Je ziet het oude kerkhof, je parkeert je auto op een plek
waar dat eigenlijk niet kan, omdat er maar een straat is en die is niet zo
breed en een man opent de deur, zegt welkom en dan sta je in een middeleeuwse
pastorie, waarvan er nog maar vier in de provincie Groningen zijn en dat nu een woonhuis is, waar het naar vers gebakken koekjes ruikt en de man
neemt je meteen mee naar de tuin, wijst naar het eeuwenoude land, door water en weer gevormd, zijn vinger wijst naar de oude meanders, een oud kerkepad en je
ziet de kippen in een hoekje samengeklonterd en je denkt: goh, ik kijk nu uit
over Middag-Humsterland en je vraagt nog eens: en daar, die woningen, met dat
kerkje, dat is Klein Wetsinge?
Posts tonen met het label korte verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label korte verhalen. Alle posts tonen
maandag 22 februari 2016
Ineens ben je op een plek waar je nog nooit was en waar je
niet meteen nog een keer komt, een klein plaatsje waar je zo nu en dan
langsrijdt, waarvan je het bestaan wel weet, maar ja, wat moet je daar en
ineens ben je daar en sta je, niet ver van de doorgaande weg en denk je: goh,
dit is nu Groot Wetsinge.
donderdag 24 december 2015
Noordwaarts
Dag 1
Met een bus(je) mag je een hoop. Zoals over de Vismarkt rijden. De Schipholtaxi steekt zelfs Tussen beide markten over. Wat iedereen hoopt, een haakse bocht en dan vol gas de Herestraat over richting Ringweg, mag echter weer niet. Een pistool tegen zijn slaap had de chauffeur kunnen inspireren om het wel te doen, maar zoals meestal heb je geen vuurwapen op zak als het nodig is. Ook zonder had-ie het gewoon moeten proberen, want om half vier op maandagochtend is het stadscentrum uitgestorven.
Het bekende nadeel van wonen in Groningen: je zit zover van
de bewoonde wereld dat je allejezus vroeg je nest uit moet als je om acht uur
op Schiphol wordt verwacht. Dus word ik zondagavond om half acht gebeld met de
mededeling dat de chauffeur mij om tien voor half vier oppikt. De marge is een
half uur. Wat betekent dat het dus ook tien voor drie kan zijn. Dus moet de wekker
op half drie en de zenuwenlijer die ik ben is vanaf zo’n moment met één
gedachte bezig: als ik me maar niet verslaap. Dus doe ik geen oog dicht.
Terwijl zoiets helemaal niet hoeft. We arriveren om half zes
bij de luchthaven, zijn binnen tien minuten ingecheckt en kunnen daarna twee
uur gaan zitten wachten op boarding time.
Al is dichtbij Schiphol wonen geen garantie dat het dan goed
gaat. De piloot wekt de indruk dat ie bij de landing in Kopenhagen aan het
gamen is, zo zwaait de voorkant van het vliegtuig van links naar rechts en de
stewardess sommeert ons bij het uitstappen goed te letten op het lampje ‘gordel
vast’. Waarna een gehakkel volgde in de trant van ‘oeps, ik heb de verkeerde
procedure voor me, wat dom van mij, neem me niet kwalijk mensen, nu ja, toch
bedankt dat u met de KLM hebt gevlogen enzovoort enzovoort.’
Waarschijnlijk is het dezelfde stewardess die halverwege de
vlucht bij een meneer gaat staan met de vraag: ‘U bent die en die?’
Ja, dat is hij.
Nou ja, ze hadden begrepen dat hij vaak met hun vloog en
daarom wilden ze een beetje weten wat hij zo van hunnie vond, de KLM dan. Dat
ging vrij dwingend. Ik dacht: je zult vliegangst hebben en dan vraagt zo’n miep
of je de veiligheidsinstructies voldoende vond, of je echt goed had begrepen
wat te doen bij een crash. Bij het inchecken was er niemand te bekennen, dat
doet de reiziger tegenwoordig helemaal alleen en ineens moest er dan feedback
komen?
Gelukkig wachtte op Deense bodem het werk.
Het Groninger Museum wil met Nordic Art een ode brengen aan
de volken en culturen van Scandinavië middels een overzicht van negentiende- en
twintigste-eeuwse Noord-Europese schilderkunst. De presentatie omvat
landschappen, portretten en taferelen van ‘the real life. Gastconservator David
J., Hoogleraar Russische en Scandinavische Kunstgeschiedenis aan de
Universiteit van Leeds, benadrukte dat het deze keer niet om grote namen ging.
Wel om de periode en de stijlen: realisme, naturalisme, symbolisme, modernisme.
Het aanbod komt uit vijf landen (Denemarken, Noorwegen, Finland, Zweden en nog
een ander Scandinavisch land) en omdat een museum dat een expositie organiseert
graag publiek wil en publiek vooral is te verkrijgen met publiciteit is er een
persreis georganiseerd en ben ik in als redacteur kunst en cultuur van de
Groninger Gezinsbode in gezelschap van collega’s van RTV Noord, De Telegraaf,
Trouw, Universiteitskrant en Villa d’Arte en dus doen we in een week
Kopenhagen, Stockholm, Helsinki.
Ondanks dat we niet op namen moesten letten kwam die van
Vilhelm Hammershøi veel voorbij. Een vrij onbekende naam dachten wij, maar dat
dachten wij verkeerd. Michael Palin blijkt een enorme fan en maakte zelfs een
documentaire over de man. Daar zaten ze bij de BBC niet echt op te wachten en
toen heeft het voormalige Monty Python-lid zijn in twintig jaar tijd opgebouwde
goodwill in een keer opgebruikt om de vertoning er door te drukken.
De eerste dag begon met een wandeling door Kopenhagen.
Jackson wilde de belangrijkste plekken laten zien, zoals natuurlijk The Little
Mermaid. Je kon immers niet in Kopenhagen zijn en het beroemde beeldje missen.
Bij het zien van al die gebouwen dacht ik: typisch Deense architectuur,
geen idee waarom, maar typisch Deens. Totdat collega M. van het Dagblad van het
Noorden opmerkte: ik vind het net Groningen. Daarna togen we onder meer langs
het Thorvaldsen-museum, geheel gewijd aan Thorvaldsen (de schilderingen op de
buitenmuren gaan over de inrichting van het Thorvaldsen-museum) en The Opera
House (een geschenk van containerboer Maersk) en het was zo veel dat we niet
alles konden zien en we toch The Little Mermaid hebben gemist.
De (werk)dag werd besloten met een bezoek aan het buiten
Ordrupgaard, voormalig eigendom van Wilhelm en Henny Hansen. De man werd
schathemeltjerijk met verzekeringen voor de gewone mens en investeerde zijn
fortuin in een schitterende kunstcollectie , dat in het zomerhuis was te
bezichtigen. Bij de Deense bankcrisis van omstreeks 1922 of 1923 raakte hij
alles kwijt, edoch: de man krabbelde weer op, vergaarde een nieuw fortuin en
kocht veel weer terug. Niet alles, wel veel.
Het zomerhuis wordt anno nu beheerd door de Deense staat,
met aan de muren negentiende en twintigste-eeuwse kunst van impressionisten en
post-impressionisten als Degas, Renoir, Monet, Cézanne, Gauguin en Matisse. Die
zijn niet in het Groninger Museum te zien, maar Ordrupgaard levert drie werken.
Het bezoek was er volgens Jackson om voeling met de tijd te krijgen. Hammershøi
hing er ook; landschappen en interieurs met een bijna magisch-realistische
sfeer. Ook opvallend: vrouwen schilderde hij met de rug naar de kijker toe. Een
verbeelding van ‘the poetry of silence’.
Het beheren van een zomerhuis vol kunst is blijkbaar geen
aangenomen werk, want als we aankomen is er niemand en duurt het even voor er
iemand aan komt wandelen om de deur voor ons te openen.
Jackson bekende in de tuin van het landgoed dat hij geen vat
kreeg op de uitspraak vande Denen. Hij vergeleek het met een vis waar je alle
botten uithaalt. Zelfs de komst van Hannah Heilmann, zijn Deense assistent,
bracht weinig duidelijkheid. Ordrupgaard wordt uitgesproken als Rdordropgord.
Het beste, aldus de Brit, was om hier en daar klinkers en medeklinkers weg te
laten, de overgebleven letters in een andere volgorde zetten en praten alsof er
een schroevendraaier door je tong zat.
Dag 2
Gastconservator J. vertelde bij het ontbijt dat hij niet verbaasd was over de situatie gisteren bij Ordrupgaard, waar geen van de beheerders op het afgesproken tijdstip voor ons klaar stond. Na een telefoontje kwam er een jongedame aan met ‘oh, was dat vandaag?’ Zo ging het vaak met Denen, wist hij. Oh, hadden we een afspraak? Sorry, wat laat. Die laidback-mentaliteit konden ze zich veroorloven omdat uiteindelijk alles toch weer goed kwam.
Dat zullen collega J. van Trouw, collega M. van het Dagblad van het Noorden en collega M. van De Telegraaf ook gedacht hebben. Zij kwamen niet om kwart over negen, maar pas om half tien (!) in de lobby om uit te checken. Ook dat bleef zonder gevolgen, want we waren op tijd in het Statens Museum for Kunst, dat 25 of 26 werken levert. De conservator keek wel streng naar de camera van collega R. van RTV Noord en stak een rappellement af over copyright en wat hij allemaal niet mocht filmen. Alleen de muren en de brandblussers bleven over.
Collega M. van het Dagblad corrigeerde schrijver dezes
overigens over het stukje van gisteren, want ‘ook jij vond Kopenhagen net Groningen’.
Bij deze dus. In het staatsmuseum werden we iets wijzer over de Nordic
Art-expositie. Moderne kunst, want kunst over het dagelijks leven, kunst die
verhalen vertelde, maar ook kunst die getuigde van doorbraken in Scandinavië,
eind negentiende, begin twintigste eeuw. Zoals de ‘liberation’ van vrouwen,
vrije seks, ‘kick-out’ van religie’ en nog zo wat.
De werken van mensen als Juel, Eckersberg, Strindberg,
Krøyer en Skovgaard toonden een en al daily
life, al bleek het ook weer niet alleen een en al daily life. Het was vergeven van de symboliek. Jackson
verduidelijkte dat met een schilderij van een vrouw die ziek op bed lag en een
boek las. Een vrouw die een boek las op bed, dacht ik, maar dat bleek een
statement. Aangetoond werd dat vrouwen zich best wilden ontwikkelen, maar dat ze
dat alleen konden als ze ziek waren. Als ze dat niet waren moesten ze het
huishouden doen, de kinderen verzorgen en de gele onderbroeken van manlief met
reuzel wassen, zoiets.
Daarmee sneed de gastconservator het punt aan van labels. Je
kon iets realistisch noemen, maar als je koos voor het vastleggen van een
arbeider in povere omstandigheden of mensen die uit hun huis werden gezet, dan
was dat bijna automatisch al een politiek werk. We knikten allemaal ja toen de
gastconservator dat zei, maar schudden nee bij het icoon van de expo: At the
French Windows. The Artists Wife van L.A. (Lauritz) Ring. Ring is naast Munch
en Strindberg een van de bekendste namen. In de discussie gaven we Jackson geen
gelijk. De kwestie: was de vrouw van Ring zwanger of niet. Ja, vonden wij. Nee,
zei Jackson. Wel, zeiden we nog een keer. Zie die buik. Nee, zei hij, jurken
uit die tijd maakten je dik. Dat zou bovendien controversieel zijn. Niemand
schilderde zijn vrouw op die manier. We kwamen er niet uit.
Er was ook kunst van vrouwen zelf. Ze mochten niet studeren
aan de Royal Academy, maar kregen les van de gevestigde namen. Daaruit
ontstonden blijkbaar allerlei relaties, want het was Jackson opgevallen dat er
meer vrouwelijke kunstenaars en artiestenkoppels in Scandinavië waren dan
elders. Wat de kunstenaars ook deden was rekening houden met de markt. Er werden
‘feelgood’-werken gemaakt, inspelend op het nationalisme dat in die dagen de
sfeer bepaalde. Van landschappen, zonnige dagen aan het strand, tot het gezellige
gezinsleven. Op mijn vraag dat de geportretteerden geen geld hadden om die
doeken te kopen riposteerde Jackson dat de gegoede burgerij ook ‘warme
gevoelens’ had voor de lagere klassen.
Daarna mochten we een uurtje of twee wat voor ons zelf doen.
Rondkijken bij Matisse, bij Franse kunst of lunchen. Het werd lunchen en met
een sandwich kip en een flesje water was ik na koud anderhalve dag alweer door
mijn kronen heen, want Denemarken is een duur land. Waarna er zonder Deens geld
weinig anders overbleef dan in de tuin wandelen, maar het regende dus ging ik
in de moderne uitbouw tussen delen van het Statue of Liberty zitten gamen.
Omdat ook bij de Hirschsprung Collection niemand open deed
merkte ik op dat dit ‘de reis van de gesloten deuren’ was. Een poëtisch
statement dat meteen in de prullenbak kon omdat iemand aan de zijkant op zijn
Deens riep dat we ‘hiero’ moesten zijn. Het klonk als hjurro. Wij daaro heen,
dwars door het natte gras, behalve collega M. van De Telegraaf die haar
schoenen wilde sparen. Zij liep een stuk om. Mannen kijken daar van op. Die
banjeren rustig in hun Armani door kniehoog slijk als het moet.
Heinrich en Pauline Hirschsprung waren collectioneurs die de
kunstenaars soms financieel bijstonden. Artistieke stimulatie kwam van iemand
als Eckersberg, docent aan de Royal Academy. Hij duwde andere kunstenaars de
moderniteit in. Onder meer met de opmerking dat je niet moest kijken of een
schilderij goed was, maar of het eerlijk was. Blijf bij jezelf. Probeer niet
mee te gaan met stromingen of mode, maar doe wat je denkt dat je moet doen.
Zoiets had Manet ook gezegd.
Als rechtgeaarde Groninger, opgegroeid met slaag en regen,
heb ik een fascinatie voor ellende, desolate landschappen en ‘grote tragedies’
en ik werd geïntrigeerd door ‘The murder of a child’ van Erik Henningsen. Over
een vrouw die haar maatschappelijk ongewenst kind vermoordde. Het doek zou niet
in het Groninger Museum te zien zijn. Volgens Jackson was het te depri en er
zou genoeg gloomy stuff uit Zweden te zien zijn.
Daarna volgde een borrel bij de ambassade, moesten we naar
het hotel om alle gekregen kunstboeken in de bagage te doen, gingen we eten en
togen naar het station voor de nachttrein naar Stockholm. Op die trein bleek
geen Wi-Fi, zodat mijn verslag van Dag 2 pas op Dag 3 op de Gezinsbode-site
verscheen.
Dag 3
De nachttrein was een drama. Een eerste klas coupé met eigen
douche en wc klonk spectaculair, de praktijk bleek minder romantisch, want
beide bevonden zich op dezelfde vierkante meter. Er hing ook nog een föhn. Bijna
niemand deed een oog dicht, behalve collega J.. Ook collega P. niet, maar hij,
met zijn 1,97 meter
de langste man in het gezelschap, slaagde er wel in zich te douchen. Hij vond
het zelf minder bijzonder, gezegend als hij in zijn eigen woning in hartje stad
was met ‘het kleinste badkamertje van Groningen’. We noemen hem nu Houdini.
Met bloeddoorlopen ogen en knallende hoofdpijn lopen we naar
Hotel Scandic, tegenover het hoofdstation. Van de verwachte Zweedse Gründlichkeit bij de spoorwegen is
weinig te merken. Niemand controleert tickets, niemand komt ons wekken en
niemand doet een poging ontbijt te brengen. Dus doen we dat, met de
treinvouchers, in dat hotel. Daar blijkt een wc te zijn met een codeslot! Nooit
eerder gezien. Daar word ik zenuwachtig van. Stel dat je een aanval kreeg van
buikgriep. Stond je met dichtgeknepen billen te zoeken naar het papiertje met
de vier cijfers. Het is trouwens 4363, voor wie toevallig in de buurt is en
zich niet helemaal lekker voelt. In het eigen hotel, eveneens van Scandic,
kwamen we bij door even te gaan werken, te Facebooken of verkiezingsnieuwtjes
te googelen, in Nederland was het immers Election Day.
De eerste activiteit om elf uur: Nationalmuseum, Stockholm.
Dat levert zo’n twintig werken. Nordic Art omvat in totaal 160 stukken en
volgens researcher Hannah is dat een zeer krappe selectie. Jackson had liever
220 gehad. Het Nederlandse gezelschap werd rondgeleid door conservator Per. Per
schrok van het aantal van elf mensen dat plots voor zijn neus stond, maar deed
niet moeilijk over de camera van collega R.. Hij kon filmen wat hij wou en het
had niet veel gescheeld of Per had mee helpen tillen.
De entree van het museum is opgesierd met immense
muurschilderingen en daarna hoefde ik eigenlijk niks meer te zien. Vooral indruk
maakte het befaamde Midvinterblot (‘Midwinteroffer’) van Carl
Larsson. Het werk uit 1915 is gebaseerd op verhalen uit Noordse saga’s, zoals
de Ynglingatal,
waarin de Zweedse koning Dómaldr werd
geofferd na een aantal jaren van slechte oogsten. Een kunstwerk ook met een
verhaal (Midvinterblot).
Aan de muren in Stockholm tevens een Rembrandt, volgens Per
de enige mural die de heer Van Rijn
ooit heeft geschilderd. De
titel: ‘The Conspiracy of the Barbarians under Claudius Civilus’. Als
vanzelf werden we daar naar toegetrokken, maar daar kwamen we niet voor. Wel
voor ‘Midsummerdans’ van Anders Zorn en ‘Getting ready for a Game’ van Bruno
Liljefors. Iconen in de Scandinavische kunst. Jackson merkte op dat het
normaliter vrij moeilijk is iconen los te weken. Iedereen begint te huilen bij
het idee alleen al. Voor Nordic Art doet niemand moeilijk. Per had een
sluitende verklaring: ‘Wij hebben eigenlijk geen iconen en wij zien de mensen
graag huilen.’
Zorn en Liljefors zijn twee van de drie ABC-kunstenaars, zeg
de top drie van Scandinavië. De derde plek is voor Larsson, wiens voornaam met
een C begint. En ook vandaag benadrukte Jackson het nut van een klassieke
scholing. Wij hadden hem al ingewijd in de mores in Groningen, waar de
klassieke academie is opgericht omdat op Academie Minerva vooral het
concept-denken wordt onderricht en aankomende kunstenaars geen ambacht meer
leren. De gastconservator vond: je moest eerst de ‘grammar’ kennen en daarna
kon je er mee doen wat je wou. Hij wees op een vijfluik van Liljefors met een
Rien Poortvliet-achtige thematiek. Een vogeltje, een kat en een kat die een vogeltje
dood wil maken. Met geen mogelijkheid een spectaculair onderwerp te noemen, maar
enorm populair, dankzij de sheer quality.
Sheer quality zou een te enthousiaste kwalificatie te zijn
voor het voedsel in het restaurant, maar het gehaktbrood met aardappelpuree en
zure besjes was wel typisch Zweeds en op zijn Gronings gezegd ‘goed binnen te
houden’. De twee vrij uurtjes daarna waren een vreemde gewaarwording na de hektiek
van gisteren toen we met tassen met dikke boeken (sommige collega’s hadden zelf
ook nog dikke boeken gekocht) van hot
naar her liepen. Toen Jackson vroeg wat ik ging doen, antwoordde ik: ‘I am
going to walk around in mijn dooie akkertje’. Het voortdurend omschakelen van Nederlands
naar Engels en van Engels naar Nederlands is soms verwarrend. Het komt
regelmatig voor dat we als Nederlanders in het Engels tegen elkaar staan te
wauwelen.
Ik liep wat door het museum. Dat gaf een beetje
vakantiegevoel, want dan deed je dat soort dingen. Daarna zat ik een uurtje op een
bankje naar het water te kijken, want daar is in het dagelijks leven helemaal
geen tijd voor. Ik had er best langer willen zitten, maar we moesten naar
de Nederlandse ambassade, alwaar Filip (Flip) de Heer net twee weken
geïnstalleerd was. Wij waren zijn eerste groep en het ontvangst was
allerhartelijkst. Collega P. spotte een Willem Hussem bij de entree en dat
bleek het lievelingswerk van de ambassadeur. We mochten overal rondkijken, ook
in zijn privévertrekken en het gesprek kwam op onze eigen kunstminnende
koningin. Wij hoorden dat haar paleis volhing met eigentijdse kunst en wat hij
verder vertelde was staatsgeheim. Omdat ik daaraan niet gehouden ben kon ik
meedelen dat Beatrix van bitterballen houdt. Dat had ze een keer gegeten in het
restaurant van de Fraeylemaborg in Slochteren. De waard, die ik goed ken, was
van plan om zijn beste beentje voor te zetten bij de Koninklijke lunch, maar
dat hoefde niet: Bea wilde bitterballen. Het boekje van de ambassade liet ik
aan me voorbijgaan: ‘Mén, we are already stikking in de boeken’.
Hannah bekende dat ze ons een grappige groep vond: eenderde
Indiana Jones, eenderde Dogma en eenderde Jacques Tati. Zo ging dat dus: wij
denken dat we ons perfect normaal gedragen en zij denkt: het circus is in de
stad.
Dat kwam onder meer door onze uitspraak van Wi-Fi, het
toverwoord van deze persreis. In om het even welk gebouw, instelling, station,
kroeg; de eerste vraag is steevast: ‘Heb jij Wi-Fi?’ Zij dacht aan een running
gag, aangezien alleen senioren in Denemarken Wi-Fi uitspreken als Wie-Fie. Je
moet zeggen: Wai-Fai. Zoals Hi-Fi. Bij het uitzwaaien gaf de ambassadeur nog
een leestip aan ondergetekende: Paul de Wispelaere en de anderen moesten er op
toezien dat ik dat ook echt ging lezen. ’s Avonds bleek dat een biertje hier
inderdaad duur is, omgerekend zo’n acht euro en daarna concentreerden we ons op
de verkiezingen, want dankzij Wai-Fai is de verkiezingsuitslag ook hier
trending topic.
Dag 4
Zoals wij Bea hebben, zo hadden de Zweden Prins Eugéne. Lid van de koninklijke familie en kunstminnend. Over de kwaliteiten van onze vorstin als beeldhouwer heb ik geen mening, maar Eugéne kon echt goed schilderen. Daarnaast verzamelde hij en steunde kunstenaars. Om al die activiteiten op een plek te brengen wilde hij een buiten en als je geld hebt laat je dat bouwen. Het landgoed Waldemarsudde, gelegen op een van de eilandjes die Stockholm rijk is, begon in 1900 en was vijf jaar later klaar. Het is tegenwoordig een museum en er komen jaarlijks 200.000 bezoekers. Evenveel als het Groninger Museum gemiddeld boekt. Waldemarsudde leek mij een mooie plek om te werken, maar volgens collega P. zou ik hier niet gelukkig worden: ‘Nee man. Je zou je hier te pletter vervelen.’
Misschien, maar ik woon met plezier in Slochteren, ook niet
bepaald het centrum van de wereld. Eugéne hing zijn residentie vol kunst en
nodigde de intelligentsia uit voor diners
en intellectual meetings. De
schoonheid van ex- en interieur, omgeven door een tuin met de afmetingen van
het Wiener Wald, was dermate dat de prins zichzelf af en toe bij de kladden
moest grijpen om decent werk te
maken. Anders bleef het bij sitting and
staring as an idiot.
Tijdens de wandeling van hotel naar tramstation dacht ik:
met de sfeer in de groep zit het wel goed. Het woord ‘reünie’ viel al. Aan de
oevers bij Waldemarsudde dacht ik echter: dit zit helemaal niet goed. Collega
R. van Villa d’Arte en collega J. van Trouw hadden het over de vogels bij het
water. Merkwaardig, dacht ik, de een weet alles over klassieke muziek en opera
in het bijzonder, de ander promoveert binnenkort op een mij onbekende Franse
fotograaf en leest ’s ochtends in de lobby de Herald Tribune, maar of die
beesten, op nog geen vijf meter afstand, zwanen of ganzen zijn, daar kunnen ze
het niet over eens worden.
De directie van Waldemarsudde is genereus in de uitlenerij
voor Nordic Art. Uit de collectie van meer dan zevenduizend stukken worden
bijvoorbeeld twee werken van Carl Larsson uitgeleend, alsmede Gaslisa van Ernst
Josephson. Collega P. van RTV Noord had meegekregen dat de kunstenaar had
gezegd: ‘Of ik word de Rembrandt van Zweden of ik sterf.’ Zoiets moet je nooit
roepen en het is hem ook niet goed gegaan. Van Eugéne zelf komt een topstuk
naar Groningen: Det gamla slottet.
Oftewel: het oude huis. Een schilderij dat de eenzaamheid verbeeldt. Het is een
van zijn twee bekendste schilderijen en ook op Waldemarsudde doen ze niet
moeilijk over het uitlenen van iconen.
Daarna was er koffie, met iets erbij, zoetigheid en gebak. Ik
ben meer van de hartigheid, maar omdat je nooit weet wanneer je weer te eten
krijgt nam ik twee dingen. Daarna hadden we weer een uurtje vrij voor een
wandeling in de tuin, langs een van de 44 denkers die Rodin heeft gemaakt en
langs de bloementuinen waar de bloemen werden gekweekt voor de bloemenkamer en
dat waren weer de bloemen die Eugéne in zijn tijd mooi vond. Ik weet niet wat
voor bloemen. Je kunt niet overal verstand van hebben en ik weet niks van
bloemen.
Tijdens de wandeling naar de rozentuin voor de lunch
passeerden we een juffrouw van de gemeentewerken met een handmaaier. Die stopte
toen we langsliepen. Logisch, dacht ik, het gras wordt met gloeiend geweld in
het rond gezwiept en het zou best kunnen dat er net iemand zijn hond heeft uitgelaten.
Het park was groot en de bewegwijzering in het Zweeds, dus bleef voor de lunch
slechts tien minuten over. Om twee uur werden we immers in het Strindburgmuseum
verwacht en Denen mogen dan zelf graag te laten komen, als anderen het doen, is
dat een belediging. De schade bleef beperkt tot tien minuten, toen stonden we
bezweet in het Strindberg Museum.
De voormalige woning van een van Zwedens beroemdste zonen is
helemaal gewijd aan August Strindberg. Er was een overzichtsexpositie, want het
is precies honderd jaar geleden dat hij overleed. Strindberg is iemand die
nauwelijks introductie behoeft: toneelschrijver, schilder, fotograaf,
schrijver, vrouwenhater, gek, socialist, revolutionist, essayist en
internationalist. En o ja, hij heeft geprobeerd goud te maken en was drie keer
getrouwd: twee keer met een actrice en een keer met een journaliste. Een
gedurfde score voor een ‘vrouwenhater’. Strindberg heeft over tal van kwesties
‘scherpe dingen’ gezegd, maar vanuit het museum werd dat niet ontkend of goedgepraat.
Gids Erik: ‘We zijn geen Strindberg-fanclub.’
Ondanks dat zijn opvattingen tot op de dag van vandaag
verdeeldheid veroorzaken, waren er vijftienduizend mensen die hem toezwaaiden
op zijn vijftigste verjaardag en bij zijn begrafenis, hij overleed op 63-jarige
leeftijd, stonden er vijftigduizend man langs de weg, in 1912 eenvijfde van de
totale bevolking van Stockholm.
Op een persreis als dit ontmoet je als Groninger, wonend aan
het einde van de wereld en verstoken van alle trends, eindelijk mensen die wel
weten hoe het moet. Zoals met twee duimen typen op je iPhone in plaats van een.
Zoals ik het deed, meenden enkele collega’s, leek dat een beetje vreemd. Ik
deed mijn best, maar keek wat raar op toen er ‘Beetjoven’ stond en ‘…ze was
tien toen hij dood gong’. Het driekamerappartement van Strindberg was overigens
modern voor die tijd. Er zat van alles in: cv, lift en wc. Alleen een ding
miste. Wi-Fi dacht ik, maar het bleek een keuken.
Waarna een snelle blik volgde op een beeld van Strindberg
vijftig meter verderop in een park. Beautiful, zei ik. Onvervalste
homo-erotiek, zei collega R. Ik heb ze mooier gezien, zei collega P.. Waarna
alweer de bus wachtte naar de veerboot, voor de oversteek van Stockholm naar
Helsinki. Een geheel nieuwe ervaring. Die dingen had ik tot vandaag alleen
gezien in series als Love Boat en ARD-documentaires over het Nord-Ostsee-Kanal.
Twaalf verdiepingen, een winkelpromenade, een casino, meerdere bars uiteraard,
liften, alles zat er op en eraan. Ik liep er rond als Sjakie in de Chocoladefabriek.
Ook al hebben we veel moois gezien en is het nog afwachten wat morgen het
nationaal museum Ateneum en het huis van Akseli Gallen-Kallela brengt (de tijd
om een blog te schrijven ontbreekt dan), de twee uurtjes op het zonnedek,
onderwijl de boot bij ondergaande zon door het eilandrijke kustgebied voer,
vormden het hoogtepunt van de reis.
Epiloog
We schrijven het jaar 2022. Het cultuurlandschap in
Nederland is voorgoed veranderd. De mores worden bepaald door een select
groepje mensen; figuren die de een na de andere internationale prijs in de
wacht slepen met hun werk en die dicteren wat wel of niet kan. Zelfs in het
Calvinistische Holland worden ze Godenmensen genoemd.
Zoals scenarioschrijfster Maaike S., voorheen kunstredacteur van De Telegraaf. Ze
verzette de bakens in Nederland Toneelland met de vijfakter ‘Wachten op Wi-Fi’,
een fenomenaal geschreven abstract-minimalistische play over een groep mensen
die ergens op een trap van een museum zit te wachten. Het is niet duidelijk waarop
ze wachten, maar de dialogen gelden inmiddels als een standaard in de
internationale toneelwereld. Er is Staffhorst vaak gevraagd of de groep
misschien wacht op God. Haar antwoord is dan steevast: ‘Nee, dan had ik het wel
Wachten op God genoemd.
Een van de beroemdste aanslagen uit de wereldgeschiedenis
bleek uiteindelijk toch op een misverstand te berusten. Lee Harvey Oswald was
aan het jagen in Dallas, spotte een fazant op het gras en juist op het moment
dat hij vuurde, reed plotseling de wagen met Kennedy voorbij.
Roy Z. won
drie Oscars voor zijn trilogie De Reis, De Nacht, De Verdwijning. Een
beklemmende reeks, die wereldwijd in de bioscopen 1 miljard dollar opbracht.
Een verhaal over een filmmaker die tijdens een bootreis verdwijnt. Op de ochtend van aankomst
ligt in zijn cabine alleen een pakje shag, een portemonnee en onder het
opklapbed een paar flesjes vodka. De man wordt nooit teruggevonden. Op de vraag
naar het autobiografische element in de drieluik verzucht Zwier doorgaans: ‘Hoe
kan een film over een verdwijning nu autobiografisch zijn?’
Rene S.,
autoriteit op eenzame hoogte op het gebied van klassieke muziek en opera, voltooide na tien jaar de Unvollendete van
Beethoven. Daar ging een uitputtende speurtocht door alle archieven van
Duitsland en Oostenrijk aan vooraf. Het werk, dat inmiddels in elk land is
uitgevoerd, heet sindsdien ook geen Unvollendete meer, maar ‘Witte zwanen,
zwarte ganzen’. Naar later bleek bepaalde hij ook de mode in de straten van Denemarken,
Zweden en Finland, waar op zeker moment in 2012 mannen hun hoedje omgekeerd
gingen dragen.
Anne Carlijn K.
wordt de Oriana Fallaci van Nederland genoemd. Een keiharde journaliste. Ze
doorbrak de hegemonie
van persvoorlichters door de spindoctor van Mark
Rutte (die halverwege het kabinet Rutte 6 was) af te kappen met: ‘IK stel hier
de vragen’. Sindsdien is de
verhouding van een journalist op vijf voorlichters verleden
tijd. Het vaderlandse journaille kan dankzij Kok weer normaal haar werk doen.
De in Groningen opgeleide vrouw had al indruk gemaakt door cum laude haar
studie Nederlandse Letterkunde af te ronden met een proefschrift over het woord
‘Hertje’.
Wat deze mensen kenmerkt is dat als gevraagd wordt naar een
beslissend moment in hun leven, zij alle verwijzen naar een persreis naar
Kopenhagen, Stockholm en Helsinki, die ergens in 2012 plaatsvond. Daar deden
zij de kennis en ervaring op die hun aan de top op hun vakgebied bracht.
De trip kende overigens nog een deelnemer, Herman
S. , verslaggever van een bokkeblaadje. Bij terugkomst kreeg hij meteen op zijn
donder van zijn chef die hem toeblafte dat de lezers niet zaten te wachten op
een journalist die lyrisch is over een bootreisje: ‘Kom eens een keer met een
goed verhaal man.’ Hij raakte zijn baan
kwijt en in een poging de gebeurtenissen tijdens de reis te duiden ook zijn
verstand. De man raakte aan de drank en drugs en schijnt ergens in het
Noorderplantsoen te wonen. Op zonnige dagen kan men hem daar op een bankje zien
zitten. Het enige verstaanbare geluid dat hij nog voortbrengt is ‘Ik heb Wi-Fi,
ik heb Wi-Fi…’
dinsdag 8 december 2015
Ja nou ja drukdrukdruk nee ik zit net ja
weekooknie soms is dat zo had niet zo door begon rustig nou ja wat is rustig tegenwoordig
niet want ook dat liep al direct tegen en die kwam niet en die weer wel en die
had dit en die had dat en in middag opeens hierheen en daarheen en weer hierheen
kreeg dat ook laat door ja zoals dat altijd gaat en o ja moest die nog halen en
toen die en die en toen die daar weer heen en toen stukje tikken bellen en nee
eten koken geen tijd voor volgende keer beter en weer in auto weer weg en regende
ook nog zul je altijd zien wat is het ook kutweer hier en ik wil sneeuw een
dikke pak liefst paar dagen voor kerst en toen weer terug en eindelijk achter
bureau want af en toe moeje ook werken niewaar en mailen en klopt dit klopt dat
en ja ik zit net nu en dan ist nog niet rustig want moet dit weer ja precies
dit stukje en nou ja zo heb je al wat en mensen zeggen ook altijd wat hest al
drok en denk om diezulf en klopt ook wel maar ja wie heeft t niet druk tegenwoordig
we rennen ook wat af met mekaar en merk nu ook dat k wat op hobbel raak en dat
moet niet want ik voel ook direct als ik het zo druk heb spannings in t hoofd
al kan t ook komen van te weinig drinken van water dan want overdag geen
alcohol dat zou wat wezen en k voel af en toe ook klem op de borst maar goed we
lopen niet meteen bij dokter nee zie me al zitten bij die man of nee die vrouw die
heeft vast ook meer te doen dus gaat wel weer over is meestal zo en straks gewoon
lekker slapen beetje vroeg naar bed nog even lezen en nou ja misschien toch nog
even blacklist zien mooie serie die kerel lijkt op favoriete schrijver en ik
wil wel eens weten hoe t zit met die vent van dai poedie en we zitten der helemaal
in en ja ik rond toch maar af nu anders wordt t weer zo laat vandaag en ga nou
eerst happie eten want had nog snert opstaan en morgen ja morgen wordt nog drokker
drukker dus.
dinsdag 1 december 2015
Het regende. Niet een beetje, stevig. In een vlaag van helderheid
had ik een paraplu uit de auto gepakt, maar het damesmodel met tijgermotief
bood nauwelijks bescherming. Ik voelde mijn broek langzaam nat worden. In de
vallende schemer, kijkend naar de lange rij van aula richting geopend graf,
waande ik me in een film.
De collega’s dachten dat ik een nieuwe hobby had, toen ik gisteren
om twee uur zei dat ik wegging, maar van mij hoeft het geen gewoonte worden, elke
twee weken een uitvaart. Het ging dit keer om J. een broer van twee vrienden
van mij: M. en G.. Die twee zijn dus ook broers, ja.
Het was bepaald niet de eerste keer dat ik daar was, op die
begraafplaats. Het is de stad waar mijn moeder vandaan komt en waar ik
gelukkige jaren beleefde, voor het eerst op mezelf. De ouders van mijn moeder liggen
er, een broer van haar, een zus en ook de vader van een vriend. In de rij,
wachtend voor de laatste groet, keek ik sluiks opzij, naar waar ik vermoedde dat
mijn opa en oma lagen. Ze zijn er meer dan dertig jaar geleden begraven. Er is
sindsdien veel veranderd. Ik durfde niet aan mijn ouders te appen waar ik moest
zoeken.
Toen ik na de laatste groet met F. terug naar de aula liep
zei hij dat hij nog even bij zijn broer had gekeken. Ook alweer lang geleden.
Herinneringen kwamen boven en het besef dat we een verleden deelden. Dat we dus
voor altijd bij elkaar hoorden.
In de rij voor het condoleren ging ik, alvorens bij
M. aan te komen, andere familieleden langs. Andere broers, die ik ook kende, en
aangetrouwden. Een van hen vroeg wie ik was: ‘Ik ben de ex-vriend van M.’,
grapte ik, wetende dat M. me kon horen. Hij schoot in de lach.
Ik ben daar goed in, verkeerde grappen op foute momenten
maken. De vrouw van M. ging er even in mee en zei tegen haar dochter: ,,Ja,
kind, we hebben één keer een uitnodiging van die mensen gehad en daarna nooit
meer.’’
,,Maar we zijn wél Facebook-vrienden,’’, probeerde ik het
meisje gerust te stellen.
Achter mij hoorde ik die ene mevrouw tegen anderen zeggen:
,,Dat is een ex-vriend van M.’’
Eenmaal aangekomen bij M. omhelsden we elkaar. We hadden
elkaar lang niet gezien, maar ook hij zou altijd een vriend blijven. Of we
wilden of niet.
Zijn broer J. was overleden, na jaren van vechten tegen die
slopende ziekte. Die er ineens was, weer ging en, zoals zo vaak, weer
terugkwam. Het verhaal van zijn leven werd verteld door G., de andere vriend
van mij. Dat deed hij mooi en ik vroeg me af of ik dat zou kunnen, zo rustig
vertellen over een dierbare die naast je in een kist lag.
Een blik op zijn vrouw, die haar man kwijt was en zijn
zoontje, die zijn vader nooit meer zou kunnen vasthouden, gaf het antwoord.
Ik condoleerde tot slot ook G. en, in gezelschap van andere vrienden,
vroegen we hem of hij het slotgedicht zelf had geschreven. Dat klopte. Dat
dachten wij al, grapten wij. Mooi, maar stijlvast was anders. Postmodernistische
passages afwisselen met romantische strofen en eindigend in visuele abstractie.
Wij zijn daar allemaal goed in, verkeerde grappen op foute
momenten maken. Maar hij grijnsde, blij met een kort moment van ontspanning.
Humor is ook een vorm van omdenken, van liefde.
Ik kende J. niet alleen als broer van M. en G., ook als
tegenstander. In mijn hoogtijjaren als voetballer kwamen we elkaar regelmatig
tegen. Ik aanvaller, hij keeper. Ik heb volgens mij nooit tegen hem gescoord. Een
keer, een keer was ik er heel dichtbij, lang geleden op dat fraaie oude
voetbalpark in de rozenstad. Ik kopte de bal richting bovenhoek en wachtte op
het moment dat ik juichend weg zou kunnen rennen. Het moment kwam niet, omdat
J. er met een uiterste krachtinspanning nog een vingertop achter kreeg. Dat heb
ik vaak moeten aanhoren: ,,Ik kon der nog net bie.’’
dinsdag 24 november 2015
,,Ik heb niks vandaag.’’
(…)
,,Nee.’’
(…)
,,Wat?’’
(…)
,,Nou ja… gewoon…’’
(…)
,,Heeft er niks mee te maken.’’
(…)
,,Vind ik niet. Dat is, eh…, hoe zal ik het zeggen…’’
(…)
,,Kan ik je niet uitleggen.’’
(…)
,,Neehee.’’
(…)
,,Hou maar op. Niet van belang. Is gewoon iets van
mezelf. Gaat over niks. Eigenlijk.’’
maandag 23 november 2015
Mijn schoonvader drinkt elke avond een biertje voor het
eten. Na het afruimen gaat de televisie aan. Onder het kijken van nieuws en
actualiteiten drinkt hij een paar glazen water. Om half elf is het mooi geweest.
Dan wordt overgeschakeld op een van de vijftig Duitse muziekzenders. Er komt
een borreltje op tafel en een bakje zoute pinda’s, soms een schaaltje leverworst.
Tegen half twaalf gaat de radio uit, net als het licht in de woonkamer en zit
hij in het donker nog een tijdje naar buiten te kijken.
woensdag 11 november 2015
De bel. Klasgenootje D., gebracht door moeder E. Tot onze
verbazing staat er nog een jongetje bij. T.. Van dezelfde klas. Wil ook mee.
Daar hebben we geen moeite mee. In plaats van dat de mannen de hort op gaan,
willen ze eerst naar de buren van A., geen klasgenootje. Daar krijgen ze party
poppers, zegt. D. Die wonen echter aan de overkant van de Hoofdweg. Dus breng
ik ze daar heen, omdat mijn zoon van ons nog niet zelf de grote weg over mag.
Ik zeg de jongens dat ze in de auto moeten gaan zitten en
dan halen we N. op. Daar aangekomen blijkt er nog iemand mee te gaan. Een
meisje, I. Ondanks dat ik best een grote wagen heb gaat vijf kinderen niet
lukken. De moeder van N., L., zegt dat ze ook wel even mee gaat met de auto. Wij
rijden de zeshonderd meter naar de Hoofdweg, parkeren bij de bibliotheek en
zetten ze de weg over.
Ik wacht bij mijn auto, L. aan de overkant. Het vijftal doet
niet alleen de buren van A. aan, maar pakt de rest van de straat eveneens mee. Dus
staan moeder L. en ik elkaar een minuut of wat aan te kijken, elk aan een kant
van de weg. Na gedane zaken, geen party poppers, wel iets anders leuks, helpen
we ze weer de straat over. ,,Volgend jaar krijg je daar popcorn’’, zegt D. ,,Elk
een stukje?’’, vraag ik. ,,Nee, elk een zak.’’
We verdelen de vijf weer over de twee auto’s, rijden de
zeshonderd meter terug naar het huis van N. en moeder L. en na een minuut of
vijf instructies over uitkijken met oversteken en bij elkaar blijven en geen
gekke dingen doen, mogen ze alleen de buurt in.
Omdat mijn vrouw en andere zoon op visite gaan bij jarige
schoonzus heb ik het rijk even alleen. Ik rij naar de supermarkt, voor koffiefilters,
bouillonblokjes en Maggi en zie bij de ingang een lange tafel met groene
zakjes. ,,Allemaal voor Sint Maarten’’, vraag ik. ,,Ja’’, zegt het kassameisje,
,,we zijn op alles voorbereid.’’
Ik rij door naar de Chinees. Die is dicht. Ik rij terug naar
het centrum, nou ja, centrum…, naar de snackbar, bestel een
houthakkersschnitzelmenu, praat even kort met een dorpsgenoot over het boek van
schrijver A., dat zich tientallen jaren geleden afspeelde in een streekje nabij
ons dorp, neem de tas met het eten in ontvangst en rij weer naar huis. Ik zet
me aan de keukentafel, werk het naar binnen, onderwijl ik een novelle van een
andere regionale schrijver, N., herlees en maak het me daarna comfortabel op de
bank.
Ik sms D., omdat ik net op de radio het bericht hoor dat de
lampionstokjes van A. te warm kunnen worden zodat de handvaten kunnen smelten. Lekker
is dat, zo’n bericht, net op het moment dat miljoen kinderen op stap gaan.
Als ik op de bank zit, merk ik ineens dat het stil is. Dat
komt niet alleen omdat ik alleen ben, of omdat er geen tv aan staat en geen
playstation, iPad, of laptop, het komt vooral omdat er geen kat meer is die
vlakbij mij gaat liggen. Op de bank, op de ruglening, in de stoel vlakbij, of op
de televisietafel. Het is de derde dag dat hij dood is. En door zijn dood is er
iets veranderd in dit huis. Ik weet niet of ik daar aan ga wennen.
De bel gaat. Twee kindertjes die ik niet ken zingen een versje
dat ik nog nooit gehoord heb. Ze mogen van mij ieder twee dingen uit de schaal
met snoep pakken. Ik bedank ze voor het lied en sluit de deur. De bel gaat even
later weer. Mijn zoon met D. en T. Alweer zonder N. en I. dus. Waar die gebleven
zijn wordt niet helemaal duidelijk. Maar de drie zijn nog niet klaar, zegt mijn
zoon, en of ik ze even naar het huis van T. wil brengen. Dat is een
oud-klasgenoot van mijn oudste zoon H. ,,Dat is aan de andere kant van het dorp’’,
zeg ik, ,,waarom willen jullie daarheen?’’
,,Daar krijgen we broodjes knakworst.’’
donderdag 5 november 2015
Ik jaag over het Slochterdiep, het is half elf, ik wil naar
huis, naar eindelijk op de bank na weer een avond weg en ik zet het gas erop,
wetend dat ik na de N46, Ringweg-Oost, Damsterdiep en Borgweg alleen nog het
Slochterdiep over moet en het is een mooie weg nu, met nieuwe asfalt, nog wel
wat bobbelig, maar mooi breed en ik doe het groot licht aan omdat ik dan harder
kan rijden en dat doe ik, al is het uitkijken, want het is hartstikke donker,
echt goede straatverlichting is er nog niet en ik weet ook niet hoe dat komt en
zelfs bij de nieuwe chicanes hou ik niet in, want ik ben er wel een beetje
klaar mee deze week, elke avond op pad en morgen wacht weer een nieuwe werkdag
en ik zie de brug bij Lageland al en ik schrik want ik verbeeld me dat ik
kikkertjes op de weg zie springen of nee, het zijn blaadjes die over het asfalt
waaien, maar nee, echt, het zijn toch kikkertjes en echt, ik moet uitkijken,
want ik wil ze niet doodrijden dat zou zielig zijn en oeps dat was er een, of
toch niet, want ik voel geen bonkje, wat wel zou moeten als ik er een overrijd,
want het zijn kleine kikkers en een keer weet ik zeker dat ik met mijn
linkervoorwiel er een bijna raak dus die zal wel wat jeuk op zijn neusje hebben
en zie je, het zijn echt kikkers en nu zit er een midden onder mijn auto als ik
er met tachtig kilometer per uur overheen ga en ik zou langzamer kunnen rijden maar
dat doe ik niet want ik heb ook pijn in mijn linkerschouder en ik weet zeker
dat het met vermoeidheid te maken heeft en even voor een pittige S-bocht moet
het groot licht uit vanwege een tegenligger, waarbij ik wel wat gas terugneem
omdat ik de breedte van het asfalt minder goed kan inschatten, maar als de
tegenligger voorbij is heb ik met een klik van de richtingaanwijzer weer
volledig zicht en ik weet dat ik moet oppassen omdat de weg hartstikke modderig
is, nog van de wegwerkzaamheden en ook van de boeren die op het land bezig
zijn, hé, zie je wel, links zie ik lichten op het land en er komt nu een mooi
recht stuk tot Denemarken, maar ook daar is het weer oppassen geblazen, vanwege
nieuwe kikkers en ik denk, kikkertjes, kikkertjes, jullie moeten allang slapen
en ik verbeeld me dat ik nu en dan een hoopje witte brokjes op het wegdek zie
liggen en ik denk: zijn dat doodgereden kikkers en ik wil snel thuis zijn, maar
ik minder toch vaart, want van de gedachte dat ik een moordenaar op vier wielen
ben word ik ook niet vrolijk en ik neem nog meer gas terug zodat als ik weer zo’n
vrolijk springende vriend zie ik meer kans heb om hem te ontwijken en hé, was
dat een fietser op het fietspad naast de weg, zo laat nog bij pad en ik zie in
het schijnsel van mijn koplampen een vogel wegvliegen, moet een reiger zijn en
wat gebeurt er toch nog veel zo laat op de avond en ik leg het laatste stukje
af tot de witte brug die de entree van mijn dorp markeert en ik minder vaart,
ik laat me als het ware uitvieren tot ik nog geen twintig per uur rijd en ik
doe het knipperlicht uit en ik rij onze oprit op en ik ben blij want ik heb
geen enkele bonkje gevoeld.
dinsdag 3 november 2015
Het cadeautje ligt al op de achterbank. Een verrassing. Open
maken mag nog niet, pas als we er zijn, maar even later is het van ‘ah, doe
toch, kan wel’. Mijn ouders zitten voorin, mijn zusje naast me. Ze brengen we weg. Naar
het ziekenhuis.
Ik scheur het papier er af en zie een auto. Weer een auto.
Ik ben gek op auto’s en ik krijg altijd auto’s. Op verjaardagen, Sinterklaas,
onder de kerstboom. Dinky Toy, Matchbox, of Siku. Een gele kraanwagen dit keer.
Van metaal. Een echte dus. Met een rode kraan, uitschuifbare pootjes en een haak. De koplampen zijn
twee stukjes op diamant lijkend glas.
Met een schreeuw word ik wakker. Ik zit ergens diep in de
aarde, onderin een lange donkere put en ben bezig me langzaam omhoog te werken
als ik ineens in het licht sta. Buiten, denk ik, maar de muren zijn
wit. Uit mijn keel komt bloed. Er zijn handen die mij grijpen, tegenhouden. Hij
is te vroeg wakker, hoor ik. Ze waren nog niet klaar. Mijn binnenste gilt, voelt
rauw, hard en huilend word ik op een brancard weggevoerd.
Ik open mijn ogen en weet dat ik alleen ben. Door de spijlen
zie ik een grote ruimte. Meer bedden. Vreemde gezichten. Dit is niet mijn eigen
slaapkamer. Als ik roep komt er iemand aan. Ze is aardig en ik mag ‘je’ zeggen,
maar het is niet mijn moeder. Er vallen tranen op de broek van mijn nieuwe
pyama. De mevrouw aait me over mijn hoofd en ik ga weer liggen. Bij gebrek aan
een knuffel hou ik de kraanwagen tegen me aan.
Een verpleegster houdt een kommetje voor. Vruchtenyoghurt.
Eten mag, maar voorlopig alleen vloeibaar. Het is koel en lekker. Een ijsje mag
ook nog. Is goed voor je keel, zegt ze. Alsof ze me een plezier doet. Het
smaakt, maar blij ben ik niet. Waar zijn pappa en mamma?
Ik schrik weer wakker en schreeuw: ,,Zuster!!!’’ Ze zijn ze
laat. Uit mijn mond gulpt een roze brij. Over de dekens, over mijn nieuwe pyama.
maandag 26 oktober 2015
Ik moet mee de school in. Hij wil me laten zien wat zijn
nieuwe plek in de klas is: ,,Ik zit weer in een ander groepje.’’
Het is kwart over acht en er zijn nog niet heel veel andere
kinderen. Ik kijk om me heen als we het schoolplein op lopen. Herfst. Het licht
buiten is anders. Een donkerder soort lucht. De kou valt mee, maar je voelt dat
de zomer nu echt voorbij is.
In tegenstelling tot het bos tegenover ons huis, waar bijna
alles al rood en geel kleurt, hebben de bomen rond de school nog hun groene
kleur.
Een juf staat met een mok koffie vlakbij de ingang. Een
moeder voor ons houdt de deur open, ‘be-dankt’ en we wandelen door de centrale
ruimte naar zijn klas. Reyer gaat voor, ik volg. Het is er stil, de stoelen en
tafels wachten op de dingen die komen gaan.
,,Mooie plek,’’ zeg ik als we in het lokaal zijn, ,,dicht
bij de juf. Kan ze jou goed in de gaten houden. En jij haar.’’
Hij trekt zijn la open en ik zie een leesboek. Over werken ‘aan
de verkeerde kant’. Zonder te kijken weet ik: een oorlogsboek. Dat klopt. Ik
lees de achterflap: over een jongen die gedwongen wordt voor de Duitsers te
werken. Of Russen. In ieder geval aan het front. Zware kost, maar mijn jongste zoon doet er luchtig over.
Ik kijk naar het raam. Daar hangen werkjes. Bomen,
uitgesneden uit zwart papier, met daarachter geplakt een papier dat rood en
blauw gekleurd is. Geen idee hoe die techniek heet. Passepartout? Zoiets.
,,Hangt er al een van jou bij?’’
,,Ja, die. De slechtste.’’
,,Hoe kom je erbij?,’’ vraag ik, ,,is ja hartstikke mooi. Die
boom heeft sierlijke lijnen. Goed, die ene hoek is wat slordig geplakt, maar zo
slecht ist-ie niet hoor.’’
Hij lacht verlegen.
,,Nou, papa gaat aan het werk, oké?’’
,,Is goed.’’
,,Kus?’’
We kussen en ik neem afscheid met de grap die ik al vijf
jaar lang elke ochtend op het schoolplein maak: ,,Welterusten. Lekker slapen.
Tot morgen.’’
donderdag 1 oktober 2015
Collega R. zegt dat ik mijn haar moet wassen. Dat ik een
colbert aan moet, dat ik er rekening mee moet houden dat ik acht kilo dikker
lijk, dat ik niet aan mijn borsthaar mag krabben, niet mag drinken onder het
praten, dat ik vragen moet negeren en gewoon mijn eigen verhaal vertellen,
liefst twee anekdotes en dat ik iemand mee moet nemen omdat er na afloop
niemand is die naar je omkijkt.
Ik zit naar haar te kijken zoals een kip naar het onweer.
Mijn vrouw had me eerder verteld dat ik mijn bril moest
afdoen.
Collega K. zei me niet te bescheiden zijn (daar zijn we
weer). Hij zei: jij schrijft gemakkelijk, maar denkt te moeilijk. Zoiets.
In de roos.
Alle adviezen betroffen de uitnodiging van Pauw, om daar vanavond
in de uitzending te vertellen over hoe dat voelt: een aardbeving. Die maakten
wij gisteravond om even over acht mee. Over hoe dat voelde, daarover had ik in de
krant van vandaag een verhaal geschreven. Om kort te zijn: dat voelde niet
fijn.
Angstig. Instinctief voel je gevaar, je beseft: hier zijn krachten aan het werk die we niet beheersen. Onmacht, onwetendheid, onbegrip dat we het laten gebeuren.
De goede bedoelingen ten spijt; om vier uur hoorde ik dat ik
toch niet naar Amsterdam hoefde. De reden was dat onze burgemeester niet kon. Daarom
was het item geschrapt. De redactrice ging er vanuit dat ik dat logisch vond. Nee,
maar ik ging natuurlijk niet zeggen: ik kom toch. Helemaal rouwig was ik er
niet om. Je bent de hele avond kwijt en bent, als je geluk hebt, om half drie ’s
nachts weer thuis. Daarbij zou ik de commissie ABZ in Bedum missen en dat zat
me ook niet lekker.
De redactrice vroeg of ze een volgende keer weer mocht
bellen. Ze hoopte dat het niet zou hoeven, maar die hoop heb ik niet; zo lang ik leef zullen er in Groningen aardbevingen zijn.
De aardbeving van gisteravond, 3.1 op de schaal van Richter,
epicentrum Hellum, hakte er blijkbaar zo in bij mij dat ik er vannacht over
droomde. Een nachtmerrie. Ik werd om kwart over vier 's nachts wakker, helemaal in de war. Wat ik wel dacht was: ik moet die droom, die nachtmerrie opschrijven.
Aardbevingsdroom
Siddering, beweging ineens, chaos, de kamer is overhoop, er is iets gebeurd, wat is er
gebeurd, een beving, in ons huis, ja in ons huis, kijk ons huis, de muren
bewegen, kijk de vloer dan, de vloer is kapot, tegels schuiven over elkaar
heen, het voelt zo, het voelt raar, zie de vloer ook bewegen, komt dreigend
omhoog, alles vloeit en kronkelt en ik weet wegwezen en ik kijk om me heen en zoek,
wat zoek ik, ik kijk om me heen, ren door muren, door kamers, ja, dit moeten, hé
dit zijn de kinderkamers, waar zijn mijn zoons, ik zie ze niet, ik wil weten
waar mijn vrouw is, buiten moet ik zijn, daar is het veilig, daar loop ik heen,
al ga ik door een andere voordeur dan de mijne, ik zie niet goed meer, alles is
vaag en ik sta plotseling op een berg, ergens buiten, zou Indonesië kunnen zijn
en de tegels van de kamer zijn aardplaten geworden, platen in kleurboekkleuren,
die schuiven over elkaar heen, met donderend natuurgeweld, dit is echt, dit is
niet best en we moeten vluchten, ik wankel, zoek evenwicht, maar de aarde
wankelt en ineens zijn daar mijn kinderen, mijn vrouw, we houden handen vast,
ik wil dat we handen vasthouden, in een kring zoals bij zakdoekje leggen en we
moeten elkaar niet meer loslaten, wat er ook gebeurt, bij elkaar blijven, ja zegt
mijn vrouw we blijven bij elkaar, maar waar gaan we heen, daarheen, waarheen,
niemand zegt iets en we lopen een richting uit die ik niet ken en ik zie een
vliegtuig op een plek die lijkt op de camping in Luxemburg waar we meestal overnachten
op weg naar Frankrijk en ik besef, dat zie ik niet, dat er bekenden mee zijn,
mensen uit het dorp, buren, vrienden, wie zal het zeggen, ik voel ze alleen en dat
we met zijn allen moeten vluchten, het is de enige optie en ik voel in mijn
zakken en jas die ik niet aan heb en nee, we hebben geen paspoort meer, nee,
niemand heeft een paspoort, geld, spullen, alles is kwijt, alles wat in ons
huis was is verloren, maar daar is begrip voor begrijp ik, hoor ik en veel tijd
om er over na te denken is er ook niet, belangrijkste is weg te komen, weg van
hier, weg van deze plek, we zullen nooit meer terugkeren, nooit meer omkijken
en er staan twee, drie roltrappen richting vliegtuig, dat zowaar stewardessen
heeft, een ervan heet ons welkom en probeert ons gerust te stellen, er hangen
vlaggetjes om het vliegtuig heen, alsof het feest is, ik voel in mijn kontzak
en het vliegtuig staat onder een luifel en ook tegen een aarden wal met gras
begroeid, zonder de trap te gebruiken zijn we in het vliegtuig, vol, helemaal
vol, er is geen plek, nergens en we willen bij elkaar zitten en als ik om me
heen kijk zijn mijn vrouw en kinderen weer weg en hoe ik ook om me heen kijk ik
zie ze niet en ik weet dat verder zoeken geen zin heeft, dat ik ze nooit meer
zal zien, dat ze weg zijn, maar ik weet ook dat mijn vrouw voor ze zal zorgen
en dat stelt een beetje gerust en ik ben alleen, ik zit alleen in een ander
vliegtuig, dat geen beplating meer heeft, alleen het ijzeren geraamte en we
taxiën over een snelweg, proberen vaart te maken om weg te komen en ik zie, ik
zie lantaarnpalen langs de weg en ik denk wat gek, want de vleugels van het
vliegtuig zouden die palen moeten raken en daardoor kapotgaan, maar dat is niet
zo en als ik voor me kijk zie ik dat we over auto’s heenrijden, over mensen die
over de weg liggen, maar terwijl we over die mensen heen rijden, ik kan niet
zien of ze al dood zijn, voel ik geen gebonk zoals dat zou moeten en we rijden
door, we taxiën door en rijden over nog meer auto’s en mensen en we rijden en
rijden en ik voel dat ik bijna in veiligheid ben, maar het vliegtuig stijgt
niet op, we rijden alleen maar door, steeds harder.
maandag 21 september 2015
dinsdag 8 september 2015
Het verkeerde bed
Ik lig op de buik van mijn vader. Het is mijn eerste
herinnering. ,,Dat vond je fijn toen je klein was,’’ zegt mijn moeder, ,,Op
zondagochtend kroop je altijd bij ons in bed.’’ Ik geloof haar. Het is wat mij
bij staat.
Ik zal niet veel ouder dan vijf zijn geweest. Hoe lang doe
je dat als kind, op de buik van je vader liggen?
De inrichting van de slaapkamer is een vaag beeld, maar oogt
vertrouwd. Crèmekleurig, ‘even van ‘t wit af’, met donker nephout op de laden
en deuren van de nachtkastjes en een groene sprei met een psychedelisch motief.
Modern in die tijd, eind jaren zestig. Hoe mijn ouders er uit zagen weet ik
niet meer. Gebruind en jong, zeg ik nu. Ik denk dat te weten, maar misschien
herinner ik me de foto’s van toen. Het geheugen doet ook maar wat.
Zo weet ik zeker dat ik minimaal negen was toen we het
eerste ouderlijk huis aan de rand van het dorp verruilden voor een
woningbouwwijk. Dat zeg ik met stelligheid omdat ik me herinner dat ik met mijn
vader op de dag van de finale van het WK-voetbal in 1974 naar het huis van de
buurman liep, driehonderd meter verderop. Die had kleurentelevisie. En ik ben
van 1965.
,,Nee,’’ zegt mijn vader, ,,Je was acht. Volgens mij.’’
Ik denk weer aan de zondagochtenden. Maar, realiseer ik me
ineens en ik word een beetje koud, ook daar klopt iets niet. Dat crèmekleurige
bed, even van het wit af, stond in de slaapkamer in het tweede huis in de
woningbouwwijk en niet in het eerste huis.
Iets anders
Met de verschijning van de nieuwe columnbundel De eeuwige Veenkoloniaalis het moment gekomen om weer iets anders te doen. Op deze plek dan, op deze blog. Ik schrijf al sinds 1997 stukjes, eerst voor de krant, daarna op mijn eigen plekje op internet en nu, zo werkt het bij mij, denk ik: het is wel ongeveer klaar zo.
Ik ben geen Simon Carmiggelt die veertig jaar lang stukjes schrijft over het thema: komt een man het café binnen. Dat deed-ie erg goed trouwens, maar eens in de zoveel tijd moet ik het idee hebben dat ik me vernieuw.
Dat gebeurde met de columns Enter Sandman in de Veendammer en de Groninger Gezinsbode, die op zeker moment eindigden en waarvan de bundel Trap ze in de pokkel het resultaat is. Waarna ik aan de stukjes begon over Slochteren en het verschil met de stad. Dat leidde tot de bloemlezing De laatste bus naar Slochteren en ik verder ging met de series 'Onder de Watertoren' en 'Voorbij de Watertoren', over- en geïnspireerd op een jeugd in Stadskanaal en nu de beste daarvan (althans, daar ga ik vanuit) verzameld zijn in De eeuwige Veenkoloniaal is het opnieuw tijd om, zoals ik zal zei, iets anders te gaan doen.
Dat is te zeggen: qua vorm. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik er nog niet helemaal uit ben. Ik denk aan een soort dagboek, of weekboek, geïnspireerd op the journals van John Cheever, geschreven met een jaloersmakende openhartigheid, die ik ook bij Karl Ove Knausgard waarneem.
Maar ik denk ook aan korte verhalen. Ik beschouw beide als een verlengde van wat ik nu doe.
Ik denk ook maar dat ik beide ga doen.
Dag- en of weekboek én korte verhalen dus. Ze zullen misschien lijken op columns, maar ze zijn het niet. De hoofdpersoon in de korte verhalen is soms een ik, maar ik ben het niet. Een foto laat ik ook achterwege. De tekst moet het doen. Een stapje verder zullen we maar zeggen. De columns voorbij. Zoiets. Je moet wat.
Ik ben geen Simon Carmiggelt die veertig jaar lang stukjes schrijft over het thema: komt een man het café binnen. Dat deed-ie erg goed trouwens, maar eens in de zoveel tijd moet ik het idee hebben dat ik me vernieuw.
Dat gebeurde met de columns Enter Sandman in de Veendammer en de Groninger Gezinsbode, die op zeker moment eindigden en waarvan de bundel Trap ze in de pokkel het resultaat is. Waarna ik aan de stukjes begon over Slochteren en het verschil met de stad. Dat leidde tot de bloemlezing De laatste bus naar Slochteren en ik verder ging met de series 'Onder de Watertoren' en 'Voorbij de Watertoren', over- en geïnspireerd op een jeugd in Stadskanaal en nu de beste daarvan (althans, daar ga ik vanuit) verzameld zijn in De eeuwige Veenkoloniaal is het opnieuw tijd om, zoals ik zal zei, iets anders te gaan doen.
Dat is te zeggen: qua vorm. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik er nog niet helemaal uit ben. Ik denk aan een soort dagboek, of weekboek, geïnspireerd op the journals van John Cheever, geschreven met een jaloersmakende openhartigheid, die ik ook bij Karl Ove Knausgard waarneem.
Maar ik denk ook aan korte verhalen. Ik beschouw beide als een verlengde van wat ik nu doe.
Ik denk ook maar dat ik beide ga doen.
Dag- en of weekboek én korte verhalen dus. Ze zullen misschien lijken op columns, maar ze zijn het niet. De hoofdpersoon in de korte verhalen is soms een ik, maar ik ben het niet. Een foto laat ik ook achterwege. De tekst moet het doen. Een stapje verder zullen we maar zeggen. De columns voorbij. Zoiets. Je moet wat.
donderdag 13 februari 2014
Nooit Meer Slapen (4) - Mama, mag ik dood?
Ze keek hoe de nachtzuster met een druk op de knop de dosis
verhoogde. Een simpele handeling. Zij had het kunnen doen, ware het niet dat moeders
natuurlijk nergens aan mochten komen.
(Uitgesproken in de nacht van 13 op 14 februari in het VPRO-radioprogramma Nooit Meer Slapen, in de rubriek 'Schrijvers over de Actualiteit'. Aanleiding is de wijziging in de Belgische euthanasiewet die donderdag 13 februari 2014 is bekrachtigd. Die aanpassing geeft ook minderjarigen het recht om
levensbeëindiging te vragen. De grens lag in België bij 18 jaar. In Nederland geldt een ondergrens van 12 jaar. Te beluisteren via deze link, even na het journaal van 01.00 uur)
De extra morfine garandeerde het jongetje een rustige nacht.
De slaap zou zo komen en dat gaf haar de gelegenheid zich te installeren. Ze schoof
de stoel tussen het bed en het raam, waarvan de gordijnen open bleven. Dan kon
ze, met het boek op schoot, af en toe naar buiten kijken.
Zo bracht ze elke week een paar nachten door aan het bed van
haar zieke zoon. Het waren zeldzame momenten van rust in een leven dat bijna 24
uur per dag gedicteerd werd door pijn. Als hij sliep leek het of er niks aan de
hand was.
Dankzij de morfine hoefde het kleine lichaam even niet te
vechten. Dan was er even geen dokter, geen geworstel om voedsel binnen te
krijgen en te houden, geen testen, geen bezoek, geen verdriet,
geen vragen.
In de nacht was ze gewoon een moeder bij het bed van haar
achtjarige zoon. Zoals ze vaak had gedaan na zijn geboorte. Ook toen hield ze
ervan om, na de voeding van drie uur, in het donker te blijven zitten. Gewoon,
omdat het fijn was een kind te hebben.
Ze sloeg het boek open, wilde haar hand tegen hem aan leggen
en keek even opzij. Recht in een paar grote ogen. Hij was klaarwakker. Ze wilde
hem een kusje geven, maar hij hield haar tegen: ‘Mama, mag ik dood?’
woensdag 12 februari 2014
Nooit Meer Slapen (2) - Alledaags ongeluk
Het duurde even voordat hij duidelijk kon maken dat hem niks
mankeerde. Zijn stem trilde, de woorden kwamen moeilijk en de stevige wind
leidde af.
(Uitgesproken in de nacht van 11 op 12 februari in het VPRO-radioprogramma Nooit Meer Slapen, in de rubriek 'Schrijvers over de actualiteit'. Het verhaaltje is geïnspireerd op de eenregelige opmerkingen bij de verkeersinformatie, over een file na een ongeval. Die ochtend stond er een van 6 kilometer op de A10 richting Slotervaart. Te beluisteren via deze link, even na het journaal van 01.00 uur)
‘Nee, ik heb niks. Alleen wat blikschade. Nou ja, beetje
veel blikschade.’
Ze vroeg hoeveel.
Hij keek naar de auto. De linkerkant van de Renault zat in
elkaar, twee lekke banden en grill en spoiler aan de voorkant zaten los.
‘Zat je te bellen of zo?’
Nee, maar hij kon ook niet goed uitleggen wat er wel was
misgegaan. Bij het invoegen was de andere wagen ineens achter hem opgedoken. Gegier
van remmen, een paar doffe klappen en nu stonden ze met vier auto’s in de berm.
Een paar agenten waren bezig de bestuurders te ondervragen, anderen brachten het
verkeer weer op gang. Zes kilometer file. Hij was nu een regel
verkeersinformatie.
‘Maar hoeveel is beetje veel?’
‘Total loss ben ik bang.’
‘Ah nee.’
Haar reactie was begrijpelijk. De auto had net een beurt
gehad en twee nieuwe schokbrekers achter. Daarmee bleef een beetje spaargeld
over. Te weinig voor een andere auto. Ze hadden een probleem.
‘Maar ik ga hangen. Ik moet Henk zeggen dat ik later ben.
Als ik al kom. Dit gaat even duren. Ik zie wel hoe de dag loopt.’
Ze vroeg waar hij stond.
‘Op de A10 richting Slotervaart…’
Hij aarzelde. Het was even stil aan de andere kant van de
lijn en toen vroeg ze: ‘Maar die kant moet je toch helemaal niet uit naar je
werk?’
(Uitgesproken in de nacht van 11 op 12 februari in het VPRO-radioprogramma Nooit Meer Slapen, in de rubriek 'Schrijvers over de actualiteit'. Het verhaaltje is geïnspireerd op de eenregelige opmerkingen bij de verkeersinformatie, over een file na een ongeval. Die ochtend stond er een van 6 kilometer op de A10 richting Slotervaart. Te beluisteren via deze link, even na het journaal van 01.00 uur)
Abonneren op:
Posts (Atom)







