donderdag 26 juni 2014

Campingvoetbal, doe het niet

De trainer geeft zijn speler een schema mee. Voor in de vakantie. De speler heeft daar uiteraard geen zin aan, maar om niet helemaal als een ontplofte gehaktbal op de eerste training te verschijnen kiest hij voor de tussenoplossing: campingvoetbal. Een half uur partijtje in Zuid-Frankrijk staat gelijk aan anderhalf uur duurtraining in Nederland, nietwaar?

Als je coach vraagt of je nog wat hebt kunnen doen, hoef je bovendien niet te liegen. Er is echter een probleem: campingvoetbal is in negen van de tien gevallen zo slecht geregeld dat al in de eerste helft mensen zonder boeh of bah uit het veld lopen en niet meer terugkeren.

Voeteball op de riever

 
Als bij de wc’s in drie talen staat aangeplakt: ‘Ce soir à huit heures match de football à la rivière’, ‘8 o clock football by the river’, ‘8 uren voeteball op de riever’, dan denk je: leuk, maar als je om vijf voor acht arriveert weet je: dit wordt niks. Behalve jou staan er twee Nederlandse jongetjes in Sneijder en Robben-shirts, terwijl verderop drie zwaar behaarde Fransozen in het gras liggen te wachten.

Als je geluk hebt kun je om kwart over acht terug naar de tent, als je pech hebt komt er net op dat moment een groep van twintig man aankakken, onder aanvoering van de Amsterdammer met de grootste bek van de camping.

Arie, een kanjer

 
Die Amsterdammer heet altijd Danny. Als je tegen Danny zegt dat je normaliter in de spits staat, posteert hij jou linksback. Voor de spitspositie heeft ie namelijk Arie: ‘een kanjer’. Arie is de vriend van Danny. Arie is een Amsterdammer met een zo mogelijk nog grotere bek en een pens waar je u tegen zegt, maar volgens Danny ‘heb Arie in het tweede van Ajax’ gespeeld. Lang geleden dan, want Arie’s buik past net niet onder een vaal T-shirt met het opschrift ‘Café De Kroon, Benidorm’ en hij draagt schoenen van het merk Pony, dat erg populair was toen DS ’79 nog bestond.

Arie kan natuurlijk niks, behalve keihard vloeken na een mislukt schot. Na vijf minuten gutst het zweet van zijn hoofd, zodat duidelijk wordt waarom hij voetbalt met een handdoek om zijn nek. Naarmate de wedstrijd vordert gaat ie vaker naar de kant, steeds langer ook, zodat er tijd is voor een sigaretje, tot ie het twintig minuten na rust voor gezien houdt en met een ‘godskolere, hier had papa effe zin an’ in een teug een halve literblik Felsgold naar binnen klokt.

Elke bal op doel

 
Overbodig te zeggen dat Arie elke bal op het doel knalt. Kaatsen, balletje breed of een steekpassje als jij weer eens de ruimte in duikt is aan hem niet besteed. Nee, hij heb bij Ajax gespeeld en hem ‘hoef je dus he-le-maal niks over voetbal te vertelluh’. Dankzij hem ligt de wedstrijd wel om de haverklap stil, omdat de keeper de bal of uit de rivier moet halen of in de keurig aangeveegde voortent van geïrriteerde pensionado’s excuses moet aanbieden omdat Arie de bal volledig verkeerd raakte en hun skottel braai omver kogelde. Aan de andere teamgenoten heb je nog minder, omdat ze of te jong zijn, of omdat al die zwijgzame Fransen, die je tot dan nog nooit hebt gezien, denken dat ze Zidane himself zijn. Als ze al een bal afgeven is het naar elkaar, zodat het kan gebeuren dat je met 10-5 voorstaat zonder een bal te hebben aangeraakt. In Normandië, de Jura, de Dordogne en in de Cévennes, het is overal hetzelfde.

Als er al een scheidsrechter is, is dat of een oudere Fransman half in de lorum, of het betreft iemand van het animatieteam. Dan ben je helemaal klaar. Het animatieteam bestaat uit jongens en meisjes die in de vakantie wat bijverdienen door jeugd bezig te houden, maar ze houden vooral elkaar bezig. De groep krijgt een tent of caravan van de campingbaas en daar hoor je altijd, zelfs midden op de dag, neukgeluiden. Terwijl iedereen keurig om elf uur het licht uitdoet, is dat de enige plek waar het de hele nacht onrustig blijft. Met als gevolg dat de heren en dames overdag niet vooruit te branden zijn en niks beters weten te verzinnen dan een waterpolowedstrijd.

Waterpolo

 
In de 48 jaar dat ik leef ben ik slechts twee mensen tegengekomen die aan waterpolo deden, maar het animatieteam gaat er vanuit dat elke campinggast over voldoende techniek en conditie beschikt om zich een uur lang in het diepe drijvende te houden en voldoende puf over heeft om een bal te gooien.

Ik heb het meegemaakt dat mijn zoontjes in het kikkerbadje lagen te ploeteren en er zo’n chagrijnig huppelkutje met twee doeltjes en een bal arriveerde. Ze formeerde twee teams, floot voor aanvang van de wedstrijd, draaide zich om en begon een flirterig gesprek met een langslopende jongen, zonder verder acht te geven op de kinderen. Toen de jongen doorliep pakte ze bal en doeltjes weer op en vertrok.

De neiging om ook gewoon weg te lopen is bijna onbedwingbaar als Danny in de overtuiging is dat hij jou en ook alleen jou moet coachen. Omdat niemand op zijn positie blijft is er geen enkele reden om linksback te blijven, maar zodra jij over de middellijn loopt hoor je Danny schreeuwen: ‘Hé Koeman, wel effe op je plek blijfe.’

donderdag 19 juni 2014

Oerol WK-column 7: S.E.P.

Met Meindert Talma verzorg ik tijdens Oerol de Wonderlijke WK Voetbalshow. Daarvoor schrijf ik een dagelijkse column. Hierbij die van donderdag 19 juni 2014. Geen nieuwe, maar wel een die in de voorstelling zit: S.E.P. Ik heb gisteren wel een verhaal over Oranje gemaakt, maar die staat op de voorpagina van het Dagblad van het Noorden van vandaag.


De eerste verzorger die ik meemaakte was een ex-bokstrainer, de tweede werkte bij aardappelmeelfabriek AVEBE. Geen mannen bij wie je terecht kon als je geestelijk even moeilijk zat. Wat regelmatig voorkwam aangezien mijn vaardigheden nogal achterliepen bij mijn ambities. In geval van zielenpijn (uit vorm, uit geweest) varieerden de adviezen van ‘trek diezulf moar even goud aan de potlood’ tot ‘weet ik niet’. De verhalen van teamgenoten deden mij besluiten om ook in geval van ernstige blessures níet bij de verzorger op consult te gaan.

Onze laatste man had chronische rugpijn en ik zat met open bek te luisteren naar zijn belevenissen in het behandelkamertje van de bokstrainer. Er waren oefeningen met basaltblokken en binnenbanden van dumptrucks en ik geloof dat ie met een kletsnatte dweil werd geslagen. Hij kwam telkens kotsend thuis, al hielp het gek genoeg wel. De bokstrainer had meestal dezelfde diagnose: ‘die boel zit muurvast’. En wat vastzat moest los. Getrokken of geslagen. Ongeveer zoals ze op scheepswerven vastgeroeste bouten losbeuken. Met ‘Au!’ moest je niet aankomen. Hij was in de zeventig en had een betere mentaliteit dan wij. Je kon ook pilletjes en zalfjes krijgen. Daar ging je op als een speer. Enige bijwerking was dat je drie dagen met een boner liep. Het was experimenteel spul, luidde de uitleg. Je mocht het aan niemand laten zien. De teksten op de potjes waren in het Armeens. De Spetsnaz zocht hem en ook de Mossad kende zijn naam.

De man van de AVEBE lachte overal om en had op alles één antwoord: “Weet ik niet. Ik ben geen dokter.”

“Arnold, als ik mijn voet op de grond zet dan zwik ik er doorheen. Wat kan dat zijn?”

“Weet ik niet. Ik ben geen dokter.”

“Arnold, mijn knieschijf zit aan de achterkant. Is dat erg?”

“Weet ik niet. Ik ben geen dokter.”

Arnold masseerde zich niettemin een ongeluk. Want zo gaat dat met voetballers. Je hebt een verzorger en iedereen ligt meteen op de massagetafel. Die stond midden in de krappe kleedkamer en ik vond het niet echt bevorderlijk voor de concentratie. Of je had het klokkenspel van een teamgenoot op een halve meter voor je neus, of je keek in een paar harige neusgaten. Bij echte kwetsuren gaf niemand thuis. Ik brak eens mijn arm. Het deed in de rust best wel zeer, maar toen ik vroeg of het gebroken kon zijn was het antwoord: “Weet ik niet. Ik ben geen dokter.”

Ik kon me amper aankleden. Geen mens kwam op het idee dat er wel eens iets aan de hand kon zijn. ’s Maandags ging ik voor de zekerheid toch naar de huisarts. Ik kon meteen in het gips. Waarop ik besloot om niemand ooit nog iets te vragen. Niet bij fysieke kwetsuren en nog minder bij psychisch onheil.

Leiders had je helemaal niks aan. Zeker niet als het je eigen vader was. Op een vrijdagavond was ik thuisgekomen in een leeg huis. Mijn toenmalige vriendin had alleen een briefje in de nog kale kerstboom gehangen. Veel zin aan voetballen had ik zaterdags derhalve niet. Paps klopte me op de schouder bij het betreden van het veld en zei: “Alles vergeten, mienjong.” Dus in plaats dat ie meeleefde, had ie veel liever dat ik mij op de wedstrijd concentreerde. Ik merkte eens tegen de leider van W.V.V. 5 op dat ik bij hem een gebrek aan empathie bespeurde.  Dat woorde kende hij niet. De man was vijf minuten stil en blafte mij vervolgens toe dat dit geen praatgroep was en dat ik wel eens de volgende wissel kon zijn.

Ik heb in dertig jaar tijd geen normaal antwoord gehad. Ook bij Helpman 4 niet, terwijl de selectie aardig wat academici bevatte. De aanvoerder/spits/leider/organisator van tripjes naar België/afzender van rare mailtjes, had het alleen over seks. Zijn oplossing om hoofd en lichaam helemaal ‘leeg’ te maken was een goede wedstrijdvoorbereiding en die heette S.E.P.

Seks, Ei, Poepen.

woensdag 18 juni 2014

Oerol WK-column 6: In de rust

Met Meindert Talma verzorg ik tijdens Oerol de Wonderlijke WK Voetbalshow. Daarvoor schrijf ik een dagelijkse column. Hierbij die van dinsdag 18 juni 2014. In afwachting van van Nederland - Australië geen nieuwe, maar wel een die in de voorstelling zit: In de rust.

 
‘Ga even zitten Geert, ja, ja, jaja, oké, já! Oké, Geert, ik hoor je. Het is duidelijk wat je bedoelt. Rustig…, rustig…, nee, Jan, nee, even niet op reageren. Jongens…, Jongens…, Jongens! Kom op, we zijn toch volwassen kerels! Laten we elkaar even geen mietje noemen. Zitten! Iedereen zitten! Harrie, leg die spons maar even neer. Nu! Bert, hier blijven. Als je wegloopt mag je je gaan douchen. Ik wil nu stilte, want het gaat niet goed. Om het eens op zijn Gronings te zeggen: ‘t is kloten van de bok. Met 3-0 achter hebben we nog mazzel. Gezinus, je keept alsof je menstruatiepijn hebt. Nee, niks zeggen, ík ben aan het woord. Ja, ik weet wat je wilt zeggen. Die eerste kon je niks aan doen. Bert, als je terugspeelt op de keeper dan doe je dat om even rust in de ploeg te krijgen, dat moet geen streep vanaf veertig meter in de bovenhoek zijn. En dan ga je zeker niet wild met je armen staan zwaaien, als die bal er nog ingaat ook. Nee, ook jij blijft zitten. Zitten! Ik mag dit zeggen. Geert, mond houden! Ik kom zo bij jou. Want dat verdedigen daar heb ik ook nog een mening over. Mijn demente oma heeft meer tactisch inzicht en als je een sliding inzet is dat niet op kniehoogte en áls je het al in het eigen strafschopgebied doet, dan héb je de bal ook en dan is het géén penalty. Het is te hopen dat die jongen er niks aan over houdt. Onze voorzitter belt vanavond met het ziekenhuis. Bert… Bert… Bert! Ik maak mijn verhaal af. Ik begrijp dat die terugspeelbal uit frustratie was, maar je hebt zelf de actieradius van een slak met reuma. Ik vind: niemand is goed vandaag. Dat kan, maar dan moet er gewerkt worden. Voor elkaar knokken, meters maken. Positief coachen. Korte kreten. Bal! Man! Tijd! Achter Je!. Niet achteraf verhalen tegen elkaar afsteken die de Mahabharata in lengte naar de kroon steken. Derk, van een aanvoerder verwacht ik leiding. Ook van jou hoor ik alleen gemekker en je loopt alsof er vanochtend iemand een koppel eenden uit je lul heeft gezogen. Ik kan me ook niet aan de indruk onttrekken dat niet iedereen gisteravond op de bank heeft gezeten met een glas melk. Ik wéét dat Henk zijn zwemdiploma heeft gehaald en ik zie het als positief dat het hele team op zijn houseparty komt, dat betekent dat de sfeer in wezen goed is, maar daar zie ik niks van terug. Het acceptatievermogen is kut komma kut. Ik zie ouwe wijven die het niet eens kunnen worden of ze op excursie naar het mosterdmuseum gaan of naar de zeehondjes in Pieterburen. En nu ik toch bezig ben: ik werd vanochtend gebeld, ik zeg niet door wie en die zei dat jullie daarna zijn wezen karaoken in de Benzinebar. Het kan aan mij liggen, maar ik heb een ander idee van een goede voorbereiding. Ik heb er voor de wedstrijd niks van gezegd, want ik wilde weten of jullie echte kerels waren. Dat valt me tegen. Nee, Gezinus, geen gejamaar! Verliezers hebben een excuus, winnaars een verhaal. Wie ’s nachts met zijn paasbrood wil zwaaien moet ook ’s ochtends de eieren voor zich uit joekelen. O ja, Harm, dat doel is dat ding met die twee witte rechtopstaande stangen en die liggende stang erop. Het is drie keer voorgekomen dat jij schoot en de tegenstander vervolgens mocht ingooien. Het gaat niet om kansen, het gaat om goals. Ik wil een paar dingen afspreken: we gaan knokken en we gaan simpel spelen. Ik wil geen Evert meer zien die op de eigen doellijn iemand tussen de benen doorspeelt en verbaasd is dat het ineens 0-3 is. Rust in de ploeg en mondje dicht tegen de scheids, die man doet ook zijn best en speel mekaar strak in de voeten aan, niet met zeikerige stiffies. Ik wil godverdejanpeerdekeurel de tweede helft zien dat er voor mekaar gewerkt wordt. Ja, scheids we komen. Beuk hem door de panty!’

dinsdag 17 juni 2014

Oerol WK-column 5: De Dronken Rechtsbuiten

Met Meindert Talma verzorg ik tijdens Oerol de Wonderlijke WK Voetbalshow. Daarvoor schrijf ik een dagelijkse column. Hierbij die van dinsdag 17 juni 2014. Geen nieuwe, maar wel een die in de voorstelling zit. Over waarom drinken toch niet zo goed is: filmpje


Zijn aankomst op het sportpark was al een belevenis. Gerrie was de eerste die hem zag. ‘Moet je kijken wie dáár aan komt’, klonk het opeens. De mannen van het vijfde gingen voor het raam staan en ook de anderen in de kantine verdrongen zich om maar niets van het schouwspel te missen. Want daar kwam de Rechtsbuiten, hun ploegmaat, aangefietst. Kaarsrecht en in zo’n laag tempo dat hij net niet omviel. Zijn toestand was dramatisch. De voorzitter schudde zijn hoofd: ‘Godogodogod…’. De jongen zag er uit alsof ie onder een trein door gekomen was. De ogen straalden totale leegte uit. Hij was zo dronken als een kanon.

Op zich geen nieuws, de Rechtsbuiten stond zaterdags vaker brak op het veld, maar deze keer had ie het wel heel bont gemaakt. Wat later, of nee, veel later, toen hij zich beetje bij beetje dingen begon te herinneren, werd duidelijk dat ie de hele nacht niet naar bed was geweest en minimaal een liter wodka op had, alsmede een ongelooflijke hoeveelheid bier. Het verjaardagsfeestje van een kameraad was geëindigd met wilde drankspelletjes en volledig uit de klauwen gegierd met de klassieker ‘De beer komt en de beer gaat’. Een zeer populaire bezigheid in die delen van Rusland waar het ook zomers min veertig graden Celsius is.

De deelnemers zitten rond een tafel met daarop één groot glas bier en een fles wodka. Het glas bier gaat rond, om beurten nemen ze een slok en na elke slok wordt het niveau weer aangevuld met wodka, tot het glas gevuld is met pure wodka. Waarna het ritueel zich herhaalt, maar dan in omgekeerde richting en elke slok wodka wordt vervangen door bier, tot er weer puur bier in het glas zit. Dat hadden ze gelezen in een boekje van Sylvia Witteman, dat de jarige cadeau had gekregen.

De Rechtsbuiten had genoeg binnen om een olifant een week buiten bewustzijn te houden, maar de jongen was in leven gebleven, al hield het niet over. Op de een of andere manier was er het besef geweest dat ie ergens werd verwacht en was hij er in geslaagd het sportcomplex te bereiken. Eenmaal ter plekke was de man aan het einde van zijn krachten en liet zich met fiets en al in de bosjes glijden omdat remmen een te moeilijke opdracht bleek.

Zijn teamgenoten pulkten hem onder het toeziend oog van de hele kantine en een groep nieuwsgierige buurtbewoners uit de struiken en zetten hem overeind. Omdat dat ongeveer het enige was waartoe de Rechtsbuiten in staat was, ondersteunden ze de ongelukkige richting kleedkamer. Daar hielpen ze de jongen van zijn gewone kleren in voetbaltenue, dat tot niet geringe verbazing van zijn maten keurig opgevouwen in zijn tas zat, inclusief handdoek, schone onderbroek en shampoo.

Iemand in zijn toestand zou niet hebben mogen voetballen. Iemand in zijn toestand had zich überhaupt niet op de openbare weg mogen begeven. Een normaal mens was in die toestand met loeiende sirenes naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis vervoerd. Het probleem met het vijfde was dat ze met de Rechtsbuiten erbij net elf man waren. Zoals elke week en aangezien er weinig verschil zou zijn met wat de Rechtsbuiten normaliter presteerde bleek de beslissing gauw genomen. Daarmee werd immers ook recht gedaan aan het verantwoordelijkheidsbesef, waarmee de jongen zich met zijn laatste krachten naar het sportcomplex had begeven. Het structureel tekort aan mensen moet ergens zijn blijven hangen, in het kleine deel van zijn bewustzijn waar die ochtend nog wat leven in zat.

In de lagere echelons zijn er per elftal altijd wel een of twee die op stap zijn geweest. De gevolgen daarvan worden meestal met veel mis- en gebaar ondergaan. Opzichtig veel koffie drinken, aspirines eten en klagen over hoofdpijn, afgewisseld met sterke verhalen en knalharde boeren en altijd eindigend in een bezoek aan het toilet waar in no time een ongelooflijke stank vandaan komt. Of ze sprinten naar de bosjes om het daar op een kotsen te zetten. Het wezen van de Rechtsbuiten was dat stadium ver voorbij. Hij bevond zich in een totaal andere wereld. Zijn geest had zich losgemaakt en het lichaam was zonder signalen uit de hersenen tot niets meer in staat.

Met een mannetje of wat hebben ze hem voor aanvang van de wedstrijd op de rechtsbuitenplek gezet, tegen de middellijn aan. Daar is hij tot de rust blijven staan. Als een standbeeld. Hij heeft geen stap verzet. Niet vooruit, niet achteruit, niet naar links, niet naar rechts. Voor aanvang van de tweede helft draaiden ze hem om en heeft ie drie kwartier de andere kant op gekeken. In de pauze hadden ze de Dronken Rechtsbuiten op het veld laten staan. Dat was wel zo gemakkelijk.

maandag 16 juni 2014

Oerol WK-column 4: de ondeugende Kees Jansma

Met Meindert Talma verzorg ik tijdens Oerol de Wonderlijke WK Voetbalshow. Daarvoor schrijf ik een dagelijkse column. Hierbij die van maandag 16 juni 2014.

We slaan weer volledig door. Het werd gezegd bij VI Oranje. In dezelfde uitzending waarin
Frans Bauer over een skippybal zong. Het WK is voor Nederland één wedstrijd bezig, maar
de oranje bloemkolen liggen weer in de winkel en als Oost-Groninger word ik dan altijd wat angstig.
Ik hoorde Johan Derksen verklappen dat perschef Kees Jansma in algehele euforie heel ‘ondeugend’ wordt en ik doe al drie dagen geen oog dicht bij de gedachte aan een ondeugende Kees Jansma.
Alleen al daarom zeg ik: Mensen, kijk uit. We zijn er nog niet.
Een zwaluw maakt nog geen zomer, je moet geen schaap over de dam proberen te duwen als
het hek nog dicht zit en als er iemand aanbelt is dat niet altijd een vriend.
Een greep uit de levenswijsheden die ons, mensen uit het noordoosten, met beide benen op de
grond houdt.
Wij, Veenkolonialen, zijn immers ervaringsdeskundigen in het niet ingelost zien van
toekomstverwachtingen. In een regio waar de bodem onder onze kont wegzakt en ons
aanschijn is getekend door slaag en regen, is hoop een emotie waar we voorzichtig mee zijn.
Ik zat vanaf mijn 7e tot mijn 32e levensjaar bij de telefoon, in de verwachting dat de trainer
van FC Groningen ging bellen. In de discotheek beperkte ik versierpogingen tot een minimum. Ik stapte op een meisje af en vroeg alleen haar naam.
‘Hoe heet je?’
‘Alie.’
‘Ok. Bedankt.’
Daarna liep ik weg. Het idee was: als ze mij leuk vindt vraagt ze mijn naam en heb je
een gesprek. Ik hield er maar mee op toen ik na de zoveelste ‘hoe heet je?’, als antwoord
kreeg: ‘Zeg ik niet.’
Daarom waarschuw ik: Mensen, voorzichtig. Je kunt er beter van uit gaan dat het niks wordt.
Dan valt het altijd mee.
Dat klinkt misschien wat negatief, maar tijdens het WK in 1990 werd op het Marktplein in
Winschoten de hele voorgevel van een café oranje geverfd. Met loodmenie. Dat was een dag
voor de nederlaag tegen Duitsland. Ze zijn een week bezig geweest het er weer af te krijgen.
In 1974, 1978 en vanaf 1988 waren we bijna elk EK of WK een van de favorieten voor de titel. Hoe vaak is de belofte ingelost?
Wie herinnert zich het EK van zes jaar geleden? 9 juni 2008: Nederland – Italië 3-0, 13 juni
2008, Nederland – Frankrijk 4-1. De vice-wereldkampioen en de wereldkampioen vernederd.
We sloegen volledig door. Een paar dagen later was Oranje weer thuis.
Daarom zeg ik: kalm aan.
Ik hoop dat ik ongelijk krijg en ik ben de laatste die Kees Jansma zijn pleziertjes ontzeg, maar
denk aan de zwaluw, denk aan het schaap, denk aan de vriend en denk aan een ander oud
Veenkoloniaals gezegde: ain mins is toch gain eerappel.

zondag 15 juni 2014

Oerol WK-column 3: Het jongetje op de eerste rij

Met Meindert Talma verzorg ik tijdens Oerol de Wonderlijke WK Voetbalshow. Daarvoor schrijf ik een dagelijkse column. Hierbij die van zondag 15 juni 2014.

In een stampvol Café De Richel, op West-Terschelling, zag ik bij Spanje-Nederland een
jongetje op de eerste rij. Links van hem zijn moeder, of zijn oma. Ik ben niet goed in het
schatten van leeftijd, zeker niet op Oerol, waar leeftijd en gedrag niet noodzakelijkerwijs bij
elkaar passen. Ik zie vrouwen in de jaren des verstands zich gedragen als Spice Girls en ik zie
jonge meisjes als oude vrouwen hun tent uit kruipen.
Achter hem zijn vader. Of zijn opa.
Het jongetje had net als iedereen een oranje shirt aan. Hij leek gespannen, in afwachting van
de dingen die komen gingen, maar in tegenstelling tot de anderen, die zongen van ‘waar is het
feestje, hier is het feestje’, oogde hij kalm.
Het zou kunnen dat ie onder de indruk was. Hij leek me nog geen tien en dan moet je even
wennen aan hoe grote mensen de remmen losgooien.
Maar het was iets anders.
Focus.
Terwijl het hele café aah riep bij kansen voor Spanje en oej bij kansen voor Oranje en er veel
middelvingers richting scherm gingen bij de penalty tegen, bleven zijn ogen op het scherm.
Voor mij een nieuwe ervaring. Mijn eigen zoons, 7 en 10, zouden geen seconde stilzitten. Ze
zouden vragen of ze achter de iPad mochten, ze zouden vragen om cola, chips, snoep en als
ik er bij zou zijn en ik zou even met iemand praten, dan zouden ze aan mijn arm gaan hangen
met: pap, pap, pap, paa-haap!
Het jongetje op de eerste rij zat jaloersmakend stil. Alleen toen Robben met een beweging van
zijn arm protesteerde toen hij werd afgevlagd wegens buitenspel, maakte het jongetje dezelfde
beweging.
Ineens had ik hem door. Hij zat helemaal niet met zijn vader en moeder, of opa en oma, in
Café De Richel. Hij stond op het veld. Hij was Robben. Hij was Van Persie.
Hij observeerde hoe ze liepen, hoe ze deden en hoe ze keken.
De kleine man was in gedachten bezig met zijn eigen carrière. Nu voetbalde hij nog in de
D1, maar op een dag zou hij daar staan. Op het WK in 2026 misschien, of het WK in 2030.
Tegen die tijd zou de wereld er schande van spreken dat het toernooi op de Noordpool zou
plaatsvinden omdat de dan 120 jaar oude FIFA-voorzitter Sepp Blatter honderd miljoen euro
smeergeld had gekregen, maar voetbal zal altijd een wereld van dromen blijven.
Ik keek nauwelijks nog naar Spanje – Nederland. Ik keek alleen nog naar het jongetje op de
eerste rij. Hoe hij daar zat, bijna onbewogen. Ook toen zijn vader, of zijn opa, iets in zijn oor
schreeuwde. Hij keek even opzij, knikte en keek snel weer naar het scherm.

zaterdag 14 juni 2014

Oerol WK-column 2: Ik ben voor Nederland

Met Meindert Talma verzorg ik tijdens Oerol de Wonderlijke WK Voetbalshow. Daarvoor schrijf ik een dagelijkse column. Hierbij die van zaterdag 14 juni 2014.


                                          (Foto: Henx/Henk Veenstra)

Ik ben voor Nederland. Dat klinkt voor de hand liggend, maar in mijn geval is dat geen vanzelfsprekendheid. Los van het feit dat ik niet het type ben om in een Roy Donders-pak de hippy-hippy-shake te dansen, ik geloof nooit zo in succes.

Als je in Groningen opgroeit weet je dat het leven je niet toelacht. Elke meter grond in Noordoost-Nederland is met de bek op de ploeg bevochten. Strijdend tegen de elementen, tegen het wassende water, woeste wolven en hardnekkige veenbranden. Soms ging dat goed. Tot de volgende dag.

Daarom gaf ik tot aan vrijdagavond negen uur geen stuiver voor de kansen van Nederland. Ik zag de opstelling van Vicente del Bosque, ik zag de beste spelers van Real Madrid, Atletico Madrid en Barcelona en ik zag de reservebank van Spanje.

Ik zag de opstelling van Louis van Gaal en ik zag de reservebank van Oranje en ik dacht: dit wordt he-le-maal niks.

Ik moest denken aan veertig jaar geleden. Toen liep ik met mijn vader enthousiast naar de buurman van vijfhonderd meter verderop. Die had kleurentelevisie. Anderhalf uur later liepen wij verslagen terug. Die dag leerde ik dat gerechtigheid niet bestaat.

Ik moest denken aan 1978. Ook toen had ik, tegen beter weten in, hoop.

Ik moest denken aan vier jaar geleden. Toen was ik allang niet meer voor Nederland. Ik was meestal voor Brazilië, voor Argentinië en op het WK in Zuid-Afrika was ik voor Spanje. Vanwege het voetbal, vanwege Xavi en Iniesta.

Tot aan die finale bekeek ik de opmars van Oranje met scepsis. Tot aan de kans van Robben was ik tijdens de wedstrijd vooral bezig met wijntjes inschenken en hapjes maken. Tot aan het laatste fluitsignaal. Toen trapte ik uit frustratie de salontafel door de woonkamer en vluchtte mijn vrouw de kamer uit, met de handen voor de oren van onze zoontjes.

Wat ik nu weet is dat ik niet voor Nederland durf te zijn. Mijn Groninger inborst laat zich gelden. Ik ben altijd bang om af te gaan, bang voor een papiertje op mijn rug met ‘Schop me’, bang voor de teleurstelling. Het zit er ingeramd. Ik ben niet alleen bang voor de wereld, ik ben vooral bang voor mezelf. Ik leef met de handrem erop. Wat ik ook plan of doe, ik ga er vanuit dat het niks wordt.

Maar sinds gisteren is alles anders. Ik durf nu hardop te zeggen: ik ben supporter van Nederland.
Tot de volgende wedstrijd.