donderdag 13 augustus 2015

Schrijfdagboek Milko's bio (7) - Mangup Milko

Mangup is Servisch voor pummel. Dat is mij verteld door Zora. Zij komt uit Belgrado en zij helpt mij bij het schrijven van de biografie over Milko Djurovski. Dat boek verschijnt, naar ik hoop, volgend jaar.

Als je, zoals ik, bent opgegroeid in de Veenkoloniën, is pummel geen onbekend woord. Die zijn daar veel. Het zijn jongemannen, met een zekere houding. Een houding die te maken heeft met afkomst en die jongemannen worden door mensen van buiten de Veenkoloniën, bijvoorbeeld uit Haren, doorgaans aangeduid als boerenpummels.
 

Onbehouwen

 
Voor mensen die nooit een pummel van dichtbij hebben gezien en het fenomeen alleen van horen zeggen kennen; zijn doen en laten is te omschrijven als ‘onbehouwen’.

Een pummel is geen subtiel mens. Hij is een man die in woord en gebaar door het leven klautert en de dingen doet zoals hij vindt dat het moet en zich weinig gelegen laat aan de gevolgen voor ‘naasten’ of ‘geliefden’, termen die in het achterland even zelden worden gebruikt als ‘emotiemomentje’.

De pummel gaat in de regel gekleed in houthakkersblouse, spijkerbroek en Uggs, niet omdat hij op de cd-speler in de tractor naar Swinder luistert, of in zuipketen de hipster uithangt, maar omdat Veenkolonialen al decennia houthakkersblouses, spijkerbroeken en Uggs dragen, domweg omdat het de meest praktische kleding is.
 

Kwajongen

 
Pummel in het Servisch heeft een andere betekenis. Kwajongen. En ik hoef denk ik niet uit te leggen dat het Servische pummel, zoals het opduikt in het boek ‘Braća Durovski’ (Broers Djurovski) uit 1986 van Mladen Gvero en Slobodan Reljic, een meer dan geschikte typering is voor Milko Djurovski.

Hij voetbalde van 1990 tot 1994 bij FC Groningen en wat is bijgebleven van die tijd en wat wordt bevestigd door het archiefonderzoek dat ik in de Euroborg verricht, in het kantoor van Bas Kammenga, is dat de Macedoniër die op 27-jarige leeftijd naar de Martinistad kwam, zich als kwajongen gedroeg.

In de Veenkoloniën leer je dat de wereld ingedeeld is middels een hiërarchische ladder en dat de Veenkoloniaal met één pink aan de half vergane onderste sport hangt. De kleine kans die wij - in houthakkersblouse, spijkerbroek en Uggs geklede pummels - hebben op zicht op de een-na-onderste sport van de ladder was doen wat ons werd opgedragen. Door baas, leraar, ouders, trainer, agent.
 

Van niemand iets aan

 
Het fascinerende aan Djurovski was dat hij dat juist niet deed. Anders dan wij trok de Macedoniër zich van niets en niemand iets aan en negeerde adviezen van baas, trainer, agent en zelfs rijinstructeur. Vanwege een ingewikkelde geschiedenis, daarover alles in mijn boek, waardoor hij in Belgrado zijn rijbewijs kwijtraakte, moest hij in Nederland opnieuw rijexamen doen. Omdat Joegoslaven fietsers vooral als hinderlijk ervaren zag Djurovski het, tot schrik van de rijinstructeur, als geoorloofd om ‘kill, kill’ te roepen bij het zien van een mens op een tweewieler.

Milko Djurovski was Groningens enige echte vedette ooit, maar er is een verschil met het therapeutisch gedrag van grootheden van nu, zoals Balotelli, Tevez en Castaignos. Het doen en laten van de Macedoniër in de Martinistad was geen moment gespeeld. Zoals hij zich opstelde, zo was hij. Oorspronkelijk. Oprecht. Open. Goed, er gebeurde wel eens wat, maar daar zat geen kwade gedachte achter. Een sociaal mens. Eerder naïef dan berekenend. Een kwajongen.
 

Veel verhalen

 
Dat blijkt ook uit de verhalen die ik tegenkom. Veel verhalen. Er was nooit geen verhaal over hem. Al zijn de meeste een eigen leven gaan leiden. Toen hij begin 2014 naar Nederland kwam om eens kennis te maken en ik hem, aan de keukentafel bij Zora, vroeg naar het waarheidsgehalte van al die anekdotes – slapend onder de tribune, op moonboots op de training – schudde hij het hoofd.

Alcoholist? Hij dronk al twintig jaar niet meer. Gokken. Wie gokte er nooit? Die maillots? Het was soms koud hier. Bleven de spieren warm. Dat van die moonboots klopte ook niet. Had ik wel eens geprobeerd met die dingen te trainen?

Djurovski verbaasde zich zelfs over de titel ‘De Rookmagiër’. Die bijnaam had-ie gekregen van Volkskrant-journalist Paul Onkenhout. Waar sloeg dat op? Wij haalden onze schouders op, terwijl hij naar het balkon ging om een sigaretje te roken. De zoveelste die dag.
 

Bijvangst

 
Het ontzenuwen van al die halve waarheden is bijvangst, maar er is een tweede, belangrijker reden voor een boek over Milko Djurovski. Ik ben nieuwsgierig naar zijn leven voor 1990. Daar weten Groningers weinig van. Hoe was zijn jeugd, waar groeide hij op, wat beweegt hem, hoe groot was hij in Joegoslavië en vooral: waar komt dat onwaarschijnlijke talent vandaan. Want Milko Djurovski was vooral een geweldige voetballer.
 
‘Milko klasse apart’, kopte de Telegraaf op 18 november 1991 en in een paar zinnen kenschetst verslaggever Bert Dijkstra dat waar Djurovski voor stond: ,Gisteren maakte Milko duidelijk dat hij (met Romario in de ziekenboeg) de meest geniale voetballer op de vaderlandse velden is. Dat bleek vooral uit het gemak waarmee hij beslissingen kan forceren; een handjevol onnavolgbare voetbewegingen dat meer rendement opleverde dan negentig minuten onsamenhangend gedraaf van zijn ploeggenoten.’
 

Niet aan komen waaien

 
Dat talent is, anders dan zijn verschijning doet vermoeden, niet aan komen waaien. In Braća Durovski doen Gvero en Reljic uit de doeken hoe vader Cvetko zijn zoons vanaf het moment dat ze konden lopen aan een strak regime onderwierp. Omdat hij een doel had. Ze moesten en zouden het shirt van Rode Ster Belgrado dragen.

Het verhaal van hun jeugd sterkt mij in de visie dat, zelfs in de Veenkoloniën, succes in een keuze is. Training en training is het verhaal, met tussen de bedrijven door trainingen.

Dát deed Cvetko Durovski in het Macedonische Zilce, een dorp dat volgens Gvero en Reljic op geen enkele geografische kaart stond, maar wel twee Joegoslavische internationals voortbracht. De droom van vader Djurovski was groot. Zijn zoons niet alleen in het roodwit van Rode Ster, maar ook in het blauw van Joegoslavië, spelend voor 100.000 toeschouwers in het Braziliaanse Maracana-stadion.

Cvetko was zelf een getalenteerd voetballer die in de jaren vijftig, ook in Joegoslavië de jaren van de wederopbouw, indruk maakte als laatste man van Zilce. Hij was klein van postuur, maar heerste in het eigen strafschopgebied. Ging vol de duels aan en had altijd nummer 4. Dat mocht niemand anders dragen, ook niet als hij er zelf niet was.
 

Maniakaal

 
Vader Djurovski was fanatiek, om niet te zeggen maniakaal. De twaalf kilometer van zijn huis in Zilce naar de fabriek in Tetovo zag hij als training. Toen de man een fiets kreeg vertrok hij altijd iets te laat, zodat hij sneller moest rijden. Zijn talent werd ook opgemerkt en er kwamen aanbiedingen, maar toen puntje bij paaltje kwam wilde hij in het dorp blijven.

Cvetko en Stojna trouwden in 1960 en een jaar later, op 28 december 1961 werd eerste zoon Bosko geboren, op 26 januari 1963 gevolgd door Milko. De twee jongens vormden voor Cvetko een kans om zijn niet waargemaakte dromen alsnog te vervullen.

Hij begon ze te trainen. Cvetko in Braća Durovski: ,,Eerst met Bosko. Hij was nog klein, luisterde soms en soms niet. Maar dan kocht ik iets voor hem, chocola of bonbons, als beloning. Milko was niet zo gemakkelijk om te kopen.’’
 

Louis van Gaal avant la lettre

 
Als een Louis van Gaal avant la lettre legde pa Djurovski alles vast in tabellen en schema’s. Hoe laat ze moesten opstaan, wat ze moesten eten, hoeveel liter melk per dag. Ze dronken 200 eieren per jaar, fruit was verplicht en tussen één en drie uur ’s middags werd gerust. Van een goede slaap ging een mens immers groeien.
Ze kregen wel loon naar werken. Op een dag kwam Cvetko met een plastic bal aan, in de jaren zestig een bijzonderheid op het Joegoslavische platteland, en trainingspakken van Rode Ster. De tenue's waren veel te groot en met het strakke elastiek om de middelen leken de mannetjes op plofkippen. Iedereen lachte ze uit, maar de twee waren apetrots.

Wanneer Cvetko van huis was ging het trainen gewoon door. Dan nam Stojna de honneurs waar. Soms streek ze, zoals het moeders betaamt, over haar hart en vinkte iets aan, ondanks dat het niet was uitgevoerd. Het zal geen verrassing zijn dat dat bij Milko vaker het geval was.

Bosko herinnert zich: ,,We moesten workouts doen: met trekveer, springtouw. We begonnen al op zes-, zevenjarige leeftijd. ’s Ochtends eerst oefenen, daarna naar school, ’s middags slapen, weer naar school, huiswerk en daarna weer trainen. We leken wel profs.’’
 

Rondjes om het huis

 
De dorpelingen van Zilce stopten altijd even voor het huis van de familie Djurovski, als de jongens aan het trainen waren. Soms renden de knapen rondjes om het huis. Dan vroegen de mensen zich af wat die rare Cvetko toch wilde met die twee zwakke, onvolgroeide zoontjes van hem.

Nu en dan was er verbazing. Dan kwam Bosko alleen voorbij. Er zou toch niks met Milko zijn? Maar als ze achter de woning keken, lag hij in het gras. Uitrusten. Een rondje later sprong de jongste weer in, alsof hij de hele tijd mee had gedaan.

Zo serieus als Bosko was, zo ondeugend was broertjelief. Milko merkte dat hij de mensen amuseerde met zijn gedrag. Dat vond hij leuk. Hij merkte welke invloed hij had op publiek en het was ook in Zilce dat ze hem al die bijnaam gaven. Mangup.

maandag 6 juli 2015

Nieuwe columnbundel: De eeuwige Veenkoloniaal

Om alvast in de agenda te zetten, tenminste, voor wie het wat interesseert: bij Uitgeverij Passage verschijnt een nieuwe bundel columns van mijn hand. Titel: De eeuwige Veenkoloniaal. Presentatie (ovb) 17 september om 17.00 uur in jongerencentrum De Kwinne in  Stadskanaal. Iedereen is welkom. Eerste exemplaar wordt (ovb) uitgereikt aan Volkskrant-columnist en schrijver Bert Wagendorp.

donderdag 2 juli 2015

Voorbij de Watertoren (66) - De eerste dag van de vakantie

De eerste dag van de vakantie gaat op aan plannen maken. Over hoe de vakantie door te komen. Mooiste moment van het jaar, omdat het neerkomt op zoveel mogelijk manieren verzinnen om niks te doen.

Het hele jaar hebben we de bek vol muggen omdat we dag in dag uit over ’s herens Groningse wegen razen en het vooruitzicht op vier weken rust is een emotiemomentje.

Alleen ook dan trouwens. Na de eerste dag wordt het alweer minder. Immers, daarna begin ik met aftellen. Er komt natuurlijk een moment dat die vier weken voorbij zijn en met elke dag die voorbij is in de vakantie komt dat moment dichterbij.

De zoveel mogelijke manieren van niks doen haal ik vooral uit bladen als Leven in Frankrijk en En France, Italië en España. In die landen doen ze ook niet veel meer dan niks.

En anders kijk ik naar Jamie Oliver die in een busje langs de Middellandse Zee crosst. Wat ik bij hem zie, wil ik ook: in korte broek en open blouse bij de barbecue aan een Desperado of Corona lurken, onderwijl ik een piri piri-kippenboutje omdraai.

Meestal als je naar foto’s of reclamefilmpjes kijkt waar mensen dat ook doen vraag ik mezelf af of ik daar serieus aan moet beginnen, omdat die mensen er allemaal strak, bruin en jong uitzien, maar ik weet sinds kort van collega Rosa T. dat er iets bestaat als een dadbod.

Dadbod is damesbladen-slang voor wat in Groningen n dikke pokkel heet.

Daar schijnen zelfs jonge vrouwen op te vallen, met als gevolg dat het halve mannenbestand van Slochteren ineens sexy is. Heel sexy.

Zwembad kan ook. Met de kinderen. Die zijn op een leeftijd dat je ze niet meer hoeft te vermaken, sterker nog, dat hebben ze liever niet en dus zit je aan de rand van het zwembad met een boekje en een waterflesje waar zogenaamd Karvan Cevitan in zit, maar eigenlijk iets anders.

Als het te warm wordt rol je ook even het water in en gaat verder met wat je aan het doen was. Lezen of praten met andere ouders. Over niks natuurlijk, al noemen we dat niks in de gesprekken ‘onze kinderen’.

Een festival bezoeken kan. Luisteren naar muziek, kijken naar theater, of gewoon zoals op Noorderzon, zeggen dat de kaarten jammer genoeg uitverkocht zijn en op een bankje bij de vijver gaan zitten keuvelen met andere mensen die ook zeiden dat ze geen kaartjes meer konden krijgen, onderwijl je een tortillachip in de guacamole doopt, terwijl je poedie nog een rondje wijntjes haalt.

Ik merk alleen dat ik niet meer zo van de mensenmassa’s ben. Moet ik luisteren en zo en ook zelf praten. Ben ik eigenlijk helemaal klaar mee.

Vissen, we zouden het bijna vergeten. Dat gaat – ik kan alle ecofreaks geruststellen - helemaal niet om zoveel mogelijk zwemmende beestjes vangen. Welnee, het gaat er om dat je even alleen bent. Geen gezeur om de kop. De hengel is een instrument. Het doel is aan het water zitten, kijken naar de lucht, een paar bomen in de verte, een dood vogeltje op de weg. Meer niet.

De mooiste manier van niks doen is echter lezen. Lam liggen in een tuinstoel met een boek. Dat zou ik het liefst doen. Als de vakantie begint moet ik altijd denken aan de baas van de Groningse stadsbibliotheek. Die doet dat ook alleen maar. Lezen. Zijn vriend wil nog wel eens een wandeling maken. Hij niet.

Boeken heb ik inmiddels in voorraad. Een precieze mix van lucht en pittig. Ik zal niet opnoemen wat ik heb, dat staat wat raar…, nou goed dan, een wil ik noemen en dat is een enorme pil met de beste wielerverhalen. Ik heb zelf niet zoveel met wielrennen, maar dat hoort wel bij Frankrijk en wat is er mooier dan lezen over de helden en losers die door aftandse dorpjes jakkeren, of zich dood rijden op een stuk vals plat, terwijl je zelf als een gestrande walvis in het gras ligt, flesje rosé in de koelkast.

,,Leg dat boek maar aan de kant’’, breekt mijn vrouw in, terwijl ik aan het nadenken ben op de eerste dag van de vakantie, ,,kijk, ik had al even een lijstje met klusjes gemaakt.’’

dinsdag 23 juni 2015

Voorbij de Watertoren (65) - De crimineel die ik ben

Mijn bank, dat is de SNS-bank, vertrouwt mij niet. Dat zeggen ze natuurlijk niet in your face, maar dat blijkt uit het hoofdschudden als ik de vestiging in Hoogezand binnenstap: ,,Nee meneer, dat kan hier niet.’’

Let wel, ik loop niet met een bivakmuts en een getrokken pistool binnen; de ene keer heb ik buitenlands geld nodig, een andere keer wil ik geld op eigen rekening storten.

Ik denk altijd dat een bank er voor mij is en dingen voor mij doet omdat ik mijn, sorry, onze, centen aan die bank toevertrouw. Daar is ook een term voor – een stukje service naar de mensen toe – maar de meneren en de mevrouwen in de SNS-vestiging in Hoogezand zitten er vooral om uit te leggen wat er allemaal niet meer kan bij die vestiging.

Mijn bank, dat is de SNS-bank, stuurt mij naar de stad Groningen. Naar het Grenswisselkantoor op het hoofdstation. Dat doet mijn bank zo vaak dat ik even heb gedacht dat ik beter mijn geld in beheer kan geven bij datzelfde Grenswisselkantoor. Maar daar ben ik weer van af. Ook het Grenswisselkantoor vertrouwt mij niet.

Auto verkocht

 
Ik had een auto verkocht en zoals wel vaker bij de verkoop van een auto leverde dat geld op. Ik dacht: dat zetten we op eigen rekening. Het was een bedrag met drie nullen en dat moet je niet in huis laten liggen. Zeker niet als je samenwoont met een vrouw.

Dat ik op de vestiging in Hoogezand niet meteen buitenlands geld kunt krijgen, dat snap ik. Immers, het is ondoenlijk dat op een kantoor in een middelgrote provincieplaats stapeltjes Deense kronen, Britse ponden, Zuid-Afrikaanse rand, Poolse zloty en Thaise baht klaarliggen omdat er een keer in de zes jaar iemand langskomt die er een paar weekjes tussenuit gaat.

Maar geld storten op eigen rekening?

,,Primera in Haren’’, zei de meneer van de SNS-vestiging in Hoogezand, ,,daar kan het tot 1.500.’’

,,En bedragen daarboven?’’

,,Grenswisselkantoor op het hoofdstation in stad.’’

,,Nee, serieus? Dus ik moet nu naar Groningen, wil ik mijn geld op mijn eigen bankrekening storten?’’

Hij haalde zijn schouders op, met een soort van verontschuldigende blik.

Op het Grenswisselkantoor

 
,,Ja hoor’’, zei het meisje van het Grenswisselkantoor, ,,om hoeveel gaat het?’’

Ik noemde het bedrag.

,,Ze nam mijn paspoort en bankpasje en sloeg aan het gegevens intikken. Na een minuutje of wat keek ze op: ,,Mag ik vragen hoe u aan dat geld komt?’’

,,Pardon?’’

,,Sorry, maar dat moeten we vragen.’’

,,Ik heb een auto verkocht.’’

,,Ok.’’

,,Mag ik het vrijwaringbewijs zien?’’

,,Pardon?’’

,,Vrijwaringbewijs.’’

,,Dat meen je?’’

,,Ja. U heeft toch een auto verkocht? Dan heeft u dat gekregen. De gegevens daarvan heb ik nodig als bewijs.’’

,,Dat heb ik natuurlijk niet bij me.’’

,,Mijn excuses. Het zijn onze regels, al geef ik toe dat we er in de communicatie naar de mensen toe niet echt helder over zijn.’’

,,Nee, serieus? Dus ik moet nu terug naar Slochteren om het vrijwaringbewijs te halen en dan weer hierheen, wil ik geld op mijn eigen bankrekening storten?’’

Het meisje haalde haar schouders op, met een soort van verontschuldigend blik. Ik zei de naam van de zoon van God een paar keer hardop, in combinatie met ‘niet te geloven’.

Uit Slochteren

 
Mijn zoons en ik waren om half een uit Slochteren vertrokken voor wat een leuke middag moest worden. Wij waren om half vijf in het dorp terug. Voor het leuke was een half uur overgebleven.

Ik was van plan ook nog wat kunstwerken te verkopen, maar ik twijfel nu. Zonder vrijwaringbewijs heeft dat geen zin.

Ik zou heel graag van bank verwisselen, maar ik denk dat ik daarvoor een paar keer op een middag naar Amsterdam moet. Ik geloof ook niet dat ik er veel mee opschiet. Het zal bij andere banken niet veel beter zijn. Dus ik blijf bij de SNS, ook al vind ik dat een enorme kutbank. En mocht mijn straks gevraagd worden of de SNS of een andere bank weer met mijn, sorry, ons, belastinggeld gered moet worden, dan zou ik zeggen: zak lekker in het moeras. Maar dat wordt mij natuurlijk niet gevraagd.

woensdag 17 juni 2015

Voorbij de Watertoren (64) - 3.25.36 links


Komend vanaf de N387 hebben we, op de Korenmolenweg, twee mogelijkheden. Naar links of naar rechts. Die keuze moeten wij elke dag van de week maken. Soms meerdere keren in een etmaal. Dat is telkens een afweging, want er is in ons gezin geen duidelijke voorkeur.

Soms gaan we naar links, soms naar rechts.

Je kunt je afvragen: waar heb je het over, maar het is een intrigerende kwestie. Ik ging heel lang automatisch naar rechts, tot een van mijn zoons, Hunter, plots zei: ga eens naar links. Dat deed ik en sindsdien is het een klein vraagstuk en dus gaan we soms naar links en soms naar rechts en dat wisselen we zo vaak af, dat we nieuwsgierig zijn geworden naar welke van de twee routes naar huis korter is.

Gevoel is arbitrair

 
Mijn gevoel zegt dat het niet zoveel uitmaakt, maar gevoel is arbitrair. Ik denk af en toe ook dat ik een opmerking kan maken als ‘dát vind ik nou een mooie vrouw’, maar dat is dan geen goed idee.

Hunter, dat is onze oudste, heeft trouwens, als enige in het gezin, een duidelijke voorkeur voor links. Als ik vraag waarom is het: ,,Vind ik een mooiere route.’’

,,Waarom dan?’’

,,Oh, weeknie.’’

Dat is het punt waarop ik me weer zorgen ga maken over zijn toekomst, want hij weet nooit iets. ,,Had jij geen toets morgen?’’

,,Weet ik niet.’’

,,Kijk even in je agenda dan.’’

,,Ik weet niet waar die is.’’

De weg links voert door het land, door Slochters backyard; over de Verlengde Veenlaan, langs de brandweerkazerne en de Veenweg en rechtsaf via de Groenedijk het Slochterdiep op. Naast de gemeentewerf liggen kavels. Die zijn te koop. Daar staat al een hele tijd een bord met de kreet ‘Het uitzicht is al klaar, nu uw woning nog’.

Typisch

 
Typisch een houding van een gemeente; pronken met dingen waar je niets voor hoeft te doen. In geval van zaken waar bestuurders en ambtenaren wel de regie hebben klinkt het: ,,Sorry mensen, we moeten bezuinigen.’’

Het uitzicht is overigens fenomenaal, tenminste als je van lege vergezichten houdt.

Rechtsaf is de weg door het hart van het dorp. De urban road. Korenmolenweg, Hoofdweg, Slochterdiep. Langs de huizen waar onze vrienden wonen en de kinderen van onze vrienden en soms zien we dat díe kinderen wél buiten spelen en even verder kijken we of er nog een trouwerij is op de Fraeylemaborg en of onze vrienden misschien op het terras zitten.

Daarna gaat het langs de oude Hubo, waar gewerkt wordt aan een nieuw centrum (er gaat ook veel wel goed in Slochteren) en daarna draaien we ons eigen Slochterdiep op, evenwijdig gelegen aan de gelijknamige waterweg die ieder jaar in november een bron van onrust was en Hunter en Reyer, omdat ze wakker lagen van de vraag: komt Sinterklaas deze keer wél of niet met de boot?

Het diep

 
Het diep wordt voor het eerst uitgebaggerd, sinds wij elf jaar geleden naar de Parel van Duurswold verhuisden. Al is de kans groot dat de goedheiligman dit jaar met de middelvinger wordt begroet, op die leeftijd zitten ze nu.

,,We kunnen meten welke route korter is’’, zei ik tegen Hunter. Die is redelijk technisch ingesteld en vindt dat soort dingen leuk.

,,Doen we eerst links’’, besliste hij.

,,Nu’’, zei ik en trok op. Hij startte de stopwatch. Ik reed normaal, om de vergelijking zo eerlijk mogelijk te maken. Dat ging vlotjes, al moesten we op de Groenedijk even uitwijken voor een tractor, waardoor de rechterwielen over de betonblokken naast de weg rappelden. Dat vinden mijn zoons een mooi geluid en dat moet ik dan nog een keer doen. Ik ben er niet wild van. Het lijkt me niet goed voor de vering en banden en dan krijg ik weer op mijn donder van mijn vrouw dat die garagerekeningen zou hoog zijn, maar toen we de oprit opdraaiden stond de tijd op 3 minuten, 25 seconden en 36 honderdsten van seconden.

We knikten goedkeurend. Weten we dat ook weer.

Of die tijd genoeg is voor de titel ‘De snelste weg naar huis vanaf de Korenmolenweg’ weten we nog niet. We moeten rechts nog klokken en daar komen we maar niet aan toe.

woensdag 10 juni 2015

Voorbij de Watertoren (63) - Open brief aan alle andere ouders



Dag alle andere ouders,

Om het meteen maar te benoemen; jullie moeten je kinderen beter opvoeden. Wij hebben daar last van. Mijn, sorry: onze, zoons, klagen, om te beginnen, steen en been over wat wij ze dagelijks meegeven in hun rugzakje. Dat is een broodje ham/kaas, pakje melk, pakje Taksi en een appel, maar daar nemen de heren geen genoegen meer mee. Zij willen, net als die van jullie, cola en cassis voor overblijf, gevulde koeken, witbrood met ontbijtkoek en zakjes M&M’s. We kunnen lullen wat we willen, over dat hun botten nog in de groei zijn en dat ze veel zuivel en fruit nodig hebben, maar het is vechten tegen de bierkaai, want; ‘die en die krijgt dat en dat mee.’

Een ander punt is gamen. Daar zijn we weer. Wij hebben twee iPads, twee DS-en, een laptop en een Playstation, maar die rommel willen wij eigenlijk nog helemaal niet in huis. Ze zijn daar met 8 en 11 jaar gewoon te jong voor. Maar, ook hier: ‘die en die heeft dat en dat’ en omdat we natuurlijk niet willen dat onze kinderen bekend staan als sukkels die thuis moeten tekenen of knutselen, gaan we er in mee.

Wanneer gamen

 
Daarbij: wannéér mogen die gasten eigenlijk gamen? Wij hadden tijden afgesproken (van maandag tot en met donderdag niet) en ik zeg nadrukkelijk hadden, want u voelt het aankomen: geen houden aan. Vriendjes zitten er dag en nacht achter met als gevolg dat die van ons ook willen. Ze worden wakker en hup de televisie aan en als ze met het verkeerde been uit bed zijn gestapt en dat is tegenwoordig eerder regel dan uitzondering, klappen ze direct de Playstation en iPad open. Dat ligt echt niet aan ons.

Daarmee komen we bij het volgende punt: hoe laat naar bed? Half negen op zijn laatst, dachten wij. Afgaand op onze kroost echter mogen ‘die en die zo en zo laat naar bed’ en wij hebben nu iedere en als ik zeg iedere dan bedoel ik ook iedere, avond discussie over het tijdstip van slapen. Zijn we he-le-maal klaar mee.

Men of War

 
Het type spelletjes waar kinders van hun leeftijd mee spelen gaat ons eveneens te ver. Men of War, Call of Duty, Zombie Attack en Assassins Creed; het is moord en doodslag en toen ik vorige week toevallig meekeek, zag ik dat onze jongste bij GTA V iemand die op de grond lag finaal in mekaar trapte. Ik zie het er van komen dat hij over tien jaar met een paar uzi’s zijn halve middelbare school neer maait en wij na afloop de verzamelde pers te woord moeten staan: ,,Nee, geen idee waar dit vandaan komt.’’

In het verlengde daarvan: het taalgebruik is bij de beesten af. Als je al eens antwoord krijgt is het meteen een grote bek. Van wie ze het hebben, geen idee, niet van ons. Nu ja, goed, ik vloek wel eens en dat hebben ze mogelijk een beetje opgepikt, maar ‘Homo’, ‘Motherfucker’ en ‘Pedo’ zeker niet en dan noem ik slechts de termen die geschikt zijn voor publicatie. Leren ze toch echt op straat, van andere kinderen. Inderdaad, die van jullie.

Klinkt misschien raar, maar die van ons zijn gewoon niet zo. Die willen niet eens zo zijn, zeggen ze zelf.

Die ...mobieltjes

 
Tot slot die …mobieltjes. Wij hadden gedacht: middelbare school is vroeg genoeg voor zo’n ding, maar dat hadden we gedacht. Iedereen, elk klasgenootje, heeft er een. Het is de eerste levensbehoefte geworden. Ik liep laatst om middernacht langs de slaapkamer van de oudste en dacht dat er een tijdbom lag te tikken, maar het bleken binnenkomende appjes. Juist, van jullie kinderen.

Ineens liegen ze ook keihard. 24/7. Zonder met de ogen te knipperen. Al heb je een zaak als je het voor de rechter zou brengen omdat je sluitend bewijs in handen hebt, of omdat het een heterdaadje was, zij hebben niks gedaan: ‘Echt niet. Hij begon.’ Die straatmentaliteit hebben ze wederom niet van ons. Al moet ik hier een opmerking maken. Omdat anderen er bij het minste of geringste op los slaan, zeggen wij nu ook: ‘Beuk eerst terug en ga pas daarna naar de juf en zeg: hij begon.’

Het is om gek van te worden. Wij zijn met de beste bedoelingen de opvoeding ingestapt, maar het is een kansloze missie. Omdat onze kinderen langzaam veranderen van lieverdjes in gewetenloze criminelen, deze laatste oproep aan jullie. Trek weer grenzen en wees streng, maar rechtvaardig. Zoals wij vroeger ook zijn opgevoed.

Alvast bedankt!