dinsdag 15 september 2015

Het was gisteren al met al even na twaalven dat de nachtchef me naar huis stuurde. Niet alle pagina’s waren door, maar de laatste zouden ze zelf checken. Hectisch werd de correctiedienst geen moment; het was een avond van – en ik vind dit een geweldige uitdrukking – dood katoen. Ofwel, weinig te beleven.

Een enkele keer druppelde een collega binnen die op reportage was geweest en daar een stukje voor de volgende dag (vandaag dus) van maakte. Op televisie zie je mensen altijd wild krantenredacties op rennen, in het echt valt dat reuze mee. Zelfs een demonstratie in de stad, vóór de komst van vluchtelingen, verliep zonder tikkerij.

Dat gaf me de gelegenheid tussen de bedrijven door een spelletje te spelen. Ik heb het sinds kort op mijn iPhone. Het heet BubbleExplode en ik ben er, vrees ik, een beetje verslaafd aan. Dat verbaast me zelf. Een keer of wat per dag word ik door Jan en alleman uitgenodigd Candy Crush Saga of andere ongein te spelen en ik vind me dat een armoede. Hebben die mensen wel een sociaal leven, vraag ik me dan af. Echter; nu ik door heb hoe het virtueel belletjes laten knappen werkt, kan ik er geen afscheid van nemen. De truc is ze in formaties te laten exploderen.

Het gamen voorkwam niet dat ik aan het einde van de avond steeds vaker begon te gapen en ik was blij dat ik naar huis mocht en om half een in mijn bed lag. O ja, het mooiste woord dat ik op de pagina’s tegenkwam was ‘gekokkeld’. Het klonk als iets dat heel lekker is als ze het bij je doen.

Ik kan nu wel vertellen dat ik voorafgaand aan de correctiedienst een biertje heb gedronken. Mijn schoonvader kookte zoals elke maandag en die wilde, zoals ook elke maandag, voor het eten een biertje drinken. Zoiets kun je niet weigeren.

We mogen na een correctiedienst later beginnen, maar ik zat vanochtend gewoon om kwart voor negen achter mijn bureau. Met kinderen gaat de wekker hoe dan ook om zeven uur. Compenseren doe ik donderdagmiddag. Dan moet ik eerder weg, want dan wordt mijn nieuwe columnbundel De eeuwige Veenkoloniaal gepresenteerd en dan is het wel handig dat je daar zelf bij bent.

 

Een rare werkdag was het trouwens. Ik zat vandaag meer in de auto dan achter de laptop. Om half elf koffiedrinken bij de afdeling voorlichting van de gemeente Bedum, daarna moest ik de fiets van mijn oudste zoon bij zijn school in de stad oppikken, hem op de bus naar huis zetten en een uur later stapte ik vloekend in de auto richting Slochteren omdat zoonlief belde dat hij daar voor een dichte deur stond. De huissleutel zat vast aan de fietssleutel die nog in het slot zat van de fiets die achter in mijn auto lag op de parkeerplaats in Groningen.

Eenmaal terug op het werk kon ik een half uur later opnieuw naar Bedum voor de in bruikleengeving van een schilderij met een verhaal. Het artikel daarover vlotte matig, dus ik verwachtte tijdens het kijken van de Champions League-wedstrijd tussen PSV en Manchester United half en half dat ik zuchtend gebeld werd door de eindredactrice die gisteren nog zo aardig was me een kopje koffie te komen brengen.

maandag 14 september 2015

De lange dag die ik deze maandag moet doorkomen begint niet goed. Ik sta om zes uur op, wil gaan joggen, maar zit tien minuten later op het toilet. Omdat ik daar weer tien minuten later nog zit en me ineens allesbehalve okselfris voel, lijkt het me onverstandig te gaan sporten.

Er zit niets anders op weer in bed te kruipen, om krachten te sparen. Na het dagelijks werk wacht immers de correctiedienst. Dat is een fenomeen waartoe iedere redacteur of verslaggever eens in de zoveel tijd wordt geroepen. Je leest alle pagina’s van de krant van morgen en checkt de teksten op spelling- en grammatica en andere omissies. Dat heet: De Tegenlezer en dat begint zo rond zeven uur ’s avonds en als je geluk hebt ben je om half elf klaar en als je pech hebt om half twaalf.

Ik zie er nooit tegenop, maar het betekent wel dat je laat thuis bent.

Mijn vrouw meldde dat het niet zo verwonderlijk was dat ik me niet lekker voelde. Dat deed zij ook niet en onze zoons klaagden ook al over moeheid en andere pijntjes. De griep gaat rond, schijnt het. Tussen het aankleden en ontbijten door was het derhalve een gezucht en gesteun – wat overigens vaker voorkomt op maandag – en besloten we dat we een keer gewoon met ons vieren een dag thuisblijven.
 
Een soort van gezinsbaaldag. Iedereen meldt zich ziek en met zijn allen met versgeperste sinaasappelsap op de bank voor de buis. Wanneer we dat doen, daar moeten we het nog maar eens over hebben. Het gaat vandaag in ieder geval niet gebeuren. Op de een of andere manier lukt het om het hele kippenhok bijtijds de deur uit te krijgen.

Maar ik neem me wel voor om vroeger naar bed te gaan. Is beter voor het gestel. Misschien moet ik van slapen een soort hobby maken. Mijn vrouw en ik vielen zondagavond beide al op de bank in slaap, terwijl we via Netflix de eerste aflevering van Narcos keken. Leuke serie trouwens.

Onderweg naar het werk, wanneer het katterig gevoel niet overgaat, bedenk ik, zoals mannen vaker schijnen te doen, dat het wel iets meer kan zijn dan griep. Wat als het de voorbode is van een ernstige aandoening? Allerlei doemscenario’s passeren de revue en ik ben zelfs al bezig de muziek uit te zoeken. R.E.M. – Losing my religion, Kathleen Edwards – Goodnight California en Led Zeppelin – Stairway to Heaven en dan in de uitvoering met Ann en Nancy Wilson van Heart.

vrijdag 11 september 2015

Ik vertrouw het toilet op ons werk niet. Het is opnieuw een item, omdat ik sinds de vakantie weer een bureau heb aan de Lübeckweg in de stad Groningen. Ik werkte zeventien jaar in dat gebouw, zat daarna achtereenvolgens in Winschoten en Assen en nu ik wederom dagelijks naar ons hoofdgebouw rij, moet ik mezelf er voortdurend aan herinneren mijn iPhone mee naar de wc te nemen.

Dat komt omdat een collega er eens een heel weekend opgesloten zat. We schrijven de jaren dat er nog geen mobiele telefoons bestonden - of misschien ook wel - en toen tijdens zijn toiletbezoek de klink er af donderde, kon de man er niet meer uit. Zonder telefoon was hij niet in staat alarm te slaan.

Als ik het goed heb gebeurde het op vrijdagmiddag of –avond en die man kon schreeuwen wat hij wilde, er was niemand die hem had kunnen horen. Zelfs al had er een collega in het gebouw vertoefd. De toiletgroep bevond/bevindt zich in een uithoek van het gebouw.

Pas op zondagavond, toen de eindredactie langzaam binnendruppelde om de maandagkrant te maken, werden zijn kreten gehoord.

Het meest fascinerende aan het verhaal was dat hij uit de toiletpot gedronken had om niet uit te drogen. Al is het, als je het beredeneert, minder goor dan je denkt. Immers, een paar keer goed doorspoelen en je hebt schoon water.

Zijn probleem was ook dat hij, als alleenwonende man, niet gemist werd.

Ik ga waarschijnlijk wel gemist worden, als ik op vrijdagavond niet thuiskom, maar of dat veel helpt weet ik niet, want geen mens weet natuurlijk waar te zoeken.

Ik vergeet mijn telefoon trouwens altijd.

donderdag 10 september 2015

Als ik ergens een hekel aan heb is het trakteren omdat je jarig bent. Je loopt het kantoor binnen met een met aluminiumfolie bedekte schaal en dat voelt onhandig. Iedereen kijkt zo van: hé, er is iets met hem en daar was ik in mijn jonge jaren al geen fan van. Ik kom nooit verder dan schaapachtig knikken.

In voorgaande jaren loste ik dat op door bij de bedrijfskantine een schaal kroketten te bestellen, maar voor de verandering had ik taart gemaakt.

Het is, en dat durf ik wel te zeggen, mijn specialiteit: chocoladetaart. Een recept van Jamie Oliver en op de een of andere manier lukt hij altijd. Ik vind er zelf niet veel aan, maar net als in familiekringen werd er op het werk met smaak in gehapt. Sommige collega’s namen twee keer.

Het was min of meer het hoogtepunt van de werkdag, tijdens welke ik mij matig voelde. De dag na de avond tevoren, zoiets. Omdat je jarig bent hap je gretig in de whisky, drinkt daarna bier omdat je dorst krijgt en je eet net een bord te veel bonensoep zodat je gaat slapen met een volle buik en met een brak gevoel wakker wordt. Al had ik geen kater.

Gelukkig was het relatief rustig. Een stukje gemaakt over of Bedum in februari een waarnemend burgemeester krijgt, wat voor de hand ligt omdat er een gemeentelijke herindeling in Groningen zit aan te komen, of toch een echte. Dat laatste ligt iets minder voor de hand, maar je weet het niet.

Een andere klusje ging over het bezoek van minister Stef Blok aan Bedum en Loppersum. Een werkbezoek. Daar komt bijna nooit iets interessants uit voort, maar je kunt het je ook niet veroorloven om er niet bij te zijn. Stel dat zo’n man ineens wilde dingen gaat roepen.

De Lopsters bij wie Blok op visite ging waren ook alleraardigst. De heer des huizes was de nuchterheid zelve. Ja, ze hadden schade, maar het was een huurhuis. Vervelend ja, maar wat deed je er aan? Het werd bovendien opgelost. Je zat een tijd in de rommel, maar je kreeg er wat moois voor terug.

Ik dacht even: we kunnen nooit met zijn allen in de woonkamer bij die mensen, want naast Blok en zijn entourage was RTV Noord er met vier man en een handjevol vertegenwoordigers van woningcorporatie Wierden en Borgen en Centrum Veilig Wonen. Mijn zorgen waren voor niets en toen Blok met de bewoners een kijkje in de slaapkamer nam om de schade op te nemen, ging de burgemeester van Loppersum nog een keer rond met de schaal met gevulde koeken en bokkenpootjes. Die had ik in twintig jaar niet gehad.

woensdag 9 september 2015

Het is de dag van mijn vijftigste verjaardag. Goed moment om een dagboek te beginnen. Of beter: weekboek, want ik weet niet of het elke keer lukt een berichtje te plaatsen. Daarbij doe ik in het weekend niks. Weekboek is een betere titel dan dagboek. Er zit geen a in en dat moet niet bij mijn naam, waar al drie a’s in zitten.

Waarom dit? Tja. Op het idee gekomen door The Journals of John Cheever. Dagboekachtige notities, soms lang, soms kort, over wat hem bewoog en wat niet. Jan van Mersbergen doet het. Elke dag een verhaaltje. Uit zijn dagelijks bestaan. Het is wat schrijvers doen: schrijven.

Ik ben geen John Cheever.

Bij lange na niet. Hij was een verscheurd man. Hield van zijn gezin, maar ook van mannen. Koesterde het gezinsleven, maar bleef eenzaam. Haatte zichzelf om zijn drankzucht, maar was er van afhankelijk. Een groot schrijver, maar twijfelde daar zelf over.

Dat alles, daar ga ik het dus niet over hebben. Of misschien ook wel.

Een ander idee is dat fictie niet bestaat. Alles is autobiografisch. Zelfs als je een thriller schrijft moet jij bedenken hoe iemand wordt vermoordt. Die moordenaar ben jij. Dus kun je net zo goed over je eigen leven schrijven.

Het hoeft niet, maar ik doe het wel. Dat is mijn ding, mijn niche in het Nederlandse literaire landschap, beetje pielen op een achterveldje. Kijken of je van de dingen van de dag iets kunt maken wat lijkt op literatuur.

Schrijven is ook vastleggen. Registreren. Ik ben er niet de eerste mee, maar de schrijfsels zullen een beeld geven van de mores en sores van een gemiddelde man in een kleine provincieplaats in Groningen, die leefde in de tweede helft van de twintigste eeuw en naar ik hoop de eerste helft van de 21e eeuw. Liefst langer, want ik wil niet dood. Nooit.

Het is een mooie dag. De zon schijnt en ik ben alleen thuis. Ik wilde aan mijn boek over de voetballer Milko Djurovski werken, maar daar komt vrees ik niks van. Er is een column voor de site van de hockeyclub van mijn oudste zoon te maken en ik schrijf de eerste bijdrage voor dit weekboek. Op boodschap ben ik al geweest en ik begin zo met eten maken voor de visite vanavond. Bonensoep, tomatensoep en macaroni. Groningers hebben altijd honger.

De familie komt niet alleen voor mij. Ook voor mijn zoon Hunter. Die is eveneens jarig en wordt twaalf. Hij trakteert voor het eerst in acht jaar niet. Het is zijn vierde week op de middelbare school. Daar doe je dat soort dingen niet meer.

Mijn vrouw zei vanochtend: maak je het huis netjes voor de visite? Ze was zelf laat, dacht ze. Dus ik weet niet of ik daar aan toekom. Ik roer tussen het schrijven door de bonen om, haal de karbonades uit de koelkast en denk aan Joost Zwagerman, die gisteren zelfmoord pleegde. Alweer een door mij gewaardeerde schrijver die er een eind aan maakt. Ik trakteer me zelf alvast op een glaasje 12 jaar oude Highland Park. Dat houdt mij op de been.

dinsdag 8 september 2015

Het verkeerde bed

Ik lig op de buik van mijn vader. Het is mijn eerste herinnering. ,,Dat vond je fijn toen je klein was,’’ zegt mijn moeder, ,,Op zondagochtend kroop je altijd bij ons in bed.’’ Ik geloof haar. Het is wat mij bij staat.

Ik zal niet veel ouder dan vijf zijn geweest. Hoe lang doe je dat als kind, op de buik van je vader liggen?

De inrichting van de slaapkamer is een vaag beeld, maar oogt vertrouwd. Crèmekleurig, ‘even van ‘t wit af’, met donker nephout op de laden en deuren van de nachtkastjes en een groene sprei met een psychedelisch motief. Modern in die tijd, eind jaren zestig. Hoe mijn ouders er uit zagen weet ik niet meer. Gebruind en jong, zeg ik nu. Ik denk dat te weten, maar misschien herinner ik me de foto’s van toen. Het geheugen doet ook maar wat.

Zo weet ik zeker dat ik minimaal negen was toen we het eerste ouderlijk huis aan de rand van het dorp verruilden voor een woningbouwwijk. Dat zeg ik met stelligheid omdat ik me herinner dat ik met mijn vader op de dag van de finale van het WK-voetbal in 1974 naar het huis van de buurman liep, driehonderd meter verderop. Die had kleurentelevisie. En ik ben van 1965.

,,Nee,’’ zegt mijn vader, ,,Je was acht. Volgens mij.’’

Ik denk weer aan de zondagochtenden. Maar, realiseer ik me ineens en ik word een beetje koud, ook daar klopt iets niet. Dat crèmekleurige bed, even van het wit af, stond in de slaapkamer in het tweede huis in de woningbouwwijk en niet in het eerste huis.

Iets anders

Met de verschijning van de nieuwe columnbundel De eeuwige Veenkoloniaalis het moment gekomen om weer iets anders te doen. Op deze plek dan, op deze blog. Ik schrijf al sinds 1997 stukjes, eerst voor de krant, daarna op mijn eigen plekje op internet en nu, zo werkt het bij mij, denk ik: het is wel ongeveer klaar zo.
Ik ben geen Simon Carmiggelt die veertig jaar lang stukjes schrijft over het thema: komt een man het café binnen. Dat deed-ie erg goed trouwens, maar eens in de zoveel tijd moet ik het idee hebben dat ik me vernieuw.
Dat gebeurde met de columns Enter Sandman in de Veendammer en de Groninger Gezinsbode, die op zeker moment eindigden en waarvan de bundel Trap ze in de pokkel het resultaat is. Waarna ik aan de stukjes begon over Slochteren en het verschil met de stad. Dat leidde tot de bloemlezing De laatste bus naar Slochteren en ik verder ging met de series 'Onder de Watertoren' en 'Voorbij de Watertoren', over- en geïnspireerd op een jeugd in Stadskanaal en nu de beste daarvan (althans, daar ga ik vanuit) verzameld zijn in De eeuwige Veenkoloniaal is het opnieuw tijd om, zoals ik zal zei, iets anders te gaan doen.
Dat is te zeggen: qua vorm. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik er nog niet helemaal uit ben. Ik denk aan een soort dagboek, of weekboek, geïnspireerd op the journals van John Cheever, geschreven met een jaloersmakende openhartigheid, die ik ook bij Karl Ove Knausgard waarneem.
Maar ik denk ook aan korte verhalen. Ik beschouw beide als een verlengde van wat ik nu doe.
Ik denk ook maar dat ik beide ga doen.
Dag- en of weekboek én korte verhalen dus. Ze zullen misschien lijken op columns, maar ze zijn het niet. De hoofdpersoon in de korte verhalen is soms een ik, maar ik ben het niet. Een foto laat ik ook achterwege. De tekst moet het doen. Een stapje verder zullen we maar zeggen. De columns voorbij. Zoiets. Je moet wat.