gunsten, met bedragen van meer dan zeven nullen, maar Egypte blijft haar land.

Wat deze mensen kenmerkt is dat als gevraagd wordt naar een beslissend moment in hun leven, zij alle verwijzen naar een persreis naar Kopenhagen, Stockholm en Helsinki, die ergens in 2012 plaatsvond. Daar deden zij de kennis en ervaring op die hun aan de top op hun vakgebied bracht.

De trip kende overigens nog een deelnemer, Herman S., verslaggever van een bokkeblaadje. Bij terugkomst kreeg hij meteen op zijn donder van zijn chef die hem toeblafte dat de lezers niet zaten te wachten op een journalist die lyrisch is over een bootreisje: ‘Kom eens een keer met een goed verhaal man.’ Hij raakte zijn baan kwijt en in een poging de gebeurtenissen tijdens de reis te duiden ook zijn verstand. De man raakte aan de drank en drugs en schijnt ergens in het Noorderplantsoen te wonen. Op zonnige dagen kan men hem daar op een bankje zien zitten. Het enige verstaanbare geluid dat hij nog voortbrengt is ‘Ik heb Wi-Fi, ik heb Wi-Fi…’

dinsdag 8 december 2015

Ja nou ja drukdrukdruk nee ik zit net ja weekooknie soms is dat zo had niet zo door begon rustig nou ja wat is rustig tegenwoordig niet want ook dat liep al direct tegen en die kwam niet en die weer wel en die had dit en die had dat en in middag opeens hierheen en daarheen en weer hierheen kreeg dat ook laat door ja zoals dat altijd gaat en o ja moest die nog halen en toen die en die en toen die daar weer heen en toen stukje tikken bellen en nee eten koken geen tijd voor volgende keer beter en weer in auto weer weg en regende ook nog zul je altijd zien wat is het ook kutweer hier en ik wil sneeuw een dikke pak liefst paar dagen voor kerst en toen weer terug en eindelijk achter bureau want af en toe moeje ook werken niewaar en mailen en klopt dit klopt dat en ja ik zit net nu en dan ist nog niet rustig want moet dit weer ja precies dit stukje en nou ja zo heb je al wat en mensen zeggen ook altijd wat hest al drok en denk om diezulf en klopt ook wel maar ja wie heeft t niet druk tegenwoordig we rennen ook wat af met mekaar en merk nu ook dat k wat op hobbel raak en dat moet niet want ik voel ook direct als ik het zo druk heb spannings in t hoofd al kan t ook komen van te weinig drinken van water dan want overdag geen alcohol dat zou wat wezen en k voel af en toe ook klem op de borst maar goed we lopen niet meteen bij dokter nee zie me al zitten bij die man of nee die vrouw die heeft vast ook meer te doen dus gaat wel weer over is meestal zo en straks gewoon lekker slapen beetje vroeg naar bed nog even lezen en nou ja misschien toch nog even blacklist zien mooie serie die kerel lijkt op favoriete schrijver en ik wil wel eens weten hoe t zit met die vent van dai poedie en we zitten der helemaal in en ja ik rond toch maar af nu anders wordt t weer zo laat vandaag en ga nou eerst happie eten want had nog snert opstaan en morgen ja morgen wordt nog drokker drukker dus.

dinsdag 1 december 2015

Het regende. Niet een beetje, stevig. In een vlaag van helderheid had ik een paraplu uit de auto gepakt, maar het damesmodel met tijgermotief bood nauwelijks bescherming. Ik voelde mijn broek langzaam nat worden. In de vallende schemer, kijkend naar de lange rij van aula richting geopend graf, waande ik me in een film.

De collega’s dachten dat ik een nieuwe hobby had, toen ik gisteren om twee uur zei dat ik wegging, maar van mij hoeft het geen gewoonte worden, elke twee weken een uitvaart. Het ging dit keer om J. een broer van twee vrienden van mij: M. en G.. Die twee zijn dus ook broers, ja.

Het was bepaald niet de eerste keer dat ik daar was, op die begraafplaats. Het is de stad waar mijn moeder vandaan komt en waar ik gelukkige jaren beleefde, voor het eerst op mezelf. De ouders van mijn moeder liggen er, een broer van haar, een zus en ook de vader van een vriend. In de rij, wachtend voor de laatste groet, keek ik sluiks opzij, naar waar ik vermoedde dat mijn opa en oma lagen. Ze zijn er meer dan dertig jaar geleden begraven. Er is sindsdien veel veranderd. Ik durfde niet aan mijn ouders te appen waar ik moest zoeken.

Toen ik na de laatste groet met F. terug naar de aula liep zei hij dat hij nog even bij zijn broer had gekeken. Ook alweer lang geleden. Herinneringen kwamen boven en het besef dat we een verleden deelden. Dat we dus voor altijd bij elkaar hoorden.

In de rij voor het condoleren ging ik, alvorens bij M. aan te komen, andere familieleden langs. Andere broers, die ik ook kende, en aangetrouwden. Een van hen vroeg wie ik was: ‘Ik ben de ex-vriend van M.’, grapte ik, wetende dat M. me kon horen. Hij schoot in de lach.

Ik ben daar goed in, verkeerde grappen op foute momenten maken. De vrouw van M. ging er even in mee en zei tegen haar dochter: ,,Ja, kind, we hebben één keer een uitnodiging van die mensen gehad en daarna nooit meer.’’

,,Maar we zijn wél Facebook-vrienden,’’, probeerde ik het meisje gerust te stellen.

Achter mij hoorde ik die ene mevrouw tegen anderen zeggen: ,,Dat is een ex-vriend van M.’’

Eenmaal aangekomen bij M. omhelsden we elkaar. We hadden elkaar lang niet gezien, maar ook hij zou altijd een vriend blijven. Of we wilden of niet.

Zijn broer J. was overleden, na jaren van vechten tegen die slopende ziekte. Die er ineens was, weer ging en, zoals zo vaak, weer terugkwam. Het verhaal van zijn leven werd verteld door G., de andere vriend van mij. Dat deed hij mooi en ik vroeg me af of ik dat zou kunnen, zo rustig vertellen over een dierbare die naast je in een kist lag.

Een blik op zijn vrouw, die haar man kwijt was en zijn zoontje, die zijn vader nooit meer zou kunnen vasthouden, gaf het antwoord.

Ik condoleerde tot slot ook G. en, in gezelschap van andere vrienden, vroegen we hem of hij het slotgedicht zelf had geschreven. Dat klopte. Dat dachten wij al, grapten wij. Mooi, maar stijlvast was anders. Postmodernistische passages afwisselen met romantische strofen en eindigend in visuele abstractie.

Wij zijn daar allemaal goed in, verkeerde grappen op foute momenten maken. Maar hij grijnsde, blij met een kort moment van ontspanning. Humor is ook een vorm van omdenken, van liefde.

Ik kende J. niet alleen als broer van M. en G., ook als tegenstander. In mijn hoogtijjaren als voetballer kwamen we elkaar regelmatig tegen. Ik aanvaller, hij keeper. Ik heb volgens mij nooit tegen hem gescoord. Een keer, een keer was ik er heel dichtbij, lang geleden op dat fraaie oude voetbalpark in de rozenstad. Ik kopte de bal richting bovenhoek en wachtte op het moment dat ik juichend weg zou kunnen rennen. Het moment kwam niet, omdat J. er met een uiterste krachtinspanning nog een vingertop achter kreeg. Dat heb ik vaak moeten aanhoren: ,,Ik kon der nog net bie.’’

dinsdag 24 november 2015

,,Ik heb niks vandaag.’’

(…)

,,Nee.’’

(…)

,,Wat?’’

(…)

,,Nou ja… gewoon…’’

(…)

,,Heeft er niks mee te maken.’’

(…)

,,Vind ik niet. Dat is, eh…, hoe zal ik het zeggen…’’

(…)

,,Kan ik je niet uitleggen.’’

(…)

,,Neehee.’’

(…)

,,Hou maar op. Niet van belang. Is gewoon iets van mezelf. Gaat over niks. Eigenlijk.’’

maandag 23 november 2015

Mijn schoonvader drinkt elke avond een biertje voor het eten. Na het afruimen gaat de televisie aan. Onder het kijken van nieuws en actualiteiten drinkt hij een paar glazen water. Om half elf is het mooi geweest. Dan wordt overgeschakeld op een van de vijftig Duitse muziekzenders. Er komt een borreltje op tafel en een bakje zoute pinda’s, soms een schaaltje leverworst. Tegen half twaalf gaat de radio uit, net als het licht in de woonkamer en zit hij in het donker nog een tijdje naar buiten te kijken.

woensdag 11 november 2015

De bel. Klasgenootje D., gebracht door moeder E. Tot onze verbazing staat er nog een jongetje bij. T.. Van dezelfde klas. Wil ook mee. Daar hebben we geen moeite mee. In plaats van dat de mannen de hort op gaan, willen ze eerst naar de buren van A., geen klasgenootje. Daar krijgen ze party poppers, zegt. D. Die wonen echter aan de overkant van de Hoofdweg. Dus breng ik ze daar heen, omdat mijn zoon van ons nog niet zelf de grote weg over mag.

Ik zeg de jongens dat ze in de auto moeten gaan zitten en dan halen we N. op. Daar aangekomen blijkt er nog iemand mee te gaan. Een meisje, I. Ondanks dat ik best een grote wagen heb gaat vijf kinderen niet lukken. De moeder van N., L., zegt dat ze ook wel even mee gaat met de auto. Wij rijden de zeshonderd meter naar de Hoofdweg, parkeren bij de bibliotheek en zetten ze de weg over.

Ik wacht bij mijn auto, L. aan de overkant. Het vijftal doet niet alleen de buren van A. aan, maar pakt de rest van de straat eveneens mee. Dus staan moeder L. en ik elkaar een minuut of wat aan te kijken, elk aan een kant van de weg. Na gedane zaken, geen party poppers, wel iets anders leuks, helpen we ze weer de straat over. ,,Volgend jaar krijg je daar popcorn’’, zegt D. ,,Elk een stukje?’’, vraag ik. ,,Nee, elk een zak.’’

We verdelen de vijf weer over de twee auto’s, rijden de zeshonderd meter terug naar het huis van N. en moeder L. en na een minuut of vijf instructies over uitkijken met oversteken en bij elkaar blijven en geen gekke dingen doen, mogen ze alleen de buurt in.

Omdat mijn vrouw en andere zoon op visite gaan bij jarige schoonzus heb ik het rijk even alleen. Ik rij naar de supermarkt, voor koffiefilters, bouillonblokjes en Maggi en zie bij de ingang een lange tafel met groene zakjes. ,,Allemaal voor Sint Maarten’’, vraag ik. ,,Ja’’, zegt het kassameisje, ,,we zijn op alles voorbereid.’’

Ik rij door naar de Chinees. Die is dicht. Ik rij terug naar het centrum, nou ja, centrum…, naar de snackbar, bestel een houthakkersschnitzelmenu, praat even kort met een dorpsgenoot over het boek van schrijver A., dat zich tientallen jaren geleden afspeelde in een streekje nabij ons dorp, neem de tas met het eten in ontvangst en rij weer naar huis. Ik zet me aan de keukentafel, werk het naar binnen, onderwijl ik een novelle van een andere regionale schrijver, N., herlees en maak het me daarna comfortabel op de bank.

Ik sms D., omdat ik net op de radio het bericht hoor dat de lampionstokjes van A. te warm kunnen worden zodat de handvaten kunnen smelten. Lekker is dat, zo’n bericht, net op het moment dat miljoen kinderen op stap gaan.

Als ik op de bank zit, merk ik ineens dat het stil is. Dat komt niet alleen omdat ik alleen ben, of omdat er geen tv aan staat en geen playstation, iPad, of laptop, het komt vooral omdat er geen kat meer is die vlakbij mij gaat liggen. Op de bank, op de ruglening, in de stoel vlakbij, of op de televisietafel. Het is de derde dag dat hij dood is. En door zijn dood is er iets veranderd in dit huis. Ik weet niet of ik daar aan ga wennen.

De bel gaat. Twee kindertjes die ik niet ken zingen een versje dat ik nog nooit gehoord heb. Ze mogen van mij ieder twee dingen uit de schaal met snoep pakken. Ik bedank ze voor het lied en sluit de deur. De bel gaat even later weer. Mijn zoon met D. en T. Alweer zonder N. en I. dus. Waar die gebleven zijn wordt niet helemaal duidelijk. Maar de drie zijn nog niet klaar, zegt mijn zoon, en of ik ze even naar het huis van T. wil brengen. Dat is een oud-klasgenoot van mijn oudste zoon H. ,,Dat is aan de andere kant van het dorp’’, zeg ik, ,,waarom willen jullie daarheen?’’

,,Daar krijgen we broodjes knakworst.’’

donderdag 5 november 2015

Ik jaag over het Slochterdiep, het is half elf, ik wil naar huis, naar eindelijk op de bank na weer een avond weg en ik zet het gas erop, wetend dat ik na de N46, Ringweg-Oost, Damsterdiep en Borgweg alleen nog het Slochterdiep over moet en het is een mooie weg nu, met nieuwe asfalt, nog wel wat bobbelig, maar mooi breed en ik doe het groot licht aan omdat ik dan harder kan rijden en dat doe ik, al is het uitkijken, want het is hartstikke donker, echt goede straatverlichting is er nog niet en ik weet ook niet hoe dat komt en zelfs bij de nieuwe chicanes hou ik niet in, want ik ben er wel een beetje klaar mee deze week, elke avond op pad en morgen wacht weer een nieuwe werkdag en ik zie de brug bij Lageland al en ik schrik want ik verbeeld me dat ik kikkertjes op de weg zie springen of nee, het zijn blaadjes die over het asfalt waaien, maar nee, echt, het zijn toch kikkertjes en echt, ik moet uitkijken, want ik wil ze niet doodrijden dat zou zielig zijn en oeps dat was er een, of toch niet, want ik voel geen bonkje, wat wel zou moeten als ik er een overrijd, want het zijn kleine kikkers en een keer weet ik zeker dat ik met mijn linkervoorwiel er een bijna raak dus die zal wel wat jeuk op zijn neusje hebben en zie je, het zijn echt kikkers en nu zit er een midden onder mijn auto als ik er met tachtig kilometer per uur overheen ga en ik zou langzamer kunnen rijden maar dat doe ik niet want ik heb ook pijn in mijn linkerschouder en ik weet zeker dat het met vermoeidheid te maken heeft en even voor een pittige S-bocht moet het groot licht uit vanwege een tegenligger, waarbij ik wel wat gas terugneem omdat ik de breedte van het asfalt minder goed kan inschatten, maar als de tegenligger voorbij is heb ik met een klik van de richtingaanwijzer weer volledig zicht en ik weet dat ik moet oppassen omdat de weg hartstikke modderig is, nog van de wegwerkzaamheden en ook van de boeren die op het land bezig zijn, hé, zie je wel, links zie ik lichten op het land en er komt nu een mooi recht stuk tot Denemarken, maar ook daar is het weer oppassen geblazen, vanwege nieuwe kikkers en ik denk, kikkertjes, kikkertjes, jullie moeten allang slapen en ik verbeeld me dat ik nu en dan een hoopje witte brokjes op het wegdek zie liggen en ik denk: zijn dat doodgereden kikkers en ik wil snel thuis zijn, maar ik minder toch vaart, want van de gedachte dat ik een moordenaar op vier wielen ben word ik ook niet vrolijk en ik neem nog meer gas terug zodat als ik weer zo’n vrolijk springende vriend zie ik meer kans heb om hem te ontwijken en hé, was dat een fietser op het fietspad naast de weg, zo laat nog bij pad en ik zie in het schijnsel van mijn koplampen een vogel wegvliegen, moet een reiger zijn en wat gebeurt er toch nog veel zo laat op de avond en ik leg het laatste stukje af tot de witte brug die de entree van mijn dorp markeert en ik minder vaart, ik laat me als het ware uitvieren tot ik nog geen twintig per uur rijd en ik doe het knipperlicht uit en ik rij onze oprit op en ik ben blij want ik heb geen enkele bonkje gevoeld.

dinsdag 3 november 2015

Het cadeautje ligt al op de achterbank. Een verrassing. Open maken mag nog niet, pas als we er zijn, maar even later is het van ‘ah, doe toch, kan wel’. Mijn ouders zitten voorin, mijn zusje naast me. Ze brengen we weg. Naar het ziekenhuis.

Ik scheur het papier er af en zie een auto. Weer een auto. Ik ben gek op auto’s en ik krijg altijd auto’s. Op verjaardagen, Sinterklaas, onder de kerstboom. Dinky Toy, Matchbox, of Siku. Een gele kraanwagen dit keer. Van metaal. Een echte dus. Met een rode kraan, uitschuifbare pootjes en een haak. De koplampen zijn twee stukjes op diamant lijkend glas.

Met een schreeuw word ik wakker. Ik zit ergens diep in de aarde, onderin een lange donkere put en ben bezig me langzaam omhoog te werken als ik ineens in het licht sta. Buiten, denk ik, maar de muren zijn wit. Uit mijn keel komt bloed. Er zijn handen die mij grijpen, tegenhouden. Hij is te vroeg wakker, hoor ik. Ze waren nog niet klaar. Mijn binnenste gilt, voelt rauw, hard en huilend word ik op een brancard weggevoerd.

Ik open mijn ogen en weet dat ik alleen ben. Door de spijlen zie ik een grote ruimte. Meer bedden. Vreemde gezichten. Dit is niet mijn eigen slaapkamer. Als ik roep komt er iemand aan. Ze is aardig en ik mag ‘je’ zeggen, maar het is niet mijn moeder. Er vallen tranen op de broek van mijn nieuwe pyama. De mevrouw aait me over mijn hoofd en ik ga weer liggen. Bij gebrek aan een knuffel hou ik de kraanwagen tegen me aan.

Een verpleegster houdt een kommetje voor. Vruchtenyoghurt. Eten mag, maar voorlopig alleen vloeibaar. Het is koel en lekker. Een ijsje mag ook nog. Is goed voor je keel, zegt ze. Alsof ze me een plezier doet. Het smaakt, maar blij ben ik niet. Waar zijn pappa en mamma?

Ik schrik weer wakker en schreeuw: ,,Zuster!!!’’ Ze zijn ze laat. Uit mijn mond gulpt een roze brij. Over de dekens, over mijn nieuwe pyama.

maandag 26 oktober 2015

Ik moet mee de school in. Hij wil me laten zien wat zijn nieuwe plek in de klas is: ,,Ik zit weer in een ander groepje.’’

Het is kwart over acht en er zijn nog niet heel veel andere kinderen. Ik kijk om me heen als we het schoolplein op lopen. Herfst. Het licht buiten is anders. Een donkerder soort lucht. De kou valt mee, maar je voelt dat de zomer nu echt voorbij is.

In tegenstelling tot het bos tegenover ons huis, waar bijna alles al rood en geel kleurt, hebben de bomen rond de school nog hun groene kleur.

Een juf staat met een mok koffie vlakbij de ingang. Een moeder voor ons houdt de deur open, ‘be-dankt’ en we wandelen door de centrale ruimte naar zijn klas. Reyer gaat voor, ik volg. Het is er stil, de stoelen en tafels wachten op de dingen die komen gaan.

,,Mooie plek,’’ zeg ik als we in het lokaal zijn, ,,dicht bij de juf. Kan ze jou goed in de gaten houden. En jij haar.’’

Hij trekt zijn la open en ik zie een leesboek. Over werken ‘aan de verkeerde kant’. Zonder te kijken weet ik: een oorlogsboek. Dat klopt. Ik lees de achterflap: over een jongen die gedwongen wordt voor de Duitsers te werken. Of Russen. In ieder geval aan het front. Zware kost, maar mijn jongste zoon doet er luchtig over.

Ik kijk naar het raam. Daar hangen werkjes. Bomen, uitgesneden uit zwart papier, met daarachter geplakt een papier dat rood en blauw gekleurd is. Geen idee hoe die techniek heet. Passepartout? Zoiets.

,,Hangt er al een van jou bij?’’

,,Ja, die. De slechtste.’’

,,Hoe kom je erbij?,’’ vraag ik, ,,is ja hartstikke mooi. Die boom heeft sierlijke lijnen. Goed, die ene hoek is wat slordig geplakt, maar zo slecht ist-ie niet hoor.’’

Hij lacht verlegen.

,,Nou, papa gaat aan het werk, oké?’’

,,Is goed.’’

,,Kus?’’

We kussen en ik neem afscheid met de grap die ik al vijf jaar lang elke ochtend op het schoolplein maak: ,,Welterusten. Lekker slapen. Tot morgen.’’

donderdag 1 oktober 2015

Collega R. zegt dat ik mijn haar moet wassen. Dat ik een colbert aan moet, dat ik er rekening mee moet houden dat ik acht kilo dikker lijk, dat ik niet aan mijn borsthaar mag krabben, niet mag drinken onder het praten, dat ik vragen moet negeren en gewoon mijn eigen verhaal vertellen, liefst twee anekdotes en dat ik iemand mee moet nemen omdat er na afloop niemand is die naar je omkijkt.

Ik zit naar haar te kijken zoals een kip naar het onweer.

Mijn vrouw had me eerder verteld dat ik mijn bril moest afdoen.

Collega K. zei me niet te bescheiden zijn (daar zijn we weer). Hij zei: jij schrijft gemakkelijk, maar denkt te moeilijk. Zoiets.

In de roos.

Alle adviezen betroffen de uitnodiging van Pauw, om daar vanavond in de uitzending te vertellen over hoe dat voelt: een aardbeving. Die maakten wij gisteravond om even over acht mee. Over hoe dat voelde, daarover had ik in de krant van vandaag een verhaal geschreven. Om kort te zijn: dat voelde niet fijn.
 
Angstig. Instinctief voel je gevaar, je beseft: hier zijn krachten aan het werk die we niet beheersen. Onmacht, onwetendheid, onbegrip dat we het laten gebeuren.

De goede bedoelingen ten spijt; om vier uur hoorde ik dat ik toch niet naar Amsterdam hoefde. De reden was dat onze burgemeester niet kon. Daarom was het item geschrapt. De redactrice ging er vanuit dat ik dat logisch vond. Nee, maar ik ging natuurlijk niet zeggen: ik kom toch. Helemaal rouwig was ik er niet om. Je bent de hele avond kwijt en bent, als je geluk hebt, om half drie ’s nachts weer thuis. Daarbij zou ik de commissie ABZ in Bedum missen en dat zat me ook niet lekker.

De redactrice vroeg of ze een volgende keer weer mocht bellen. Ze hoopte dat het niet zou hoeven, maar die hoop heb ik niet; zo lang ik leef zullen er in Groningen aardbevingen zijn.

De aardbeving van gisteravond, 3.1 op de schaal van Richter, epicentrum Hellum, hakte er blijkbaar zo in bij mij dat ik er vannacht over droomde. Een nachtmerrie. Ik werd om kwart over vier 's nachts wakker, helemaal in de war. Wat ik wel dacht was: ik moet die droom, die nachtmerrie opschrijven.

Aardbevingsdroom

Siddering, beweging ineens, chaos, de kamer is overhoop, er is iets gebeurd, wat is er gebeurd, een beving, in ons huis, ja in ons huis, kijk ons huis, de muren bewegen, kijk de vloer dan, de vloer is kapot, tegels schuiven over elkaar heen, het voelt zo, het voelt raar, zie de vloer ook bewegen, komt dreigend omhoog, alles vloeit en kronkelt en ik weet wegwezen en ik kijk om me heen en zoek, wat zoek ik, ik kijk om me heen, ren door muren, door kamers, ja, dit moeten, hé dit zijn de kinderkamers, waar zijn mijn zoons, ik zie ze niet, ik wil weten waar mijn vrouw is, buiten moet ik zijn, daar is het veilig, daar loop ik heen, al ga ik door een andere voordeur dan de mijne, ik zie niet goed meer, alles is vaag en ik sta plotseling op een berg, ergens buiten, zou Indonesië kunnen zijn en de tegels van de kamer zijn aardplaten geworden, platen in kleurboekkleuren, die schuiven over elkaar heen, met donderend natuurgeweld, dit is echt, dit is niet best en we moeten vluchten, ik wankel, zoek evenwicht, maar de aarde wankelt en ineens zijn daar mijn kinderen, mijn vrouw, we houden handen vast, ik wil dat we handen vasthouden, in een kring zoals bij zakdoekje leggen en we moeten elkaar niet meer loslaten, wat er ook gebeurt, bij elkaar blijven, ja zegt mijn vrouw we blijven bij elkaar, maar waar gaan we heen, daarheen, waarheen, niemand zegt iets en we lopen een richting uit die ik niet ken en ik zie een vliegtuig op een plek die lijkt op de camping in Luxemburg waar we meestal overnachten op weg naar Frankrijk en ik besef, dat zie ik niet, dat er bekenden mee zijn, mensen uit het dorp, buren, vrienden, wie zal het zeggen, ik voel ze alleen en dat we met zijn allen moeten vluchten, het is de enige optie en ik voel in mijn zakken en jas die ik niet aan heb en nee, we hebben geen paspoort meer, nee, niemand heeft een paspoort, geld, spullen, alles is kwijt, alles wat in ons huis was is verloren, maar daar is begrip voor begrijp ik, hoor ik en veel tijd om er over na te denken is er ook niet, belangrijkste is weg te komen, weg van hier, weg van deze plek, we zullen nooit meer terugkeren, nooit meer omkijken en er staan twee, drie roltrappen richting vliegtuig, dat zowaar stewardessen heeft, een ervan heet ons welkom en probeert ons gerust te stellen, er hangen vlaggetjes om het vliegtuig heen, alsof het feest is, ik voel in mijn kontzak en het vliegtuig staat onder een luifel en ook tegen een aarden wal met gras begroeid, zonder de trap te gebruiken zijn we in het vliegtuig, vol, helemaal vol, er is geen plek, nergens en we willen bij elkaar zitten en als ik om me heen kijk zijn mijn vrouw en kinderen weer weg en hoe ik ook om me heen kijk ik zie ze niet en ik weet dat verder zoeken geen zin heeft, dat ik ze nooit meer zal zien, dat ze weg zijn, maar ik weet ook dat mijn vrouw voor ze zal zorgen en dat stelt een beetje gerust en ik ben alleen, ik zit alleen in een ander vliegtuig, dat geen beplating meer heeft, alleen het ijzeren geraamte en we taxiën over een snelweg, proberen vaart te maken om weg te komen en ik zie, ik zie lantaarnpalen langs de weg en ik denk wat gek, want de vleugels van het vliegtuig zouden die palen moeten raken en daardoor kapotgaan, maar dat is niet zo en als ik voor me kijk zie ik dat we over auto’s heenrijden, over mensen die over de weg liggen, maar terwijl we over die mensen heen rijden, ik kan niet zien of ze al dood zijn, voel ik geen gebonk zoals dat zou moeten en we rijden door, we taxiën door en rijden over nog meer auto’s en mensen en we rijden en rijden en ik voel dat ik bijna in veiligheid ben, maar het vliegtuig stijgt niet op, we rijden alleen maar door, steeds harder.

maandag 21 september 2015

,,Kijk, dit bedoel ik nu, waarom doe je dit?’’

,,Wat?’’

,,Nou, ik ben bezig met mezelf af te drogen en ik ben net klaar en dan spetter jij me nat. Vind ik raar. Waarom doe je dat?’’

,,Weet ik niet.’’

dinsdag 8 september 2015

Het verkeerde bed

Ik lig op de buik van mijn vader. Het is mijn eerste herinnering. ,,Dat vond je fijn toen je klein was,’’ zegt mijn moeder, ,,Op zondagochtend kroop je altijd bij ons in bed.’’ Ik geloof haar. Het is wat mij bij staat.

Ik zal niet veel ouder dan vijf zijn geweest. Hoe lang doe je dat als kind, op de buik van je vader liggen?

De inrichting van de slaapkamer is een vaag beeld, maar oogt vertrouwd. Crèmekleurig, ‘even van ‘t wit af’, met donker nephout op de laden en deuren van de nachtkastjes en een groene sprei met een psychedelisch motief. Modern in die tijd, eind jaren zestig. Hoe mijn ouders er uit zagen weet ik niet meer. Gebruind en jong, zeg ik nu. Ik denk dat te weten, maar misschien herinner ik me de foto’s van toen. Het geheugen doet ook maar wat.

Zo weet ik zeker dat ik minimaal negen was toen we het eerste ouderlijk huis aan de rand van het dorp verruilden voor een woningbouwwijk. Dat zeg ik met stelligheid omdat ik me herinner dat ik met mijn vader op de dag van de finale van het WK-voetbal in 1974 naar het huis van de buurman liep, driehonderd meter verderop. Die had kleurentelevisie. En ik ben van 1965.

,,Nee,’’ zegt mijn vader, ,,Je was acht. Volgens mij.’’

Ik denk weer aan de zondagochtenden. Maar, realiseer ik me ineens en ik word een beetje koud, ook daar klopt iets niet. Dat crèmekleurige bed, even van het wit af, stond in de slaapkamer in het tweede huis in de woningbouwwijk en niet in het eerste huis.

Iets anders

Met de verschijning van de nieuwe columnbundel De eeuwige Veenkoloniaalis het moment gekomen om weer iets anders te doen. Op deze plek dan, op deze blog. Ik schrijf al sinds 1997 stukjes, eerst voor de krant, daarna op mijn eigen plekje op internet en nu, zo werkt het bij mij, denk ik: het is wel ongeveer klaar zo.
Ik ben geen Simon Carmiggelt die veertig jaar lang stukjes schrijft over het thema: komt een man het café binnen. Dat deed-ie erg goed trouwens, maar eens in de zoveel tijd moet ik het idee hebben dat ik me vernieuw.
Dat gebeurde met de columns Enter Sandman in de Veendammer en de Groninger Gezinsbode, die op zeker moment eindigden en waarvan de bundel Trap ze in de pokkel het resultaat is. Waarna ik aan de stukjes begon over Slochteren en het verschil met de stad. Dat leidde tot de bloemlezing De laatste bus naar Slochteren en ik verder ging met de series 'Onder de Watertoren' en 'Voorbij de Watertoren', over- en geïnspireerd op een jeugd in Stadskanaal en nu de beste daarvan (althans, daar ga ik vanuit) verzameld zijn in De eeuwige Veenkoloniaal is het opnieuw tijd om, zoals ik zal zei, iets anders te gaan doen.
Dat is te zeggen: qua vorm. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik er nog niet helemaal uit ben. Ik denk aan een soort dagboek, of weekboek, geïnspireerd op the journals van John Cheever, geschreven met een jaloersmakende openhartigheid, die ik ook bij Karl Ove Knausgard waarneem.
Maar ik denk ook aan korte verhalen. Ik beschouw beide als een verlengde van wat ik nu doe.
Ik denk ook maar dat ik beide ga doen.
Dag- en of weekboek én korte verhalen dus. Ze zullen misschien lijken op columns, maar ze zijn het niet. De hoofdpersoon in de korte verhalen is soms een ik, maar ik ben het niet. Een foto laat ik ook achterwege. De tekst moet het doen. Een stapje verder zullen we maar zeggen. De columns voorbij. Zoiets. Je moet wat.

donderdag 13 februari 2014

Nooit Meer Slapen (4) - Mama, mag ik dood?

Ze keek hoe de nachtzuster met een druk op de knop de dosis verhoogde. Een simpele handeling. Zij had het kunnen doen, ware het niet dat moeders natuurlijk nergens aan mochten komen.

De extra morfine garandeerde het jongetje een rustige nacht. De slaap zou zo komen en dat gaf haar de gelegenheid zich te installeren. Ze schoof de stoel tussen het bed en het raam, waarvan de gordijnen open bleven. Dan kon ze, met het boek op schoot, af en toe naar buiten kijken.

Zo bracht ze elke week een paar nachten door aan het bed van haar zieke zoon. Het waren zeldzame momenten van rust in een leven dat bijna 24 uur per dag gedicteerd werd door pijn. Als hij sliep leek het of er niks aan de hand was.

Dankzij de morfine hoefde het kleine lichaam even niet te vechten. Dan was er even geen dokter, geen geworstel om voedsel binnen te krijgen en te houden, geen testen, geen bezoek, geen verdriet, geen vragen.

In de nacht was ze gewoon een moeder bij het bed van haar achtjarige zoon. Zoals ze vaak had gedaan na zijn geboorte. Ook toen hield ze ervan om, na de voeding van drie uur, in het donker te blijven zitten. Gewoon, omdat het fijn was een kind te hebben.

Ze sloeg het boek open, wilde haar hand tegen hem aan leggen en keek even opzij. Recht in een paar grote ogen. Hij was klaarwakker. Ze wilde hem een kusje geven, maar hij hield haar tegen: ‘Mama, mag ik dood?’

(Uitgesproken in de nacht van 13 op 14 februari in het VPRO-radioprogramma Nooit Meer Slapen, in de rubriek 'Schrijvers over de Actualiteit'. Aanleiding is de wijziging in de Belgische euthanasiewet die donderdag 13 februari 2014 is bekrachtigd. Die aanpassing geeft ook minderjarigen het recht om levensbeëindiging te vragen. De grens lag in België bij 18 jaar. In Nederland geldt een ondergrens van 12 jaar. Te beluisteren via deze link, even na het journaal van 01.00 uur)

woensdag 12 februari 2014

Nooit Meer Slapen (2) - Alledaags ongeluk

Het duurde even voordat hij duidelijk kon maken dat hem niks mankeerde. Zijn stem trilde, de woorden kwamen moeilijk en de stevige wind leidde af.

‘Nee, ik heb niks. Alleen wat blikschade. Nou ja, beetje veel blikschade.’

Ze vroeg hoeveel.

Hij keek naar de auto. De linkerkant van de Renault zat in elkaar, twee lekke banden en grill en spoiler aan de voorkant zaten los.

‘Zat je te bellen of zo?’

Nee, maar hij kon ook niet goed uitleggen wat er wel was misgegaan. Bij het invoegen was de andere wagen ineens achter hem opgedoken. Gegier van remmen, een paar doffe klappen en nu stonden ze met vier auto’s in de berm. Een paar agenten waren bezig de bestuurders te ondervragen, anderen brachten het verkeer weer op gang. Zes kilometer file. Hij was nu een regel verkeersinformatie.

‘Maar hoeveel is beetje veel?’

‘Total loss ben ik bang.’

‘Ah nee.’

Haar reactie was begrijpelijk. De auto had net een beurt gehad en twee nieuwe schokbrekers achter. Daarmee bleef een beetje spaargeld over. Te weinig voor een andere auto. Ze hadden een probleem.

‘Maar ik ga hangen. Ik moet Henk zeggen dat ik later ben. Als ik al kom. Dit gaat even duren. Ik zie wel hoe de dag loopt.’

Ze vroeg waar hij stond.

‘Op de A10 richting Slotervaart…’

Hij aarzelde. Het was even stil aan de andere kant van de lijn en toen vroeg ze: ‘Maar die kant moet je toch helemaal niet uit naar je werk?’

(Uitgesproken in de nacht van 11 op 12 februari in het VPRO-radioprogramma Nooit Meer Slapen, in de rubriek 'Schrijvers over de actualiteit'. Het verhaaltje is geïnspireerd op de eenregelige opmerkingen bij de verkeersinformatie, over een file na een ongeval. Die ochtend stond er een van 6 kilometer op de A10 richting Slotervaart. Te beluisteren via deze link, even na het journaal van 01.00 uur)