donderdag 13 februari 2014

Nooit Meer Slapen (4) - Mama, mag ik dood?

Ze keek hoe de nachtzuster met een druk op de knop de dosis verhoogde. Een simpele handeling. Zij had het kunnen doen, ware het niet dat moeders natuurlijk nergens aan mochten komen.

De extra morfine garandeerde het jongetje een rustige nacht. De slaap zou zo komen en dat gaf haar de gelegenheid zich te installeren. Ze schoof de stoel tussen het bed en het raam, waarvan de gordijnen open bleven. Dan kon ze, met het boek op schoot, af en toe naar buiten kijken.

Zo bracht ze elke week een paar nachten door aan het bed van haar zieke zoon. Het waren zeldzame momenten van rust in een leven dat bijna 24 uur per dag gedicteerd werd door pijn. Als hij sliep leek het of er niks aan de hand was.

Dankzij de morfine hoefde het kleine lichaam even niet te vechten. Dan was er even geen dokter, geen geworstel om voedsel binnen te krijgen en te houden, geen testen, geen bezoek, geen verdriet, geen vragen.

In de nacht was ze gewoon een moeder bij het bed van haar achtjarige zoon. Zoals ze vaak had gedaan na zijn geboorte. Ook toen hield ze ervan om, na de voeding van drie uur, in het donker te blijven zitten. Gewoon, omdat het fijn was een kind te hebben.

Ze sloeg het boek open, wilde haar hand tegen hem aan leggen en keek even opzij. Recht in een paar grote ogen. Hij was klaarwakker. Ze wilde hem een kusje geven, maar hij hield haar tegen: ‘Mama, mag ik dood?’

(Uitgesproken in de nacht van 13 op 14 februari in het VPRO-radioprogramma Nooit Meer Slapen, in de rubriek 'Schrijvers over de Actualiteit'. Aanleiding is de wijziging in de Belgische euthanasiewet die donderdag 13 februari 2014 is bekrachtigd. Die aanpassing geeft ook minderjarigen het recht om levensbeëindiging te vragen. De grens lag in België bij 18 jaar. In Nederland geldt een ondergrens van 12 jaar. Te beluisteren via deze link, even na het journaal van 01.00 uur)

Nooit Meer Slapen (3) - Vrijstaat Groningen

Rutte vloekte. De premier wist wel dat dat van zijn moeder niet mocht, maar de situatie vroeg er om. Die stomme boeren hadden de Vrijstaat Groningen uitgeroepen.

Hoe ze het hadden klaargespeeld was een raadsel, maar het scheen gelegitimeerd te zijn door drie bepalingen in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Iets met recht op leven, recht op eigendom en recht op family life. Als dat geschonden werd kon een landsdeel zich afscheiden om haar inwoners te beschermen.

Dat had Groningen vanochtend gedaan. Commissaris der Koning Max van den Berg was geïnstalleerd als staatshoofd en Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten als kabinet en kamer. Die fucking noorderlingen hadden de toegangswegen, het waren er niet veel, geblokkeerd en, het ergste, de gaskraan dichtgedraaid.

Rutte begreep het niet. Henk had 1,2 miljard euro beloofd en gezegd dat het goed kwam met veiligheid, schadeafhandeling en preventie. Dan kwam het ook goed. Kwestie van vertrouwen.

Goed, de aardbevingen bleven, maar er waren regelingen en de bevolking mocht aan de Dialoogtafel meepraten. Meer kon zijn regering echt niet doen. Nederland had het gasgeld nodig nu. Wat dachten die Groningers? Dat ze die 150 miljard euro die nog in de grond zat zelf mochten houden?

Dacht het niet.

Hij, Mark Rutte, zou ze wel even ompraten. Hij had zich overal uitgekletst. Terwijl de dienstauto met 180 per uur richting het voormalig land van suikerbiet en strokarton, nu van koolzaad en aardgas, raasde, ging de telefoon. De koning. Hij vloekte, ‘sorry mam’, nog een keer.

‘Hoi Mark, met Willem-Alexander. Ik neem aan dat het een grap is.’
 
(Uitgesproken in de nacht van 12 op 13 februari, in het VPRO-programma Nooit Meer Slapen, in de rubriek 'Schrijvers over de actualiteit'. Het stukje is geïnspireerd op de gaswinningsproblematiek in Noordoost-Groningen. Te beluisteren via deze link, even na het journaal van 01.00 uur)

woensdag 12 februari 2014

Nooit Meer Slapen (2) - Alledaags ongeluk

Het duurde even voordat hij duidelijk kon maken dat hem niks mankeerde. Zijn stem trilde, de woorden kwamen moeilijk en de stevige wind leidde af.

‘Nee, ik heb niks. Alleen wat blikschade. Nou ja, beetje veel blikschade.’

Ze vroeg hoeveel.

Hij keek naar de auto. De linkerkant van de Renault zat in elkaar, twee lekke banden en grill en spoiler aan de voorkant zaten los.

‘Zat je te bellen of zo?’

Nee, maar hij kon ook niet goed uitleggen wat er wel was misgegaan. Bij het invoegen was de andere wagen ineens achter hem opgedoken. Gegier van remmen, een paar doffe klappen en nu stonden ze met vier auto’s in de berm. Een paar agenten waren bezig de bestuurders te ondervragen, anderen brachten het verkeer weer op gang. Zes kilometer file. Hij was nu een regel verkeersinformatie.

‘Maar hoeveel is beetje veel?’

‘Total loss ben ik bang.’

‘Ah nee.’

Haar reactie was begrijpelijk. De auto had net een beurt gehad en twee nieuwe schokbrekers achter. Daarmee bleef een beetje spaargeld over. Te weinig voor een andere auto. Ze hadden een probleem.

‘Maar ik ga hangen. Ik moet Henk zeggen dat ik later ben. Als ik al kom. Dit gaat even duren. Ik zie wel hoe de dag loopt.’

Ze vroeg waar hij stond.

‘Op de A10 richting Slotervaart…’

Hij aarzelde. Het was even stil aan de andere kant van de lijn en toen vroeg ze: ‘Maar die kant moet je toch helemaal niet uit naar je werk?’

(Uitgesproken in de nacht van 11 op 12 februari in het VPRO-radioprogramma Nooit Meer Slapen, in de rubriek 'Schrijvers over de actualiteit'. Het verhaaltje is geïnspireerd op de eenregelige opmerkingen bij de verkeersinformatie, over een file na een ongeval. Die ochtend stond er een van 6 kilometer op de A10 richting Slotervaart. Te beluisteren via deze link, even na het journaal van 01.00 uur)

dinsdag 11 februari 2014

Voorbij de Watertoren (6) – Open brief aan mijn zoons

Lieve Hunter en Reyer,

Schrik niet. Als jullie dit lezen ben ik niet dood; dit is gewoon een open brief van een vader aan zijn zoons, want er moet me iets van het hart. Vooropgesteld, ik hou van jullie, heel veel en onvoorwaardelijk, maar toch zijn er een paar regels die aangescherpt moeten worden.

Om bij het begin te beginnen: mamma en ik zijn ouders. Alles wat die doen is gericht op jullie welzijn. Dat lukt echter alleen als er geluisterd wordt en luisteren betekent na één keer iets zeggen, niet na twintig keer en pas nadat papa met deuren slaat.

Dan is er de kwestie iPad, Nintendo, Wii, televisie, laptop, kortom alles met een stekker en een beeldscherm. Die dingen zijn er om soms te gebruiken en niet van ’s ochtends zeven tot ’s avonds negen. Als wij zeggen ‘NU uit’, wil ik niemand meer ‘Wacht e-heven’, of ‘we zitten er NET achter’ horen roepen.

In het verlengde daarvan: die hardware kost klauwen met geld, dus laat ze niet slingeren, met het risico dat opa er met zijn bergschoenen op gaat staan. Als die apparatuur uitgaat is het de bedoeling dat je gaat spelen en niet dat je op elkaar gaat hangen en al helemaal niet zuchtend je hoofd op tafel legt, met teksten als: ‘Ik verveel me’ en ‘Ik weet niet wat ik moet doen.’

Er is voor een kapitaal aan Lego, Playmobil, Hot Wheels en Nerf in ons huis. Bedoeld om mee te SPELEN. En spelen is iets anders dan gooien.

Iets anders: school is geen instituut dat je moet haten. Jullie hoeven zelfs helemaal geen mening over school hebben. Geniet ervan zo lang het duurt, want pappa en mamma zouden graag in die gezellige klasjes zitten en werkjes maken, in plaats van op ons eigen werk, waar we zoveel moeten.

Treuzelen is ’s ochtends afgelopen. Om zeven uur op, zonder vloeken uit bed, broodje eten, melk opdrinken, aankleden. Ook hier: we hoeven niet alles twintig keer herhalen. Tanden poetsen hoort er bij. Dat doen mensen.

Daarmee zijn we bij het volgende punt. Het is ongezond om elke dag pizza, broodje hamburger, tosti of puntbroodjes met knakworsten als avondeten te willen. Bietjes, spinazie en tuinbonen zijn niet ‘goor’. Anderen kinderen lusten dat ook. Als je ’s avonds je bord leegeet, voorkom je dat je een half uur voor het slapen gaan in de keuken staat te jengelen dat je honger hebt.

Eten doe je overigens niet met een hand onder je hoofd. Rechtop en zonder je broer voortdurend uit te dagen. Ook wil ik niemand meer zien die op het aanrecht klimt en zelf snoep uit het keukenkastje pakt. Zeker ’s ochtends niet. Eerst vragen en ook al zegt mamma soms ‘ja’, het antwoord is eigenlijk altijd ‘nee’.

Als vriendjes voor de deur staan kun je best een keer meegaan. Buitenlucht is gezond, evenals beweging. Er zijn, zelfs in Groningen, zat momenten dat het droog is. Al is er niemand in de speeltuin, probeer jezelf te vermaken. Wij speelden vroeger uren met een halve rolschaats.

Wat ook duidelijk moet zijn: wij werken niet in de bediening. Drinken, Evergreens of Sultana’s mag je wel zelf pakken. Daarvoor hoef je niet te wachten tot wij richting keuken lopen. En als je iets hebt gegeten of gedronken: opruimen. Geldt ook voor pyama’s, schoenen, speelgoed, fietsen, skelters, voor alles.

Tot slot: tijdrekken bij het naar bed gaan? Kappen daarmee. Reyer gaat om half acht, mag nog even lezen en dan is het slapen. Hunter is wat ouder, die gaat om half negen. Daar hoeft niet elke avond over vergaderd te worden.

Jullie zijn trouwens oud genoeg om alleen naar de slaapkamer te gaan. Monsters en spoken bestaan niet, Roswell is te weinig over bekend en die clown die vanuit een rioolput met een kind praat is een film. Als je dat eng vindt, moet je er niet naar kijken.

Het klinkt misschien wat negatief, maar ik blijf van jullie houden en dit zijn normale regels die in elk huishouden gelden. Als jullie wat beter luisteren worden wij niet meer boos. Dat vinden wij ook niet leuk. Afgesproken?

Liefs, pappa

Nooit Meer Slapen (1) - Het zwijgen van Noordhorn

De burgemeester had een probleem. Ronald Plasterk, geliefd vanwege zijn openheid, kwam op werkbezoek en wilde in Noordhorn vooral praten met ‘de burger’. Op de vraag of er inwoners van het Groningse dorp waren die met de minister van gedachten wilden wisselen kwam echter geen reactie.

Noordhorn besloot te zwijgen.

Dat had overigens minder met Plasterk te maken dan met de Groningers zelf, wier doen en laten wordt gesierd door een enorme bescheidenheid. Er zijn weinig noorderlingen die graag op de voorgrond staan en spraakzaam zijn.

Helemaal in de buurt van een politicus. Je weet immers nooit of een opmerking of losse gedachte in een onbewaakt ogenblik niet later tegen je wordt gebruikt.

Wat de lokale bestuurders probeerden, wat de Groninger niet wil, dat wil hij niet, met als gevolg dat Plasterk van Noordhorn – via Aduard – naar Den Horn wandelde met naast zich de usual suspects: burgemeester, wethouders, raadsleden. Daarachter het gewone volk, keuvelend over de laatste roddels en nieuwtjes.

De minister, open als hij was, trok zich op zijn beurt niets aan van het advies van de burgemeester en mengde zich toch onder het volk. Tevergeefs. De gesprekken staakten met hem in de buurt. De Noordhorners knikten weliswaar vriendelijk, de kaken bleven op elkaar. Nieuwtjes en roddels moesten vooral in het dorp blijven.

In een laatste poging het ijs te breken vroeg Plasterk aan de eerste de beste wat die er nu van vond.

Het antwoord was kort: ‘Wij vinden niks, meneer de minister. Wij zien wel.’

(Uitgesproken in de nacht van 10 op 11 februari 2014, in het VPRO-radioprogramma Nooit Meer Slapen in de rubriek 'Schrijvers over de actualiteit'. Opgetekend op de vooravond van het debat waarin Plasterk zich moet verantwoorden voor zijn uitspraken over de 1,8 miljoen afgeluisterde telefoontjes. In plaats van daar in oktober iets over te zeggen had hij beter kunnen zwijgen. Hoewel bovenstaande fictie is, heeft het bezoek van Plasterk aan Noordhorn echt plaatsgevonden, in april 2013. Te beluisteren via deze link, na het journaal van 01.00 uur)

vrijdag 7 februari 2014

Op weg door het veld

Wij rijden op maandag, na gitaarles in Harkstede, meestal over een alternatieve route naar huis. Woudbloemlaan, Slochter AE, Verlengde Veenlaan, Groenedijk, Slochterdiep. Een weg door open veld, door het voormalige stroomgebied van de Fivel, langs de restanten van het oude bekkenstelsel. Het uitgestrekte hoogveenland tussen Slochteren, Kolham en Hoogezand is een leeg gebied. Een vergeten hoekje in Oost-Groningen, dat ook al niet in het centrum van de wereld ligt. De Scharmer AE en de Slochter AE komen er bij elkaar en de natuur mag er zijn gang gaan, uiteraard binnen de door de mens gestelde kaders. Want we houden van natuur, maar de natuur moet niet denken dat alles zo maar kan. Dus zijn er afrasteringen en dijken. Er is eerlijk gezegd weinig te zien vanuit de auto, daarvoor zijn de dijken te hoog, maar alleen al de illusie dat we door de prairie rijden is voor mij voldoende.
Er zijn drie manieren om thuis te komen en soms geef ik ze de keus: linksaf, via Lageland, linksaf het veld in, of rechtdoor, door de dorpjes, die een lang lint vormen tussen Groningen en Appingedam. Hunter kiest altijd voor de laatste optie.
‘Waarom?’
‘Omdat ik me een beetje eenzaam voel langs die kant.’
Als een kind dat zegt, gaan bij ouders de alarmbellen rinkelen. Dit is een emotie, hier moeten we iets mee.
‘Oh ja. Eenzaam, zeg je? Kun je dat uitleggen?’
‘Nou, alsof we alleen zijn.’
‘Goh, dat wist ik niet. Dat is geen leuk gevoel?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat er helemaal geen mensen zijn.’
‘Door de dorpjes vind je gezelliger.’
‘Ja.’
‘Denk je anders dat we de enige mensen zijn of zo?’
‘Ja.’
Ik val even stil en kijk uit mijn ooghoeken naar rechts, naar mijn zoon, die naast mij zit en zich dus eenzaam voelt. Is dat goed, of is dat niet goed?
Het is het land van zijn jeugd. Waar ze onbevangen kunnen spelen, cowboytje in het bos, vissen in het Slochterdiep, zwerftochten door het oude bekkenstelsel. Wij zwierven vroeger ook langs de diepen, door het aardappelveld, keken of de maïs al rijp was en struinden op de oevers van het oude zwembad, daar waar je eigenlijk niet mocht komen.
Slochteren en omgeving is een niveautje hoger, alles is aanwezig voor een ideale jeugd en ik heb de neiging om het platteland in hun genen te rammen.
Mijn vrouw neemt de mannen regelmatig mee naar Hoogezand-Sappemeer om te winkelen, maar ik probeer de stad, die urbane jungle, die zee van asfalt en bebouwing, met zijn herrie, met zijn viezigheid en met zijn assertieve schreeuwerigheid, zo lang mogelijk buiten te houden. Eerst zullen ze opgroeien in een jongensboek. Zoals de schippers van de Kameleon, zoals Beekman & Beekman. Maar als hij zich er nu al unheimisch voelt.
Dus rijden we rechtdoor, door een restje Harkstede, door Scharmer, door Kolham, door Froombosch, tot en met Slochteren.
‘Zullen we de Black Crowes luisteren’, vraag ik.
‘Neeee, de smurfen.’
Dus luisteren wij naar de smurfen. Een cd met bewerkingen van bekende hits, van Gotye, The White Stripes en Gers Pardoel, maar dan met teksten over de voetbalprestaties van de Smurfen. Ze winnen alles, met grote cijfers, ze kunnen alles, ze zijn de beste, enzovoort. Mijn zoons maken het zich gezellig. De radio moet op keihard en als we een groepje fietsende vrouwen naderen moet de radio nog harder en het raampje open. Hunter hangt half buiten de wagen en kijkt, als we voorbij rijden, met een brede grijns naar het groepje. Ik haat smurfen.
‘En Reyer,’ vraag ik mijn jongste, ‘voel jij je ook eenzaam op die ene weg?’
‘Ja.’

dinsdag 4 februari 2014

Voorbij de Watertoren (5) - Huilende vrouw

Ik stond bij de koffieautomaat. Met een huilende vrouw. Dat is geen situatie waar je als man wil zijn. Huilen is emotie en emotie, dat vergt een andere benadering dan een schokbreker vervangen.

Onderwijl de jongedame haar tranen de vrije loop liet keek ik naar de display. Ik had keuzetoets 4 ingedrukt. Variatie koffie. Ik zou nu voor 1 moeten gaan. Wiener Melange. Maar dat zou onbeleefd zijn. Je kon niet naast iemand staan die op weg was richting psychische instorting en doorgaan met je koffiebestelling.

Iets in mijn binnenste zei een arm om haar heen te slaan. Dat durfde ik niet. Het was best een mooie vrouw en een arm om iemands schouder leggen zou betekenen dat ik dicht tegen haar aan kwam te staan en dan zouden meer lichaamsdelen elkaar raken en dat zou misschien (dat wist ik niet zeker, ik woog razendsnel de opties tegen elkaar af) een reactie van een bepaald lichaamsdeel veroorzaken. Een reactie waar je zelf weinig grip op had, maar ook al kon je daar niks aan doen, je had de poppen aan het dansen.

Het risico op een klap, ten overstaan van mijn collega’s die natuurlijk mee zaten te luisteren, wilde ik vermijden. En helemaal de kans dat ik twee minuten later bij mijn baas werd ontboden alwaar ik te horen kreeg dat ik precies twee minuten kreeg om mijn bureau leeg te maken, omdat dit bedrijf geen viezerikken duldde.

Mannen geven elkaar een beuk op de schouder. Bij hoge uitzondering spreken we elkaar moed in. Met teksten als: ‘Geen hand vol, maar een land vol’, ‘Kop d’r veur’, ‘Als je er niet aan onderdoor gaat, kom je er sterker uit’ en ‘Volgende week sta je zeker in de basis’.

Bij een vrouw staan we met de bek vol tanden. Ik ben bovendien opgegroeid in een wereld waar emotie geen item was. Je had altijd wel wat te doen, de dag bleek om voor je er erg in had en als je ’s avonds uitgeput op bed plofte zonk je meteen weg in een comateuze slaap, ver voordat je kon beginnen aan denken dat je met iets worstelde.

Een man die zijn gevoelige kant toonde was ’n wief’ en als een vrouw te veel met haar zieleroerselen te koop liep klonk het: ‘doar mout n keer n dolle neger op’.

Dat was in dit geval geen optie. Alleen al omdat ik haar kende als een nuchtere, zelfbewuste vrouw die zich hier doorheen zou slaan. Ze had bovendien een relatie met een Pekelder en dan voegt een dolle neger niet zo heel veel toe.

Mijn vrouw zei later dat ik natuurlijk een arm om haar heen had moeten slaan (‘Is toch logisch? Dat je dat niet snapt’), maar in plaats daarvan drukte ik op 1 en begon, met de handen in de zakken, troostende woorden te spreken. Dat het niet aan haar lag. Dat het geen manier van doen was. Dat aan zichzelf twijfelen ongeveer het laatste was wat ze moest doen, omdat ze juist goed bezig was, beter dan mij zelfs en dat die anderen grote klootzakken waren.

Het resultaat was dat het huilen erger werd zodat ik haar nog meer zelfvertrouwen probeerde aan te praten zodat het huilen nog erger werd, met als resultaat dat de mascara begon door te lopen en ik ineens naast Alice Cooper stond.

Ik pakte mijn bekertje, nam voorzichtig een slokje en vroeg of zij ook wilde. Ze schudde van nee. Ik vroeg of ik verder iets voor haar kon doen. Nee. Ik zei dat het me speet, maar dat ik nu echt weg moest. Dat was ook echt zo. Ze knikte en toen zei ik dat ze zich niet moest schamen, proberen de dag door te komen, thuis een fles wodka achterover kiepen en daarna haar eigen plan trekken en desnoods de eer aan zichzelf houden (‘laat ze doodvallen’). Als ze op een later moment een kopje koffie wilde drinken om erover te praten, dan zou ik er zijn. Want ik begreep de situatie. Toen gaf ik haar een stompje op de schouder.