vrijdag 21 maart 2014

De pier van Oterdum

Een bioscoop hebben we in Slochteren niet, op de Fraeylamborg wordt slechts af en toe muziek en theater geprogrammeerd en we doen het nog steeds zonder dorpscafé. Op een koude zondagmiddag, als je met het gezin de deur uit móet, omdat iedereen dreigt elkaar de hersens in te slaan, blijft alleen de pier bij Termunterzijl over, beter bekend als de Pier van Oterdum. Het bijzondere aan die plek is dat er niks te doen is. Je kunt er over de Eems kijken, er staat een frietkar en dat is het.

Het is niettemin een populaire uitspanning. Er zijn altijd mensen. Groningers, een enkele Duitser. Oudere echtparen, mannen alleen, gezinnen en verliefde stelletjes in gepimpte autootjes. Je ziet er nog wel eens een Opel Manta. Iedereen parkeert de auto aan de zijkant, of vooraan en gaat naar de horizon zitten turen. Waarom is niet duidelijk, want het uitzicht is dramatisch. Eigenlijk is er niets te zien. De lucht is even grijs als het water, aan de linkerzijde staat chemische industrie, daarachter doemt de Eemshaven op en alleen als de zon schijnt is aan de overkant Duitsland te herkennen. Soms vaart een binnenvaartschip voorbij, soms een coaster, meestal niks.

Ik weet dat rechts, achter de horizon, de Dollard is. Daar schijnen dorpen op de zeebodem te liggen. Iemand vertelde mij dat een jaar of tien geleden. Ik dacht dat het om inside informatie ging, maar even googelen leerde dat Torum in 1509 door een vloedgolf werd verzwolgen. Het lag op vijf kilometer ten zuiden van Emden en staat bekend als het Atlantis van het noorden. Er is in 2009 zelfs een Duits/Nederlandse manifestatie geweest, ter herinnering aan de 33 gehuchten die door het water zijn weggevaagd. Ik legde pas later de link met de voorstelling ‘De leste man van Torum’ die daar onderdeel van was. Nooit bij stil gestaan. Nu ja, ik hoef ook niet alles te weten.

De meeste mensen blijven in de auto zitten. Misschien denken ze na over het leven, de vergankelijkheid. Misschien zitten ze gewoon te wachten totdat Studio Sport begint. Frans Halsema zong erover in ‘Zondagmiddag Buitenveldert’. Hij had hier eens moeten lopen.

Uitstappen is vrij zinloos. Een wandeling over de pier is even sensationeel als over de parkeerplaats aan de Sontweg, op een maandagavond. De wind is zo sterk dat de tranen je binnen een minuut in de ogen springen. Mijn vriendin gaat er nooit uit. Ik wil nog wel eens een poging wagen. Een keer ging Hunter mee. We liepen tot aan het vuurtorentje en zagen een speedbootje. Toen vroeg hij klappertandend: ‘Waarom lopen we hier, papa?’

Reyer probeerde het ook eens. Dat verbaasde me, aangezien de heren alleen in de auto waren te krijgen door ze patat met frikadel en kroket te beloven. Mijn jongste zoon probeerde even om te rennen, maar merkte direct dat het daarvoor te hard waaide. Hij kwam er niet tegen in.

Ik kom regelmatig op die pier. De eerste keer zal met mijn ouders geweest zijn, lang geleden. Ik reed er vanuit Winschoten wel eens heen met een meisje, of een vriend. Twee dagen voordat Hunter werd geboren stonden we er. Ook op een zondagmiddag. Dat zeiden we tegen hem. ‘Dat wéé-héét ik allang. En ik wil straks een frikadel én een kroket. En AA-drink.’

Dolfijnen hadden er moeten zijn. Of orka’s, walvissen. De enige levende wezens naast de mens zijn echter de meeuwen, die krijsend om restjes patat vechten. Een geel strand had hier niet misstaan. Met schelpjes en zeesterretjes en een paviljoen. Maar wie daar aan het water wil vertoeven en die mensen zijn er, getuige de camping achter de dijk, die ligt met zijn handdoekje op beton, tussen stinkend zeewier.

Toch is die pier mij even vertrouwd en dierbaar als de uitgestrekte polders achter Winschoten en de omloop rond de Euroborg, op een voetballoze zondag. Ik hou van leegte en verlatenheid. Mijn fascinatie voor desolate plekken is dat ze zo fraai de machteloosheid van de mens illustreren. We proberen de aarde te beheersen, naar eigen inzicht te vervolmaken, maar het wordt nooit wat. Wij zijn slechts voorbijgangers. Wie zal over honderd jaar weten dat ons gezinnetje daar, op zomaar een zondag, gezellig friet zat te eten? Met een frikadel erbij voor Reyer, voor Hunter een frikadel én een kroket, voor mama kibbelingen met saus en voor papa een lekkerbekje.

We winnen land op water, we overbruggen ravijnen, we zetten gebouwen neer die aan de wolken krabben, maar een beschaving heeft altijd een achterkant en nergens glipt het bestaan ons meer door de vingers dan aan de oevers van de Eems.

dinsdag 18 maart 2014

Voorbij de Watertoren (10) - Adam zoekt Big Bang

De twee programma’s waartussen ik zondagavond schakelde hadden niks en ook weer alles met elkaar te maken: Adam Zkt. Eva en Cosmos. Met verbazing keek ik van het een naar het ander en weer terug en gaandeweg begreep ik van beide minder en minder.

Een jonge vrouw komt op een vlotje aan bij een eiland. Ze doet haar sarong af en zwemt naakt naar het strand. Daar staat een jongeman. Ook naakt. Neuken, denk je dan, ja, laten we meteen maar benoemen waar dit soort programma’s om draait, maar dat had ik gedacht, want niet veel later komt er een tweede vrouw bij. Oftewel: reality-tv. Zet twee mensen bij elkaar en ze doen iets samen, vraag een derde en er is gedoe.

De man op National Geographic Channel was, afgaand op zijn haar en snor, in een vorig leven de bad guy in series als Starsky & Hutch en Kojak, vindt de kleding uit die tijd nog steeds moeten kunnen en toonde de geschiedenis van het universum. Althans, dat wat we weten, want dat is beperkt. Heeft te maken met hoever we kunnen kijken. Mogelijk is ons universum, wiens afmetingen al ongelooflijk zijn, onderdeel van een multiversum.

Dan ben ik weg en met mij waarschijnlijk velen en om het voor ons aardlingen begrijpelijk te maken hadden de programmamakers de 13,8 miljard jaar ontstaansgeschiedenis van het heelal in een jaar gestopt. Wat ik me altijd afvraag is waarom het geen 13,7 is, of 13,9. Of zeg gewoon 14. In dit geval is het verschil voor mij verwaarloosbaar.

Maar goed, wat we weten is dat het begon met een Big Bang en dat is dat er niks was, of ja, toch, 1 atoom en dat is ontploft en in die al bijna 14 miljard durende ontploffing zitten wij. Ik denk dan ook altijd: waar komt die ene atoom dan vandaan? Wie heeft dat verzonnen? Alles heeft een begin en daar gaat ook een begin aan vooraf en daarvoor weer een ander begin. Je moet het echter hoe dan ook regisseren, want uit niets kan niet iets ontstaan. Daar kom je dus nooit uit, zodat ik niet anders kan concluderen dan dat het hele universum, onze hele wereld, onmogelijk is.

Het blijft echter een fascinerend verhaal en in die 365 dagen x 24 uur x 3600 seconden komt de mensheid in pak hem beet de laatste 14 seconden om de hoek. Dan gaat het snel, want de mens is een slim wezen en in onze huidige, leefbare planeet, komt alles samen. De natuurlijke grondstoffen die miljoen jaren hebben liggen rijpen, de atmosfeer waarin wij kunnen leven en de natuur die evolueerde tot wat het nu is, terwijl het hersenvolume in allerlei levensvormen beetje bij beetje groeide tot het formaat wat we nu hebben.

Het is ondertussen nog niet tot neuken gekomen en wellicht om dat te bespoedigen bedenkt de eerste vrouw iets om te testen of die man op dat vlak en op andere vlakken (een relatie!) iets voor haar kan betekenen: kickboksen. Die man denkt en dat zegt ie ook: ik vind het lastig om een vrouw te slaan. Dus slaat ie heel voorzichtig.

Ik denk: logisch, je kunt geen vrouw slaan, maar zij zegt: hij slaat niet door, dus hij heeft geen doorzettingsvermogen. De ontstaansgeschiedenis van ons universum vond ik gemakkelijker te begrijpen. De vrouw leek me niet heel dom, maar als je aan zo'n programma meewerkt is er waarschijnlijk wel wat mis.

De slaap viel zondag moeilijk te vatten. Dat kwam niet door de gedachte aan die twee naakte vrouwen, dat had te maken met een kwestie waar ik mee worstelde. Als na 13,8 miljard jaar waarin onze aardbol is geworden tot wat ie nu is en we als mens in die laatste seconden ons best hebben gedaan er iets van te maken, door een beschaving op te bouwen, met comfortabele en stevige huizen (behalve in Groningen dan), goed eten en schoon drinkwater, waarin we communiceren via taal en schrift, gebruikmakend van onvoorstelbare technieken en Adam Zkt. Eva is de jongste hit, dan wil ik wel een nieuwe Big Bang.

vrijdag 14 maart 2014

Schrijfdagboek Milko’s bio: het eerste contact (1)

Hij vindt Groningen veranderd. Veel van wat er was toen Milko Djurovski (1963) in de Martinistad voetbalde, is verdwenen. Dat verbaast hem. Maar het is twintig jaar geleden dat de Macedoniër in de Martinistad speelde, uitgezonderd een wedstrijd met oud-FC Groningen, twaalf jaar terug. Met zijn twee vrienden, waaronder Toni Bozgo, bondscoach van Slovenië onder 16, heeft de Rookmagiër op zondag 9 maart 2014 koffie gedronken in het centrum, alvorens aan te bellen bij Zora.

Zora Duvnjak komt uit Belgrado, woont in Groningen en is mijn link naar Milko. Ik had haar eind vorig jaar benaderd, wetende dat ze Lupko Ellen heeft geholpen met Nachtengel, zijn laatste thriller, die deels in Joegoslavië speelt. Na een kopje koffie in het Feithhuis, op een vrijdagmiddag, was ze meteen enthousiast. Ze zocht contact via Facebook, via een Macedonisch talent dat bij haar inwoont, kreeg zijn telefoonnummer en al in het eerste weekend belde ze hem. Over daadkracht gesproken.

Milko is cool, zei Zora. Zo gewoon, zo relaxed. Niks te vedette, niks te kapsones. Hij vindt het leuk dat er een boek over hem verschijnt en zal alle medewerking verlenen. Cool, zeg ik haar na. Het zal het eerste woord worden van de biografie, dat weet ik nu al.

Zora blijft contact met hem houden, we vatten het plan op om in de krokusvakantie naar Belgrado te gaan, voor een kennismaking, maar ineens laat Milko weten naar Groningen te komen. In eerste instantie voor de wedstrijd tegen SC Cambuur, maar het wordt FC Groningen – Feyenoord. Ik regel kaarten, licht de afdeling communicatie in en Milko maakt op Facebook melding van het aanstaande bezoek. Het is dan woensdag 26 februari.

Het nieuws dat ik een boek over Milko Djurovski ga schrijven doet snel de ronde. Ik licht Wim Masker in, mijn collega bij de Gezinsbode. Dan kan hij het als eerste hebben. Veel reacties op Facebook en Twitter. Het bevestigt mijn vermoeden dat de Rookmagiër, zoals hij wordt aangeduid, nog immens populair is. Tussen 1990 en 1994 speelde hij 80 officiële wedstrijden en maakte 31 doelpunten. Met hem in de gelederen beleefde FC Groningen in 1990/1991 het beste seizoen uit de historie en behaalde een derde plek.

Want los van dat het een fenomeen is, was het gewoon een erg goede voetballer, die voorheen furore maakte bij Rode Ster Belgrado en Partizan Belgrado en met Joegoslavië in 1984 Olympisch kampioen werd.

Met zijn twee vrienden onderneemt Milko het voorbije weekeinde een Tour de Force, ze vertrekken zaterdagochtend om vijf uur uit Slovenië, zijn om zes uur in Heerenveen, zien de wedstrijd tegen PEC Zwolle, gaan op de foto met Marco van Basten, zijn om middernacht in het hotel, de volgende dag er vroeg uit om door Groningen te toeren, alvorens ze naar de Euroborg gaan, interviews, op de foto met Jan en alleman, ontvangst bij de FC, geëerd door de supporters, de wedstrijd tegen Feyenoord zien, op de foto met Ronald Koeman, meer interviews, oude bekenden zien, waaronder Henk Veldmate, Marcel van Buuren en Jan Veenhof, daarna het supportershome in, voor een ontroerend ontvangst en meteen na het duel in de auto voor de terugreis naar Slovenië. In de parkeergarage krijgen Zora en ik FC Groningen-gastvrouw Wietske en ik nog een flesje wijn.

‘De beste Sloveense wijn’, zegt Milko. Ook is er een voor Hans Nijland.

Ze belden om elf uur die ochtend aan bij Zora. Een bijzonder moment. Een held van vroeger zo dichtbij. Zo ineens. Ik kende hem eigenlijk alleen van televisie. Maar de sfeer was meteen ontspannen. Milko en zijn vrienden praatten honderuit. De gastvrouw kwam amper aan vertalen toe. Telkens als ze mij iets wilde uitleggen, kletsten Milko of Toni er doorheen. Hij begon over het roken, ja, dat Rookmagiër. Hoe kwam iedereen erop?

Zora vroeg of ze koffie wilden. Ja, maar daar moet een sigaret bij. Mochten ze roken in huis? Nee. Op het balkon wel. Dus op het balkon. Hij zal die dag de een na de ander opsteken. Ik heb hem niks zien eten. Ik vroeg of het klopte dat ie op moonboots trainde. Nee. Wel eens met moonboots gevoetbald? Gaat dus niet. Ook de panty’s kwamen ter sprake. Dat mensen hem vooral daarvan herinnerden. Terwijl hij volgens eigen zeggen zijn beste tijd als voetballer in de Martinistad beleefde. Maar wist hij dan, vroeg ik, dat na zijn komst overal op de amateurvelden ineens jongemannen met maillots en handschoenen liepen? En dat in Oost-Groningen, waar mannen doorgaans geen panty’s dragen?

Ik heb een paar van mijn boeken meegenomen. Hij ziet De dronken rechtsbuiten en vraagt wat die titel betekent. Zora vertaalt. Hij drinkt al twintig jaar niet meer, zegt ie. Van de een op de andere dag gestopt. Hij bladert door Appie Alberts, Doctor in de rock-‘n’roll. Ik zeg hem dat zijn boek er ongeveer zo uit zal zien, qua formaat. Misschien iets meer pagina’s. Met foto’s. Veel foto’s. Ik wil zijn verhaal vertellen, van de voetballer, van de mens, zijn jeugd, wat ie voor en na FC Groningen heeft gedaan, als trainer, zijn voetbalvisie en zijn carrière als zanger. Tegenwoordig zit Milko in de showbizz. Volgens hem moet het 40 procent over zijn tijd voor FC Groningen gaan en zestig procent over FC Groningen. Eerlijk gezegd denk ik andersom, want ik ben vooral nieuwsgierig naar zijn leven daarvoor. Hoe hij met zijn broer Bosko als twaalfjarige van Zilce naar Belgrado verhuisde, zijn tijd bij Rode Ster, de overstap naar Partizan, te vergelijken met een overstap van Barcelona naar Real Madrid. Hij vraagt of ik al een titel heb. Nee. Misschien gewoon Milko.

Eerlijk gezegd heb ik me verbaasd dat Djurovski speciaal voor mij naar Groningen kwam. Goed, ik maak een boek over hem, maar dan nog. Gaandeweg het bezoek bekruipt mij een gedachte. Zoals Milko er uit ziet, tot in de puntjes verzorgd, onzeker over hoe hij ontvangen zal worden en als een analyticus kijkend naar de wedstrijd. Er is nog een reden en dat spreekt hij ook uit: het is ooit zijn droom om trainer van FC Groningen te worden. Want zoals wij warme herinneringen aan Milko hebben, zo heeft Milko warme herinneringen aan ons. Groningen was zijn tweede thuis.

woensdag 12 maart 2014

Voorbij de Watertoren (9) – Sprutters


Hunter zag ze het eerst. Hij had net een spreekbeurt over Roswell achter de rug en dacht aan een ufo. We waren op weg naar gitaarles, het mistte boven het Slochterdiep en ik zei dat het een sfeer was waarin iets kon gebeuren. Een overstekende marterhond of zo. Mijn zoon vertelde me dat er in het dorp kippen waren doodgebeten door zo’n beest. Een kip had van schrik een hartaanval gekregen. Ook dood.

Ik dacht aan The Fog en stelde me voor dat je een gestalte zag. Op samenzweerderige toon zei ik dat het goed mogelijk was dat we de mist inreden en dat niemand ooit een spoor van ons zou terugvinden. Later zou het gebied rond Schaaphok, Lageland en Denemarken bekend worden omdat mensen er op raadselachtige wijze verdwenen.

‘Wat voor vogels zijn dat?’

‘Geen idee.’

Wel wist ik dat het bijzonder was. Dat probeerde ik Hunter duidelijk te maken. Ik zette de auto aan de kant en begon te filmen. Met de iPhone. Ik herinnerde me een item op Facebook van twee vrouwen die een dergelijk verschijnsel in een baai waarnamen.

Daar waren wat meer vogels en het was spectaculairder, maar goed, Groningen staat bekend als een dunbevolkte streek en in de natuur zal het niet anders zijn.

‘Waarom doen die vogels dat?’

‘Al sla je me dood.’

‘Mag ik uit de auto?’

‘Ja, ga maar kijken. Wel opletten op de weg. Aan jouw kant blijven.’

We keken in stilte naar, zoals ik later begreep een dans van spreeuwen. Of, in goed Gronings: sprutters. Voordat ze de slaapbomen opzoeken vliegen ze een paar rondjes. In Denemarken noemen ze het Sort Sol en in Engeland Black Sun. Dat wist ik op dat moment niet, want ik weet weinig van de dingen om mij heen. Zeg maar niks. De fotograaf bij de Veendammer wilde me een keer uit de auto zetten omdat ik bij de aardappelvelden langs de Kielsterachterweg vroeg: ‘Is dat sla?’

Als ik iets zie kan ik zeggen of ik het mooi vind. Als iemand me vraagt wát we precies zien, moet ik het antwoord schuldig blijven. Ik kom niet verder dan: ‘Apart.’

Soms voel ik dat als een gemis. Ik vind dat ik dingen moet overdragen, mijn kinderen wegwijs maken in de wondere wereld van de natuur, het leven. Ik weet net dat de gekleurde eend het mannetje is en de bruine de vrouwtje. Als ze het Slochterdiep oversteken en wij komen aanrijden imiteer ik het geluid van een game en zeg: ‘Honderd bonuspunten.’

Er zijn kwesties waar ik wel iets van af weet, zoals de grafplaat in een Mayatempel bij de Mexicaanse Mayastad Palenque, maar als je met je zoon in Oost-Groningen naar spreeuwen staat te kijken heb je daar weinig aan. Het enige wat ik kon doen was benadrukken dat het bijzonder was. Een verschijnsel. Hoe mooi de natuur kan zijn.

‘Blijf zo lang mogelijk kijken. Dit is best apart.’

‘Dat had je al gezegd.’

Hunter draaide aan het knopje van de autoradio. Ik wilde meteen blaffen dat ie met zijn tengeltjes van de knoppen moest afblijven, maar ik zweeg: het was een goed idee. De muziek van EELS paste wonderwel bij de vogelbewegingen. Ook apart. Zoiets kun je niet regisseren. Toen ze te ver weg waren stopte ik met filmen en reden we zwijgend door.

Mijn collega houdt koeien in de polders rond Hoogezand en ik vroeg hem de volgende dag of hij wist wat voor vogels het waren: ‘Spreeuwen. Dit zie je heel vaak. Er zijn wetenschappers die er hele berekeningen op los laten. Met modellen kunnen ze de bewegingen voorspellen. Zeggen ze.’

‘Maar vind je het niks dan?’

‘Ja hoor, ik vind het ook mooi.’

Het leek me een goed idee om het filmpje (hier) op de site van de HS-krant en Eemsbode te zetten, de kranten waar ik voor werk. Een stukje natuurbeleving naar de mensen toe. Van een andere collega leerde ik dat je het filmpje dan moest uploaden naar YouTube. Dan kon je daarheen linken. Ik verzon een naam, plaatste het en wilde het Hunter laten zien. Het duurde even voordat we het vonden. Er waren honderden filmpjes van spreeuwenwolken. Stuk voor stuk groter, beter, spectaculairder.

vrijdag 7 maart 2014

Wie scoort op goal

Mijn jongste zoon staat voor mij met een bal. Hij zegt: ‘Wie scoort op goal.’

Ik zit aan een tafel, om precies te zijn: meerdere tafels en daaromheen zitten meerdere mensen. Mannen, vrouwen, kinderen, zelfs wat hondjes (al zitten die op de grond) en we hebben borreltjes voor ons staan en worstjes en olijfjes en chips en het zonnetje schijnt dan wel niet, maar het is aangenaam vertoeven op de camping en ik zucht. Maar ik zeg ‘ok.’

Wij lopen naar een rustig plekje op het veld. Daar liggen twee bakstenen. Hij begint op keep, schopt de bal naar mij toe en ik schiet terug. Goal. Reyer zegt: ‘Ik blijf op goal. Op goal vind ik leuk.’

‘Is goed’, zeg ik, want ik vind keepen niet leuk.

We gaan verder. Ik schiet. Niet te hard, want hij is pas zes, maar ook niet te zacht, want hij is volgens hem al zes en wil dat ik ‘op mijn best doe’. Dat doe ik. Over en weer gaat het. Aannemen, schieten, stoppen, uithalen. Van mij naar hem, van hem naar mij. Soms neem ik hem in een keer op de slof, meestal niet. Want de bal is zacht. Er zit te weinig lucht in. Half lek, zeg maar, al weet ik niet of ik dat goed omschrijf. Er ontstaat een ritme. Schieten, stoppen, pass terug, stoppen, schieten, pass terug, stoppen, schieten, pass terug. Een kwartier gaat voorbij, een half uur. Af en toe scoor ik.

‘Moet ik op goal’, vraag ik.

‘Nee.’

Schieten, lopen, stoppen, controleren, binnenkant, buitenkant, soms even opwippen, het zijn bewegingen die ik honderden, duizenden, tienduizenden keren heb gedaan. Alleen, met een muurtje, met twee man, met drie man, vier man, honderd man. Alles wat je nodig hebt is een bal. De rest gaat vanzelf. Een doel is soms niet eens nodig. Overpassen kan ook. Achter mekaar door. De simpelste vorm van voetbal. Het verveelt nooit. Jij en ik en de bal. Wie scoort op goal.

Schieten is het mooiste wat er is. Vind ik. Aanleggen, uithalen. Als mijn oudste zoon meedoet wil hij altijd balafpak. Dat doe ik dan wel, maar liever ga ik schieten. De bal schoppen. Met links, met rechts, binnenkant, buitenkant, uit de lucht, over de grond. Dat kan ik eigenlijk niet meer. Al een jaar of vijf, zes, zeven. Diagnose: een ingescheurde kruisband. Niet verantwoord. Over en uit, zei de specialist. Hij lachte er niet bij. Opereren was geen optie. Te oud. Dat bed kunnen we beter gebruiken. Leer er mee leven.

Moet kunnen, dacht ik. Geen probleem. Er is meer in het bestaan. Boeken, reizen, de tuin, gitaarspelen.

Reyer was vier toen hij op voetbal wilde. Dat mocht. We hebben niet gewacht tot ie zijn zwemdiploma had. Is goed. Jij op voetbal.

De oudste kreeg er buikpijn van. Ook tennis kon hem niet bekoren. Hockey wel. Dat vindt hij leuk. Een andere wereld. Wel een leuke wereld. Ik zie hem dingen doen en ik denk: wat goed. Maar dat denken alle ouders. Hij is een technisch vaardige aanvaller. Dromerig, dat wel. Ik moet denken aan wat iemand in VI ooit over een spits zei: ‘hij scoorde zo gemakkelijk dat ik dacht: waarom doe je dat niet vier keer per wedstrijd? Zo hockeyt mijn oudste zoon.

De jongste is fanatieker. Verlegen nog, maar heel gedreven. Of nee, fanatiek is niet het woord. Een natuurlijke aanleg. Zijn voet schopt overal tegenaan. Ballen in de tuin, blikjes, ballonnen, steentjes, kussens. Dat vinden we niet altijd leuk. Soms moeten we streng zijn, maar ik denk: ja, jongen, doe maar, controleer de kussen.

Hij wil altijd voetballen. Wie scoort op goal. Het half uur wordt drie kwartier.

Raar, ik ben 47, ik sta op een veldje in Sellingen en ik doe iets waarvan ik dacht dat het bij een voorbij leven hoorde, dat leven uit die foto-albums. Ik betrap me erop dat ik het leuk vind. Waarom is dat, denk ik. Omdat het nooit verveelt. Omdat elke bal anders is. Elk schot een nieuwe uitdaging. We stoppen als hij moe is. Niet ik.

Ik smste de zaterdag erop naar mijn vrouw dat Hoogezand F7 – Veendam 1894 F7 een prachtige partij was. Ze smste terug: ‘Moet je zelf niet weer op voetballen?’

dinsdag 4 maart 2014

Voorbij de Watertoren (8) - Willem


Willem is een collega. Een jonge collega. Zeg dat ie twee jaar binnen is, hooguit drie. Eerst als televerkoper, nu als coördinator games. Althans, dat vermoed ik, want eerlijk gezegd heb ik geen idee wat Willem doet. Hij recenseerde eerst spelletjes. Voor Nintendo, pc, PlayStation, of weet ik wat. Dat deed hij naast het verkopen van advertenties. Dat ging heel goed. Zo goed dat er inmiddels een aparte site is en inmiddels doet ie dat niet meer alleen. Nu en dan loopt Willem langs onze bureau’s, met in zijn kielzog een stuk of twee, drie, vier jongens en meisjes die, zo vertelde hij, voor hem games recenseren. Als beloning mogen ze die houden.

Willem heeft een eigen kantoor.

Soms loop ik er binnen om even te bellen. Want het kantoor is vaak leeg. Ik zie er de bizarste dingen. Gadgets. Cadeautjes. Een minizwaard uit Game of Thrones. Een stuur uit Gran Turismo, dat werk. Te vergeven bij acties, voor een stukje service naar de lezers toe, zeg maar. Veel T-shirts en posters. Ook een mooie kist van Jack Daniels. Ik denk niet van een game, maar het is een kist die opvalt.

De recensies van die jongens en meisjes verschijnen in onze week- en dagbladen. Want games, daar gaat veel over tegenwoordig, daar is de jeugd in geïnteresseerd en als krant moet je met je tijd mee.

Willem ziet er cool uit. Altijd een muts op. Gympies, lange zwarte jas, verschoten spijkerbroek, rugzakje. Op een nonchalante manier de juiste kleding om je reet. Zoals alle leden van alle bands in muziektijdschrift Oor er uitzien. Zoals ik er eigenlijk ook zou willen uitzien, maar waarvoor ik eigenlijk een beetje te oud ben.

Als ik een muts opdoe of hippe gympen wil, staat mijn vrouw hoofdschuddend naast me. Mijn vrouw staat vaak hoofdschuddend naast me. Omdat ik dingen doe die volgens haar niet bij mijn leeftijd passen. Maar mannen blijven jongens. Ze worden alleen ouder.

‘Waarom kan dit niet? Is toch hip?’

‘Je bent 48. Dan zijn er grenzen.’

‘Alle mannen lopen met mutsjes.’

‘Maar geen lichtblauwe.’

Als ik vervolgens een colbertje met elleboogstukken pas, iets waarvan ik denk dat zij het meer bij mijn leeftijd vindt passen, is er een nieuw hoofdschudden.

‘Ik dacht dat het intelligent leek.’

‘Dat is niet zo.’

Willem komt binnen op een tijdstip waarop ik mijn eerste pauze heb. Sjokkende tred, ongeschoren hoofd, vrolijke ogen. Tot hoe lang hij blijft weet ik niet. Dat weet niemand. Wie zijn baas is, tot welke afdeling hij behoort, ik zou het evenmin kunnen zeggen. Terwijl deze jonge collega nog geen tien meter verderop zit. In zijn eigen kantoor. Willem is een bedrijf binnen een bedrijf.

Soms staat ie bij ons bureaublok. Lullen over voetbal. Over FC Groningen. Dat is het enige wat ik van hem weet. Dat hij elke twee weken in de Euroborg zit. Afgaand op zijn verhalen niet ver van de Z-side. Hij wist ook van tevoren dat het mis zou gaan in Haren, dat wat we nu Project X noemen.

 ‘Daar komt niemand’, had ik die vrijdagmiddag tegen mijn uitgever gezegd, ‘waarom zou je ergens heen gaan waar niks is?’

Willem lijkt me geen man voor een gezin. Meer iemand voor ongure kroegen in ongure buurten. Of supporterscafés in volkswijken. Soms vraag ik me af of hij zijn vitaminen wel krijgt. Eet je wel gezond, jongen? Af en toe een geperst sinaasappeltje is goed voor je. Kiwi’s ook. Elke dag een appel.

Andere collega’s, de mannen die sinds jaar en dag de weekbladen maken, mannen waarvan ik weet dat ze wél gezinnen hebben, die kijken soms bedenkelijk naar Willem. Wij, want ik hoor daar ook bij, schrijven al veel langer voor de krant. Degelijke stukjes, want wij zijn degelijke mensen. Wij schrijven over wat degelijke mensen bezighoudt.

Mijn collega’s vinden die games daarom niks. Verderfelijk vrijetijdsvermaak. Gaat alleen maar over schieten, mensen het hoofd afhakken, huurmoordenaars, over fantasy figuren in een fantasywereld. Altijd maar vechten. Dat beaam ik, want mijn zoons zijn er ook verslaafd aan. Gaat dus nergens over, zeggen mijn collega’s.

Misschien.

Maar Willem is de toekomst. Wij niet.

maandag 3 maart 2014

In het atelier, een klein IM voor Lucas

Lucas van der Pol (1935-2014) is overleden, las ik zaterdag in het DvhN. Ik kende hem een beetje. Een keer geïnterviewd, een keer bij hem gegeten, paar keer met hem gedronken. Aardige kerel, bourgondiër, Nieuw-Guinea veteraan en ietwat ondergewaardeerd als kunstenaar. Bij een van de bezoeken kocht ik onderstaand portret. Daarom een klein IM, een stukje dat eerder in de Gezinsbode verscheen.


In het atelier

Kom vrijdagmiddag, zei de Kunstenaar. Er kwam Nog een Kunstenaar en even na mij, arriveerde ook de Dichter. Het atelier bleek zoals gewoonlijk gevuld met ongelooflijk veel rotzooi, onduidelijke potjes en in de keuken stond een stenen piramide op het vuur te pruttelen. Had iemand gezegd dat ze er uranium verrijkten, had ik het ook geloofd. Ergens tussen de schilderijen zaten wij aan een grote tafel, met achter ons in een inloopkast de grootste voorraad wodka die ik ooit bij een mens thuis had gezien.

De Kunstenaar schonk met brede lach en gulle hand. Zelf mocht ik slechts een, want om vijf uur moest ik Hunter ophalen, maar de Dichter en Nog een Kunstenaar dronken het als limonade. De gevolgen waren desastreus. Werd in het eerste uur iedereen uit de stadse kunstwereld nog enthousiast voor klootzakken en amateurs uitgemaakt, daarna verzandde het gesprek in een ongelooflijk gewauwel.

De Dichter, de Kunstenaar en Nog een Kunstenaar hadden steeds meer moeite om zinnen te vormen. Dat viel extra op omdat ik strak nuchter was en als een soort intermediair bij een ieder de halve woorden, ellenlange pauzes, wilde kreten en priemende wijsvingers voor de anderen moest vertalen naar een begrijpelijke opmerking. De Dichter, de Kunstenaar en Nog een Kunstenaar vielen elkaar ook om de haverklap om de hals, wat de verstaanbaarheid eveneens niet ten goede kwam.

Uiteraard ging het drinken vrolijk door, waarna een fase met angstaanjagend gebrul aanbrak, daarna een met nog angstaanjagender stiltes en na het wegvallen van de spraak begon bij de een na de ander de motoriek te haperen. Gedrieën keken ze elkaar twintig minuten lang zwijgend aan en toen De Dichter weg wilde (tenminste, dat maakte ik er uit op), lukt het hem maar niet om op te staan. De Nog een Kunstenaar zag ik in de smalle gang afwisselend voor en achterover vallen (naar later bleek had ie er staan zeiken) en de Kunstenaar zei dat kunst helemaal niet bestond.
 
Het was Jiskefet, Kafka en Monty Python ineen, al was ik voor de eerste keer bang. Met zo’n voorraad wodka hadden ze zich alledrie dood kunnen zuipen. Toen de vriendin van de Kunstenaar binnenkwam, deed ze het enige logische: ze schudde misprijzend het hoofd.