dinsdag 31 mei 2016

Een berichtje via Twitter over dichteres Anneke Claus., die gisteren te gast was in Glasnost, cultuurprogramma van OOGTV, liet mij vandaag niet los. Als ik het goed heb begrepen: ze vond zes jaar lang dat ze niks te zeggen had, dus schreef ze zes jaar lang niet. Nu weer wel en dat wat ze na die stille periode schrijft schijnt erg goed te zijn. Volgens Glasnost. Ik kan het beamen noch weerleggen, want ik ken het nieuwe werk niet.

Dat intrigeert mij mateloos. Dat je zegt: ik heb niks te zeggen, dus ik zwijg. Ik ken Anneke een beetje en ze gaat volgens mij niet aan de kant voor extremiteiten, dus het verbaast me geenszins, maar zou ik dat zelf ook kunnen, zwijgen? Ik denk er al een tijd over na, om voorlopig te stoppen. Ook ik vind al een hele tijd dat ik niks te zeggen heb.

Maar op de een of andere manier blijf ik schrijven.

Een van de reden is dat ik dit dag/weekboek begonnen ben als zeg maar literair experiment en dat ik vind dat je dan niet na bijna een jaar alweer kunt stoppen. Dat moet even wat langer. Ook al omdat dagboek een genre is in de letteren. Er zijn schrijvers die hun hele leven een dagboek hebben bijgehouden. Dat wil ik ook.

Wat eveneens van belang is: je legt dingen vast. Ik schrijf nu op hoe ik over dingen denk, wat ik zoal doe op een dag, hoe het mijn gezin vergaat (al komt mijn vrouw er vaak bekaaid af, maar dat is een beetje een vorm-ding) en, misschien nog het belangrijkste: ik ben benieuwd of ik iets leesbaars kan maken van de dingen van alledag.

Juist omdat ik niks te zeggen heb, ben ik echt aan het schrijven, hou ik me voor.

Eerlijk gezegd zie ik nog niet de literaire waarde van wat ik met dit dag/weekboek aan het doen ben. Het is vooralsnog vastleggen, het is niet heel goed geschreven of zo. Een enkele keer zit er een stukje bij waarvan ik denk, mwoah. Dat zou ik dan wel wat meer willen, maar dan moet je er voor gaan zitten en daarvoor ontbreekt een beetje de tijd. Het gaat nu ratsrous, tussen het leven door.

Zo kon ik gisteren niks maken omdat ik bij een raadsvergadering in Loppersum zat. Om elf uur thuis, viel mee nog en daarna moest ik ontspannen. Borrel, stukje knoflookworst en seizoen 2 van Bloodline.

Ik ben er dus nog niet uit, qua methode Claus. Enerzijds denk ik, bravado, anderzijds ben ik zelf van de lange adem. Gewoon doorbuffelen ook al zit je met afgrijzen te kijken naar wat op het scherm verschijnt. Dat heeft ook wel iets. Als je maar genoeg schrijft, zit er vanzelf iets goeds tussen, dat idee. Knausgard, daar istie weer, deed het in Mijn Strijd min of meer op die manier. De Noorse auteur vond dat ook de slechte stukken moesten blijven staan en wat mij in zijn schrijfsels fascineert zijn die beschrijvingen van alledag, waarschijnlijk die stukken die elke redacteur er als eerste zou uithalen.

Het gekke is, zoals ik het vóór dit weekboek deed op deze blog leverde dat volgens mij betere stukken op. Ik schreef één keer per week een column, daar ging ik even voor zitten en dan kwam het regelmatig voor dat ik dacht: zo durf ik het wel los laten.

Dat leverde op deze blog met een beetje geluk tussen de honderd en honderdvijftig views op. Uitzonderingen daargelaten, zoals de open brieven aan Henk Kamp en mijn zoons, terwijl ik nu per stukje toch gauw op vierhonderd zit. Een kwestie van de lange adem, vermoed ik.

Die minimaal vierhonderd verplichten bijna om er elke dag iets uit te rammelen, terwijl, als ik diep in mijn hart kijk, het liefst in alle stilte weken, maanden zou willen bastelen aan een kort verhaal. Die kant moet ik sowieso op.

Daarom heb ik bewondering voor Anneke C. Want die is natuurlijk wel blijven doorschrijven. Alleen hield ze het voor zichzelf.

donderdag 26 mei 2016

Een vogeltje op de weg. Bloederig hoopje. Kat, auto, of roofvogel. Ik ben onderweg naar Zuidbroek, voor een afspraak in Van der Valk. De zon schijnt en dat verbaast me, na al die dagen regen, maar de dood, de vergankelijkheid, is opeens overal om mij heen.

Het blijft niet bij de ene vogel in onze straat. Ik zie een dode eend en als ik langs het Slochterbos rij valt mijn oog op nog wat. Koolmeesje of zo, afgaand op de kleuren. Op de Botjesweg, even voorbij het Zandgat, ligt de helft van een egel.

Tja.

Daar lig je dan, qua leven.

Ze zijn de dag, de week, ongetwijfeld als alle andere begonnen, maar nu zijn ze dood. Zoals meer dieren, die ik niet zie. Wij wonen in een bosrijke omgeving en ik realiseer me vaker dat het daar ’s nachts, als wij slapen, moord en doodslag is. Mol eet worm, roofvogel eet muis en vos eet haas. Plus alle huiskatten die er op uit trekken. En wie weet wat voor gruwelijks er op microgebied allemaal gebeurt met pissebedden, slakken, bacteriën, organismen en torretjes. Terwijl wij ons nog eens zuchtend omdraaien moet een aantal soorten maar zien dat ze de ochtend halen.

En dat lukt heel veel natuurlijk niet, anders zouden mol, roofvogel en vos niet overleven.

Zelfde verhaal in het water. Een snoek eet visjes. En snoeken zitten er genoeg, dus zijn er veel visjes bij wie niks is terechtgekomen van hun rol met betrekking tot het in stand houden van de soort.

Ik moet denken aan wat een beheerder van Het Groninger Landschap mij vertelde over gruttojongen. Als die uit het ei komen moeten ze in tien dagen tien keer in gewicht toenemen en dat lukt alleen als ze per dag iets van 2.000 vliegjes eten. Dan zijn er dus 2.000 vliegjes de lul. Ook levende wezens. En omdat er meer dan één gruttojong in Nederland is, gaan er in een etmaal dus honderdduizenden, zo niet miljoenen vliegjes doorheen. Zijn die alleen geboren om als maal te dienen?

Ik loop in de valkuil dat ik het menselijk besef van de eeuwigheid projecteer op dieren. Dat moet ik niet doen, want zij zijn zich dat niet bewust. Dat zei de dierenarts toen ik de hamster liet inslapen. Daar voelde ik me schuldig over, omdat ik een leven beëindigde.

Maar dat moest ik anders zien, zei zij. Het diertje was immers niet bezig met dingen die ze nog had willen doen. Of zo.

Nee, maar even goed was het nu dood.

Daarbij zet ik vraagtekens bij het gebrek aan het besef van de eindigheid der dingen bij dieren. Waarom zet een impala het dan op een lopen als er een leeuw aan komt rennen. Hij weet dondersgoed dat-ie er anders aan gaat.

Maar ook al hebben die dieren dat soort emotie’s misschien niet. Ik wel en ik denk maar niet al te vaak aan hoe het er ’s nachts in het bos aan toe gaat.

Waar ik helemaal van slag van ben is wat gebeurde even nadat ik vanaf de Hoofdweg de Noordbroeksterweg opdraaide, nog voor het begin van het Slochterbos. Er vloog er iets voor de voorruit langs en ik hoorde een bonk omdat dat iets de motorkap raakte en aan de andere kant in de struiken verdween. Ik kon niet zien wat het was - duif, merel, of pinguïn - maar de tik was ferm en ik vraag me al de hele dag af of de vogel met de schrik vrijgekomen was, er slechts een lichte schaafwond aan over heeft gehouden, of erger: een vleugel heeft gebroken en hem niets anders restte dan een trage en wellicht pijnlijke dood.

woensdag 25 mei 2016

Een bekentenis. Het is mogelijk dat wij elkaar morgen, volgende week, op een dag ooit, treffen. En dan kan het zijn dat u zegt: ik ruik iets. Drank. Schrik niet. Ik ben dan niet lam. Of ontoerekeningsvatbaar. Het kan zijn dat ik net één glaasje wijn heb gehad. Of jenever. Of whisky, port, whatever. Dat vind ik soms lekker, ook al is het geen zaterdagavond, of staan we op een feestje of zijn we aan het barbecuen, maar is da top een ongebruikelijk uur.

Daar doen we in Nederland nogal krampachtig over, geloof ik. Althans, je hebt zo een naam. Een zoepsteern, zoiets. Altien doen. Terwijl dat niet hoeft te zijn.

Ik kom tot deze bekentenis, omdat ik vandaag aan Mangup Milko, mijn boek over de Macedonische voetballer Milko Djurovski, heb gewerkt en ik schreef aan de scène waarin ik Nenad Bjekovic spreek, in een klein café in Belgrado, waar vooral aanhangers van Partizan Belgrado komen, de club waar onze held speelde alvorens hij naar FC Groningen kwam.

Het is maandagochtend 7 maart, half twaalf, Bosko Djurovski heeft mij aan de oud-Partizan-trainer voorgesteld en ik zet nit of Milko’s oudere broer vraagt: ,,Slivovitsj, Herman?’’

Hij neemt er zelf ook een en Bjekovic gaat aan de Jack Daniel’s.

Ik had nauwelijks ontbeten, de geur van tandpasta hing nog in mijn mond en mijn haren waren nat van het douchen, maar vond het onbeleefd om ‘nee’ te zeggen en bovendien: ik spuug er inderdaad niet in.

Het liep daarna wat uit de hand, omdat na die ene nog een paar volgden en we na een uurtje afscheid namen van Bejkovic om daarna te gaan lunchen met Dusan Savic, oud-spits van Rode Ster Belgrado, maar ik voelde me opvallend goed. Ietwat licht in mijn hoofd, dat wel, maar verder als een zonnetje.

Terwijl ik vanochtend bezig was die ontmoeting te beschrijven, zag ik dat het 11.00 was en ik kreeg zin. Om in de stemming te blijven schonk ik een jenever in. Dat drink ik soms. Uit de diepvries. Het hoort eigenlijk niet, want je bevriest de smaak, maar bij bier is het heerlijk.

Al schrijvende en nippende voelde ik me al vrij snel intens licht worden. De alcohol deed zijn werk op de ook nu zo goed als nuchtere maag en mijn vingers rausden over het toetsenbord.

Als ik écht alcoholist was geweest dan was het niet bij die ene gebleven, dan was de fles leeg gegaan. Maar dat deed ik dus juist niet. Ik liet het bij één glaasje, stopte om kwart voor twaalf met tikken, ging me douchen, haalde de jongste op van school, warmde de soep van mijn vrouw van gisteren op en schoof om één uur weer achter de laptop.

Wij, en wij niet alleen, gaan graag op vakantie naar Frankrijk. Een van de reden is het mooie weer, de andere is de benadering van het leven daaro. Op de camping, op een terras voegen wij ons naar de mores van de streek. Dan zitten we net als de locals vroeg aan wijn, pastis of calvados. We hebben tenslotte vakantie en dan fantaseren we over emigreren, stoppen met werken en wat al niet meer en we spreken hardop uit dat we best jaloers op die Franzosen zijn. En op Spanjaarden en Italianen en ook op inwoners van Servië. Die leven meer bij de dag, intuïtiever, begeven zich meer buiten dan binnen de lijnen van wat hoort en wat niet en het is net of ze daardoor meer genieten. Daarover filosoferen wij dan, onder het genot van een glaasje bij de lunch, of nog eerder en dan zeggen we: eigenlijk moeten wij dat ook meer doen, genieten.

Maar we doen het nooit.

Ik heb vandaag een stapje in die richting gedaan. Ik ben nu vijftig, ik maak keuzes. Ik laat me niet meer alles aanleunen, doe steeds minder dingen waar ik geen zin meer aan heb, laat de sociale conventies vieren en ik doe daarentegen meer dingen waar ik wel zin aan heb. Zoals soms een glaasje op een laten we zeggen ongebruikelijk tijdstip. Dan kan het dus zijn dat, als wij elkaar net daarna tegenkomen, dat u denkt: goh, die vent stinkt naar drank.

Klopt, maar ik ben dan niet dronken.

Ik leef.

dinsdag 24 mei 2016

Het is regelmatig dat ik dinsdags eind van de middag een appje krijg met de tekst: wat eten we? Dat is dan van mijn vrouw. Zij is tijdig thuis om de jongste van school te halen. Meestal gaat ze aan de keukentafel zitten werken. Daar is in principe niks op tegen. Behalve dat de focus dan niet ligt op het op zeker moment opstarten van het gasfornuis voor het bereiden van een sobere doch voedzame maaltijd. Dat realiseert ze zich doorgaans tegen een uur of vijf, half zes.

Ik reageer meestal met: ‘Weet ik niet’, of: ‘Als ik naar huis rij neem ik wel wat mee’, of, als ik in een grappige bui ben: ‘Ik ben benieuwd!’

Dit verhaal heb ik vaker verteld, maar ik moest er aan denken toen ik vanmiddag thuiskwam. Om een uur of half zes. In een leeg huis. In ieder geval zonder vrouw. Dat wist ik, omdat ze vanochtend had aangekondigd dat ze naar de kapper zou zijn. Op de een of andere manier had ik verwacht dat er een pan met eten klaar stond. Wat ik zo op kon warmen. Soep desnoods.

Maar het huis was leeg en koud. De verwarming stond niet aan, de jongste zat op een slaapkamer te gamen en de oudste kwam van de plee.

Ik had honger, dus ik appte: wat eten we?

Zero reactie.

De tijd was beperkt, omdat ik om kwart over zes de oudste naar hockey zou brengen.

,,Hebben jullie honger?’’, riep ik door het huis.

,,Ja’’, klonk het tweestemmig.

,,Zin in knakken?’’

,,Jaaa.’’

Ik pakte een kleine steelpan, trok de deksel van een blikje runder light, mieterde de 12 stuks in het pannetje en zette het vuur eronder. Daarna liep ik naar de schuur, haalde de juspan en de overgebleven aardappelen van gisteren. Mijn schoonvader kookt elke maandag en dan blijft er wel eens wat over. Meestal ook twee stukken kipfilet en die lagen ook nu in de koelkast. Ik ontdekte tevens een bakje rookspekjes, cherrytomaten en ging aan de slag.

De knakworsten waren inmiddels klaar, ik verdeelde ze over twee schoteltjes, voor de een mosterd erbij, voor de ander mayo en bracht de heren hun voorgerecht.

Daarna appte ik mijn vrouw: laat maar, hebben al. Jij moet even voor jezelf zorgen.

Ik liep terug naar de keuken, bakte de spekjes in de overgebleven jus, sneed de kipfilet in stukjes en schoof die erbij. De aardappels decimeerde ik en hup, ook in de pan. Oudste zoon keek over mijn schouder en zei ik dat hij morgen zin had in aardappels met ei.

,,Kan nu ook. Ik klap hier zo een paar eieren in. Kleed jij je alvast om?’’

,,Is goed.’’

We hadden gelukkig eieren. Ik pakte er drie, klopte ze even en goot ze over aardappelen, spekjes en kip, dat ik een beetje dichter bij elkaar in de pan had geschoven. Het duurde maar even of de ei stolde. Daaromheen legde ik de tomaatjes, bakte die even mee, zette drie borden op het aanrecht en na nog een keer roeren verdeelde ik het baksel over drie borden. Er was net genoeg voor drie.

Omdat het inmiddels zes uur was, hadden de oudste en ik precies een kwartier voor deze sobere doch voedzame maaltijd en net voordat ik de laatste hap naar binnen schoof ging de voordeur open en stapte mijn vrouw even later de kamer binnen. Ze showde haar nieuwe kapsel en dat leek mooi, dat zag ik zelfs, waarna ze de keuken inliep, niks vond en vervolgens haar hoofd om de hoek stak: ,,Heb ik niks?’’

,,Nee, der was net genoeg. Had ik trouwens geappt. Dat je even voor jezelf moest zorgen.’’

,,Oh. Heb ik niet gezien.’’

Ze ging nadenken over wat ze zou eten. Ik zei de oudste dat het tijd was en wij stapten in de auto. Hij was precies om kwart voor zeven op het hockeyveld, waarna ik naar gitaarles reed en na 25 minuten weer naar Hoogezand tufte, de laatste twintig minuten van de training meemaakte, zag dat de tweet met de link naar mijn bijna tien jaar oude Bob Dylan-verhaal op de DvhN-site, vanwege de 75e verjaardag van His Royal Bobness, driftig werd geretweet, waarna we huiswaarts reden.

Ik had de voordeur nog niet open of ik rook het: mijn vrouw had gekookt. Soep.

maandag 23 mei 2016

Ik zit in de auto, draaide de Groot Hemerterweg op, even na Ten Post en zet koers richting Delleweg. Het is even na half vijf in de ochtend en mijn vrouw heeft me half slapend gedag gezegd, met haar wijsvinger op haar voorhoofd.

De wegen slingeren door het platteland in Midden-Groningen en elke keer als ik vanaf Slochteren naar een dorp of streekje in mijn werkgebied rij, zit ik minimaal één keer bijna in de sloot. Zelfs als je groot licht voert blijft het voortdurend oppassen vanwege de bijna haakse bochten. Waarom ik hard rijd weet ik niet. De TomTom zegt dat ik keurig op tijd ben, ik kom zelfs steeds vroeger aan als ik de timer mag geloven en toch doe ik niet rustig. Het is mijn ingebakken streven om nooit te laat te komen.

Ik luister naar J.J. Cale, die zingt van ‘Carry On’, maar mompel tegelijkertijd ‘Wer reitet so spät durch Nacht und Wind’. Die regel ken ik niet omdat ik de werken van Goethe heb bestudeerd, het is sinds ik voor de eerste keer ‘Lotgevallen rond een locomotief’ las, een van de avonturen van Arie Roos, Bob Evers en Jan Prins.
 
Prins zingt het als hij midden in de nacht met een rangeerloc door Mexicaans mijnbouwgebied rijdt.

Ik stop om tien voor vijf in een Onderdendam, bij het opgegeven adres. De huisnummers zijn niet goed te onderscheiden, dus ik kijk naar waar licht brandt, maar de man met wie ik heb afgesproken komt uit het huis ernaast.

Dat zie ik overigens als ik zijn hond ontwaar. Of meer precies haar lichtgevende halsband.

Het regent dat het giet en gedurende onze wandeling blijft het regenen als een gieter.

De afstand die we lopen is niet heel groot, zeg 500 meter, maar het gesprek omvat een universum. Van de positie van de aarde in het heelal, via het waarom van de namen van de drie Middeleeuwse kerken die we deze keer niet kunnen zien, tot nut en noodzaak van Fluitekruid.

Het opschrijfboekje kan ik na drie zinnen opbergen, kleddernat en er zit weinig anders op dan het interview met de iPhone op te nemen. Onderweg krijgt de hond een schop. Niet heel hard. Ik denk eerst dat het is om hem bij weidevogelnesten weg te houden, maar het is om te voorkomen dat hij in het grasland poept. Boeren willen dat niet. Die vrezen voor de bacteriën in die poep, al is dat volgens de man onzin.

Toch houdt hij er rekening mee. Met een papieren zakdoekje pakt hij de drol op, om hem, met papieren zakdoekje en al, aan de andere kant van het pad in de sloot te gooien.

We staan nog even stil voor het hoogholtje over het diep en nemen afscheid. Ik ben drijfnat, rijd dezelfde weg terug en stap om zes uur mijn eigen huis weer binnen. Ik kan nog één uur slapen tot de wekker gaat.

donderdag 19 mei 2016

Op een plek langs het Slochterdiep staat een groep bomen. In een soort rechthoek. Het ziet er uit als een spirituele plek. Dat zou kunnen, maar dat is het denk ik niet. De bomen bakenen de grens af van het erf van een boerderij die er niet meer staat. Die was eerst heel lang een ruïne en nu is het al heel lang een lege plek. Met bomen er omheen.

Die boerderij, daar keek ik altijd naar. Ik vond het mooi, zo’n verlaten huis. Van mij hadden ze het pand mogen laten staan, laten vervallen, totdat het op de een of andere manier ingestort was en vanzelf tot stof zou vergaan. Maar dat doen we niet. Dit is geen land van ruïnes.

Daar kun je geen regels voor verzinnen.

Als ik er langs reed, vroeg ik me af wie er gewoond hadden. Hoeveel generaties. Die boerderij stond er – schat ik – vanaf het begin van de vorige eeuw. Afgaand op de bouw zal het in de jaren tien of twintig zijn neergezet, zoiets.

Daar woonden dus mensen. Ze zullen gewerkt hebben, op het land om de boerderij. Er zullen kinderen geweest zijn. Die stonden als baby’s wellicht in een wiegje onder de bomen. Of in een box. Zodra ze konden lopen verkenden ze de buurt. Eerst alleen het erf, daarna het omringende land, de bossen, het water. Ze zullen zijn wezen vissen in het Slochterdiep. Een hengeltje van bamboe en pap, pap, help, ik heb een snoek aan de haak. Al is de vraag of pap, pap, tijd had om te kijken. ’s Winters wel, maar voorjaar en zomer niet. Ook toen was het dan druk.

Er zullen dieren zijn geweest. Katten, voor de muizen. Honden, om de wacht te houden. Ik zou op die plek willen kijken, of er dierengraven zijn. Moet haast wel. Al weet ik niet hoe lang botjes blijven liggen.

Seizoenen zijn er voorbij gegaan. Zomers en winters. Van avonden waarbij de mensen tot laat buiten zaten. Met een heldertje voor opa, een advocaatje voor oma, want die bleven daar ook wonen, terwijl de kinderen op hun rug in het gras naar de sterren keken, tot dagen waarbij het kraakte dat het vroor, met sneeuwpoppen maken, schaatsen op het dichtgevroren diep en warme chocolademelk bij de kolenkachel.

Ik weet niet wie er gewoond hebben, maar ik wil van hun levens weten. Hoe vonden de mensen het daar? Dachten ze na over de zin van alles? Of deden ze slechts hun ding? Omdat het toen nog niet zo gewoon was als nu, lang bij dingen stil staan. Alles wat je hoefde te weten stond in de Bijbel. Je stond vroeg op, werkte, zorgde dat er brood op tafel kwam en op tijd onder de veren, want de volgende ochtend ging vroeg de wekker weer.

Zullen er nu kinderen zijn, kleinkinderen, die naar elders zijn verhuisd en zich de boerderij zullen herinneren, de plek waar ze opgroeiden, waar ze kind waren, het land van hun jeugd?

Ik hoop dat ze warme gedachten bij die plek hebben. Dat ze toch wel wat met weemoed terugdenken aan de jaren des onschulds.

En ik hoop dat de bomen blijven staan en ooit, als die bomen maar lang genoeg blijven staan en heel groot worden, zal er over tientallen jaren iemand anders zijn die de plek opvalt. Die er gaat kijken, die zichzelf vragen stelt en die wellicht een botje vindt, van een dier dat er ooit begraven is, of een plastic pop, die lang geleden kwijt is geraakt en dan zal die iemand wellicht zeggen: goh, dit was een spirituele plek.

woensdag 18 mei 2016

Of nee, toch weer heel veel last van de schouder vandaag. Niet normaal. Dus toch iets anders dan spannings, vrees ik. Merkwaardig ook: ik heb de laatste weken een ongelooflijke trek in chocolade met nootjes. Ook was ik vandaag in Stadion De Langeleegte, jawel, de legendarische thuishaven van SC Veendam en als oud-zwarte man beleefde ik derhalve een emotiemomentje en in dat stadion was ik getuige van het schoolvoetbal. Mijn jongste zoon doet als groepzesser mee met de groepen zeven en acht en in de laatste wedstrijd maakte hij een sliding waarna zijn tegenstander hem natrapte en hem op de arm schopte en toen de scheids die speler het veld uitstuurde maakten de ouders van die ploeg nogal wat amok over die veldverwijzing en ik dacht ook: wat is hier allemaal aan de hand mensen, want ik had zoiets: voed je kind toch beter op, maar ik vond het raadzamer om de hele handel op te pakken en te maken dat we weg kwamen want A: hadden we toch alles verloren en B: tegen domheid win je het nooit en daarna bracht ik hem naar zijn eigen training en toen ging ik bami koken en wie een verband in dit alles ziet mag het zeggen.

Een opmerking nog: aan al die mensen die na de winst van Max Verstappen menen dat we nu ook een woordje meepoepen in de Formule 1: Nee, Max reed, wij keken toe (sic: Jerry Seinfeld).