woensdag 27 mei 2015

Voorbij de Watertoren (61) – Bij de mama

Het is een uur in de nacht als ik thuiskom. De deur van een van de kinderkamers staat open. Ik weet genoeg: er ligt weer een andere man in mijn bed. Dat is, als ik tot laat moet werken, vaker wel dan niet het geval. In plaats van het boek dat ik aan het lezen ben een Donald Duck op het nachtkastje en naast mijn vrouw een van mijn zoons, soms allebei, in diepe slaap, de mond half open.

Mijn kussen, mijn boek, mijn leesbril en mijn pyama op een stapeltje op de grond vormen een statement: bezet papa, zoek lekker elders een plek.

Dat doe ik, zij het niet direct. Al ben ik nog zo moe, meteen slapen na werk of optreden is onmogelijk. De spannings moeten er eerst uit. De kat ook trouwens, want daar denkt natuurlijk niemand aan bij al die gezellige plannetjesmakerij.

Verbond

 
Vrouw en zonen hebben een verbond waar ik buiten val. Daar heb ik zelf, denk ik, schuld aan. Als ze vragen of ze bij mama mogen slapen zeg ik ‘nee’ en zij ‘ja’. Ik denk nooit: wat leuk. Ik denk altijd: straks wordt het een gewoonte. Orde en regelmaat zijn belangrijker. Ieder zijn eigen bed, zijn eigen kamer. Dan krijg je een stevige basis voor later. Anders worden het zwerfkinderen. Iemand moet daar op letten. In ons huishouden ben ik dat.

Al gebruik ik het zelden als tegenargument, echt lekker slaap ik ook niet op een kinderkamer. Het bed van de jongste heeft een dichte kant en de hoogslaper van de oudste begint te kraken als ik er met mijn honderd kilo inklim.

,,Ga jij dan op ons bed bij Hunter of Reyer slapen’’, zegt mijn vrouw soms.

,,Kan ik niet.’’

,,Hoezo?’’

,,Omdat ik alleen kan slapen als ik tegen jou aanlig.’’

,,Ah, wat lief ja’’

Een nacht in de kinderkamer voelt als logeren. Ik lig ergens waar ik niet hoor, tussen Lego, hockeysticks en strips. Er zijn andere geluiden en het ruikt anders.

In bed, kijkend naar de poster van Messi en het ridderpak op de grond, denk ik aan de keren dat ik bij opa en oma in Mussel sliep. Als je er ’s nachts af moest en dat moest je, want je hoopte dat je niet hoefde te plassen, maar dat hoefde je natuurlijk wel, wist je dat je op vreemde bodem was.

Gezellig en vertrouwd

 
Hoe gezellig en vertrouwd de woonkamer overdag, ’s nachts, op weg naar de wc, waren je ouders ver weg. Dat zag je aan de Sanseveria op de vensterbank, aan het maanlicht op de bierglazen in de open vitrinekast en aan de stoel waar opa normaal zat. Je zag zijn broek over de leuning, dacht aan hoe hij er uit zou zien in onderbroek en je keek gauw naar zijn Herdersmes, die daar op een snijplankje zomaar voor het grijpen lag, naast een uiteindje metworst.

Als een van mijn zoons, of beide, bij ons in bed slaapt, weet ik dat ik tekort schiet als ouder, als papa. Waarom doe ik nooit spontaan mee? Waarom zeg ik altijd ‘nee’ en nooit ‘ja’?

,,Kom je bij me kijken gamen?’’

,,Straks. Moet eerst de wasmachine aanzetten.’’

,,Wil je met me voetballen?’’

,,Och kind, ik zit net.’’

Dat is het vaak

 
Dat is het vaak. Er is altijd wel wat te doen. Een pak hagelslag op het aanrecht, de vaatwasser die afgelopen is, kleren die klaargelegd of opgevouwen moeten worden. Daarom kom ik nooit aan leuke dingen toe. Het werk moet eerst en dat krijg ik er niet uit. Ik ben net als mijn opa en mijn vader. Wij zijn geen buigzame mannen.

Mijn vrouw heeft er geen moeite mee de dagelijkse gang van zaken overhoop te halen. Soms verdenk ik haar ervan het bewust te doen. Als mijn zoons voorstellen hun matrassen naar onze kamer te verslepen omdat ze dat knus vinden, dan gebeurt dat. Al slapen ze daardoor laat en al kunnen ze de volgende dag niet uit hun bed komen. Ik kan tegensputteren wat ik wil, ze lachen me gewoon uit, mijn vrouw voorop.

Zo zullen Hunter en Reyer me herinneren. Ze zullen niet met een gevoel van weemoed terugdenken aan dat ik ze ’s ochtends uit bed rammelde en dag in dag uit hun broodjes smeerde, maar wel aan dat als papa weg was, ze altijd bij de mama in bed mochten slapen.

dinsdag 19 mei 2015

Voorbij de Watertoren (60) – In het huis aan Thorsø

Ze sleept een ligstoel van buiten naar binnen. We zijn een uurtje of twee daarvoor aangekomen en meteen is er een verandering. Ik vind dat raar, maar zeg niks. Soms is dat beter.

Mijn vrouw wil zich nestelen. Met een deken over en chips en rosé binnen handbereik voor de tv en dat gaat het beste liggend. Dat snap ik. Wat stoort is dat de boel weer overhoop gehaald wordt. Moet dat nou, denk ik. Waar ze zich installeert, daar stond een schommelstoel. Ik vind: die hoort daar. Dat was zo, dus dat laat je zo.

Ze had kunnen overwegen zich aan de kamer aan te passen. Zoals ik doe. Het beste ervan maken. Met wat voorhanden is. Ook al hang ik scheef in een tweezitsbank van waaruit het lastig tv kijken is, het komt niet bij me op het meubel te verschuiven, ook niet een beetje. Ik verzit om de vijf minuten, ga liggen, dan weer rechtop, met de benen afwisselend voor me uit, opzij, omhoog en tenslotte op de tafel, maar wat ik doe, de bank blijft waar-ie is.

Bij vakantie

 
Het hoort bij vakantie. Heb je later iets om over te praten. Ongemak is wat bijblijft. Twee weken regen, keutels die weer omhoog komen na het doortrekken, drie uur in de file, klotenbank. Als alles goed gaat is er niks aan.

Ongetwijfeld heeft ook dat weer met mijn Veenkoloniale afkomst te maken, maar ik hou niet zo van veranderingen.

Mijn vrouw wel.

Ze is niet de enige. In het huis aan Thorsø kijken we ’s avonds met zijn vieren naar dvd’s van Bert Visscher. Die begint er, ik meen in zijn show Afijn, ook over. Dan komt hij thuis, neemt een duik richting bank en hop, met de bek op het laminaat. Omdat daar eerst een bank stond en ineens niet meer. Goed, het is cabaret, maar ik doe soms ook met angst en beven de voordeur open.
 
Ik zucht, zij verwelkomt me opgewekt. Blij om te veranderen.

Die bank daar weg. Die stoelen daar. Ik ben flauw van die kast. Kun je dat schilderij daar hangen?  Kan, maar dan zie je een gat waar-ie eerst hing. Nou en, zegt zij. Niks nou en. Alle muren zijn vorig jaar geverfd. Strak wit, nadat ik eerst alle vorige gaten en gaatjes heb dicht gekit. De muren zien er alweer uit alsof iemand zijn uzi per ongeluk op repeteer had staan.

Onze slaapkamer staat vol schilderijen waarvan ik vind dat ze in de kamer moeten hangen. Zij vindt van niet.

Overijsselselaan

 
In de kamer van de woningbouwwoning aan de Overijsselselaan in Stadskanaal hing een koekoeksklok rechts van de schouw. Die heeft wel twintig jaar aan die muur gehangen. De schouw was gedecoreerd met een spoorbiels. Je kunt van koekoeksklokken en spoorbielsen van alles vinden en ik heb wat van die koekoeksklok en spoorbiels gevonden, maar mijn ouderlijk huis was mijn ouderlijk huis juist door die koekoeksklok en spoorbiels.

De enige verandering aan de Overijsselselaan was dat de zitbank halverwege die twintig jaar van de ene naar de andere kant van de kamer verhuisde en dekenkist met tv de omgekeerde weg volgden.

Een huis waar voortdurend alles verandert wordt geen thuis. In Stadskanaal bleef het zoals het was. Je brak nooit je poten over een bijzettafeltje dat ineens in een looproute stond en je had een gelukkige jeugd.

Met vrienden

 
Ik kom al lang in Denemarken. Eerst met vrienden, nu met het gezin. Altijd naar dezelfde plaats. Virklund. In een huisje aan een meer. Thorsø. Sø is Deens voor meer en Thor is de god van de Donder.

De huisjes verschilden, de straat niet. Altijd de Vesterlundvej. In het dorp is in twintig jaar tijd weinig veranderd, behalve de openingstijden van de Spar en het winkeltje aan de Virklundvej. Thorsø ligt er nog net zo bij als toen ik er voor de eerste keer kwam.

De semibungalow die we nu huren is redelijk nieuw. Op die plek stond twee jaar geleden een rood huisje. De trap kraakte als je naar boven liep, verwarming was er niet, het eerste wat je ’s ochtends deed was de open haard aanmaken en we wasten de kinderen op het aanrecht in de keuken.

woensdag 6 mei 2015

Voorbij de Watertoren (59) – Over Kamp en gas

Kamp en gas blijven een slechte combinatie. Henk Kamp en aardgas. Het gedoe rond de omgekeerde bewijslast toont weer eens aan dat wij, Groningers, alles wat onze kant op komt, meter voor meter moeten bevechten.

Niks groot gebaar, niks ruime compensatie. Voor elke cent voor elke scheur, veroorzaakt door aardbeving door gaswinning, moeten we ons tot in den treure verantwoorden.

Zelfs Marcel Thijsen, burgemeester van Tynaarlo, zei het vorige week, toen ik hem interviewde over zijn eerste maanden in Noord-Drenthe. De man uit Wijchen heeft inmiddels ook zo zijn ervaringen over de schadeafhandeling. Geen positieve, uiteraard.

Thijsen zei letterlijk: ,,Ik kan er met mijn botte zuidelijke hoofd niet bij dat je voor 200 miljard euro aan waarde uit een gebied haalt en dan moeilijk doet over een paar duizend euro voor een paar scheuren.’’

Die woorden staan woensdag 6 mei in de Drentse editie van het Dagblad van het Noorden.

Moeilijk doen

 
Ook de Belgische geoloog Manuel Sintubin verbaast zich over het moeilijk doen, van Kamp en NAM. Hij zei op 25 april 2015 in het DvhN: ,,Geef de opbrengsten van het gas dat nu nog in de grond zit aan de Groningers. Gewoon, alles, 100 procent. De rest van Nederland heeft de afgelopen decennia ruimschoots genoeg aan het gas verdiend, het is tijd dat Groningen zelf ook eens profiteert en uitgroeit tot een bloeiende provincie.’’

De in Leuven woonachtige wetenschapper volgt de ontwikkelingen in Groningen op afstand en verbaast zich bijna overal over. Over het gemak waarmee Groningers zich neerleggen bij de situatie die door NAM en Rijk wordt gecreëerd. Over wat het rijk, minister Kamp dus en de NAM, nalaten.

Hij vergelijkt de situatie in Groningen met die in Oklahoma. Een staat die, vanwege olie- en gaswinning en de injectie van afvalwater, eveneens getroffen wordt door veel aardbevingen: ,,Oklahoma was arm en heeft door de gaswinning een enorme economische boost gekregen. De staat heeft niet alleen de lasten, maar ook de lusten. Daardoor is de bevolking veel meer bereid om de nadelen te accepteren.’’

Daarnaast gaat, aldus de man uit Leuven, de discussie veel te weinig over veiligheid: ,,Er is altijd kans op The Big One. Dat kan binnen een uur zijn, maar ook over honderd jaar. We weten het simpelweg niet.’’

Wat we niet weten

 
Of we dat niet weten, is overigens de vraag. De NAM boort al vijftig jaar naar gas in Groningen. Dan weet je volgens mij wat er in de grond gebeurt. Maar goed, Sintubin is wetenschapper en ik denk dat hij daar beter zicht op heeft dan ik.

Sintubin: ,,Aardbevingen die door mensen worden veroorzaakt zijn nieuw. We zijn het nu aan het ontdekken. Wetenschappelijk gezien is Groningen één groot experiment. We hebben het níet onder controle. De mensen horen dat niet graag, maar het is een gegeven.’’

We zouden iets meer kunnen weten, maar dat weten we niet, want de NAM doet ook moeilijk over haar onderzoeken, concludeert Sintubin: ,,Wat heeft de NAM al onderzocht? Ik weet dat niet want niet alles wordt gepubliceerd. De NAM schermt met een internationaal onderzoeksteam dat ermee bezig is. Ik heb daar vraagtekens bij. Als je gedegen onderzoek wil doen, dan heb je de beste wetenschappers nodig. Ik kan je precies vertellen wie er dan in dat onderzoeksteam zouden moeten zitten. Maar bij mijn weten zitten die personen er dus niet in.’’

Verbazing is er bij hem ook over de focus op de gasvelden bij de Waddeneilanden en over het feit dat de NAM nog altijd spreekt over gaswinning tot 2070. ,,Europa wil in 2050 zo’n 80 tot 95 procent minder broeikasgassen uitstoten dan in 1990. Rond die tijd moet Europa dus bijna vrij van fossiele brandstoffen zijn. En dan rept zo’n oliebedrijf van business as usual tot 2070.’’

Maar de NAM doet niet eens moeilijk over het feit dat ze moeilijk doet. De mentaliteit is en blijft zoals de nieuwe directeur, Gerard Schotman, het verwoordde in het DvhN van 31 januari 2015.

Mooie praatjes

 
Hij zegt weliswaar niet met mooie praatjes het vertrouwen te willen herwinnen, maar met daden, maar afgaand op de ervaringen van Thijsen is de praktijk nog steeds een ander verhaal. Dat is ook niet zo gek, want Schotman zegt doodleuk dat de NAM zich verantwoordelijk voelt en ruimhartig genoeg is, maar: ,,dat betekent niet dat je als een Sinterklaas alles maar links en rechts kunt doen.’’

Eigenlijk, dacht ik toen ik dat las en dat dacht ik nog steeds en daarom blijven de woorden van Thijsen ook hangen: de NAM zou dat juist wél moeten doen. Cadeautjes uitdelen.

Doe niet moeilijk over meldingen, doe niet moeilijk over omgekeerde bewijslast, doe nergens moeilijk over. Wat je ook uitgeeft aan schadeherstel, compensatie en cadeautjes, het zal altijd een schijntje blijven, afgezet tegen de 200 miljard euro die hier uit de grond is gehaald en de miljarden die nog uit de grond worden gehaald.

Dat die gasbel hier zit is geen verdienste van de NAM. Daar heeft de NAM, of Henk Kamp, niks voor hoeven doen. Die gasbel, dat is ook een cadeautje.

woensdag 29 april 2015

Voorbij de Watertoren (58) – Over de Vaste Maar Zo Langzamerhand Totaal Ongeloofwaardige Patronen van de Moderne Thriller(serie).

Oost-Groningen, mijn land, zou het perfecte decor zijn voor een thriller of detective (film of serie). De depressief makende leegte, de zwijgzame en bokkige Veenkolonialen, alsmede het abominabele klimaat zijn gemaakt voor een urenlange whodunnit.

Zoals Hollands hoop zonder schaamte Breaking Bad kopieerde, zo is eenvoudig een storyboard te verzinnen op basis van mijn kijkervaringen bij Silent Witness, Morse, The Following, The Killing, Dalziel & Pascoe, Witnesses, Wallander, Varg Veum en The Bridge. De patronen in al die series zijn immers dezelfde.

De Hoofdpersoon

 
Man, vrouw, jong of oud, alles kan, mits een loner. Sociaal onaangepast. Humeur om op te schieten. Je ziet nooit een protagonist die geld inzamelt voor het jaarlijkse personeelsuitje of op kraamvisite gaat. Alcoholist. Zorgt slecht voor zichzelf. Loopt er slonzig bij. Eten is bijzaak. Vertoont echt therapeutisch gedrag. Lacht nooit. Kijkt veel voor zich uit. Hannest met mobieltje, die te pas en te onpas afgaat, zonder dat ie ooit aan de lader hoeft.

De Assistent

 
Sullig type. Jan Modaal, Otto Normalverbrauch. Komt nooit met beslissend inzichten, maar is wel nodig, bijvoorbeeld om af en toe te zeggen: ‘Ga er niet alleen op af.’

Wat de hoofdpersoon natuurlijk wel doet. Een keer of wat springt hij of zij in de auto en gaat in zijn/haar uppie een verlaten gebouw/bos/loods/kelder in. Wat vrij dom is, maar waarschijnlijk luidde de instructie op de politieschool: wat je ook doet, vraag nooit om back-up.
 

De Chef

 
De protagonist staat op gespannen voet met baas/chef/hoofdcommissaris. Minstens twee keer per aflevering hebben ze ruzie, waarbij een van de twee boos wegloopt. Op zich bijzonder omdat de hoofdpersoon nauwelijks op het bureau is. De held schrijft geen rapporten, levert geen urenbriefje in en ATV hoort er niet bij. Het is 24/7 op de zaak. Ondanks bewezen diensten en een voor elke werkgever jaloersmakende betrokkenheid, hangt hem of haar voortdurend een schorsing boven het hoofd.
 

Gezin/Familie

 
Gescheiden. Altijd. Net als moeizame relatie met ex. Rechercheur heeft nergens tijd voor. De zeldzame keren dat er thuis gegeten wordt, met de kinderen, komt al snel een telefoontje. Je ziet hem of haar nooit op ouderavonden, ’s ochtends de broodtrommels inpakken, of een pleister op een zere knie plakken.
 

De Zaak

 
Moord. Bij voorkeur. Kinderen of vrouwen. In bizarre settings. Nooit eens iemand die gewoon boos wordt en een rivaal omlegt, volgens het vertrouwde recept van de Maffia: oog om oog, tand om tand. Dader is standaard een freak. Vecht persoonlijke vete met rechercheur uit.
 

Het Verloop

 
Na de eerste dode volgen er meer. Allemaal gruwelijk. Aanwijzingen worden op ingenieuze manier verstopt, maar stuk voor stuk door rechercheur ontrafeld. Hij of zij neukt soms met verdachte/getuige/collega.

Als halverwege confrontatie met dader volgt (hoeft niet), kan hij/zij de held eenvoudig vermoorden. Hoewel dat de zaak voor de freak zou vergemakkelijken laat hij/zij dat om onduidelijke redenen achterwege.

De patholoog/anatoom doet tussentijds uitspraken. Levert nooit een afgerond rapport in, dat in een team besproken wordt. Doet die mededelingen uit de losse pols, als rechercheur toevallig de sectiekamer binnenloopt, waar het lijk (nog) steeds klaar ligt.

Het hele politieapparaat kampt tot zeker driekwart van film/aflevering/seizoen met alleen maar tegenslag en loopt voortdurend achter de feiten aan. Rechercheurs overleggen door elkaar vaak zwijgend aan te kijken.
 

Het Verhoor

 
Hoofdpersoon verhoort soms verdachten, maar doet dat op een Allejezus halfbakken manier. Maakt het nooit af. Altijd wordt hij of zij geroepen en gaat dan de verhoorkamer uit om in zijn/haar auto te springen richting bosje/loods/verlaten huis.
 

Ziekenhuis

 
Protagonist belandt minimaal een keer in het ziekenhuis. Met gebroken ribben/hersenschudding/schotwond. Zit de herstelperiode niet uit. Trekt opeens de kleren aan, die gewoon op de stoel naast het bed hingen en hinkt, al dan niet met een bebloed verband om het middenrif, de afdeling af. Dat lukt ongezien, omdat er op zo’n moment nooit een verpleegster in de buurt is.

Als verdachte of slachtoffer in het hospitaal ligt, is er wel bewaking, maar ook die is in geen velden of wegen te bekennen als de gewonde ontsnapt (verdachte) of alsnog wordt vermoord (slachtoffer).
 

De Ontknoping

 
In dezelfde verlaten schuur/bos/huis als waar de hoofdpersoon al eens is neergeschoten. Eindigt steevast in één-tegen-één duel met moordende freak. Dat blijkt iemand die aan het begin even te zien was, verder niet meer in het verhaal voorkomt en aan het einde plotseling opduikt en vlak voor het eindgevecht met een onduidelijk verhaal zijn daden verantwoord. Heeft iets met vroeger te maken.

Daarna volgt slotduel, waarbij de held eerst in kansloze positie wordt gemanoeuvreerd, zijn wapen kwijtraakt, zich op miraculeuze wijze herstelt en de freak uitschakelt. De held loopt dan naar de auto, terwijl zijn mobieltje afgaat.
 

Einde

zondag 26 april 2015

Een negatief stukje


De dag na de uitreiking van de Groninger Persprijs 2013, toen ik een 'spraakmakende' column had voorgelezen, getiteld Een positief stukje, werd ik gebeld door de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden. Hij begon met: ,,Geloof jij in toeval?’’

Eh.. Nee.

Waar ik vandaan kom, Oost-Groningen, is niks tussen hemel en aarde. Toeval, lotsbestemming, karma en zen, daar doen wij niet aan. We verwachten nooit iets. We nemen het leven zoals het komt en het komt zoals we het verwachten: drie keer niks.

Het enige waarmee de Sorghvliethal in Veendam volstroomt met iets wat ons boven de pet gaat is de Kamasutra-beurs.

Mijn verwachtingen van het gesprek waren dan ook niet hooggespannen, maar de hoofdredacteur meldde dat ik een kans kreeg bij het Dagblad van het Noorden.

Ik zat zeventien jaar bij de huis-aan-huisbladen. Stukjes schrijven voor titels als de Veendammer, HS-krant, Gezinsbode, Kanaalstreek/Ter Apeler Courant, Eemsbode, Westerkwartier, Noorderkrant.

Positieve stukjes.

Zeventien jaar

 
Zeventien jaar is een lange tijd en ik had ook wel wat anders gewild, maar op sollicitaties, bij eerst het Groninger Dagblad en later bij het Dagblad van het Noorden, kreeg ik brieven terug die eindigden met: ‘Bedankt voor de belangstelling in ons bedrijf’ en ‘We wensen u veel succes met uw carrière elders.’

Ik hoef denk ik niet uit te leggen dat als je dat drie keer leest, je bij de vierde vacature niet denkt: hé, een kans.

Dus ging ik door met wat ik deed: positieve stukjes schrijven. En als er eens geen Kamasutra-beurs was, zat ik thuis aan de keukentafel. Mijn ambities leefde ik vooral buiten het bedrijf uit en dat resulteerde in elf boeken, drie literairjournalistieke prijzen, twee viersterren recensies in de Volkskrant, het lidmaatschap van het Genootschap Groninger Pers Prijs en boeken nummer twaalf, dertien en veertien zijn in de maak.

Een beetje snakken

 
Dat was een beetje snakken, maar ik dacht: op zeker moment zal het wel opvallen dat ik best iets kan, maar dat gebeurde niet. Ik heb lang getwijfeld of ik voorgaande op zou schrijven omdat je dat niet doet, pochen over jezelf, maar ik krijg nu van Dagblad-mensen terug dat het idee bestond dat ik ‘daar wel lekker zat, bij de weekbladen’. Dat is bij deze dus rechtgezet.

Het telefoontje van de hoofdredacteur kwam ook nadat ik me al lang en breed had neergelegd bij het feit dat ik bij de NDC Mediagroep in ieder geval geen carrière zou maken. Ik was 48 jaar. Dat ging hem niet meer worden. Ik vond het ook goed. Als het zo moest zijn, dan moest het zo zijn. Sterker: het hoefde niet eens meer. Op mijn leeftijd moest je geen beginnend regioverslaggever willen zijn.

Dat alles zei ik echter niet. Omdat het alternatief, nog eens zeventien jaar bij de huis-aan-huisbladen, toch niet zo aanlokkelijk leek, hoorde ik mezelf antwoorden: ,,Ja, leuk. Mooie uitdaging. Bedankt.’’

Een andere wereld

 
Waarna ik belandde in een compleet andere wereld. Positieve stukjes kon ik bij het Dagblad vergeten. Dat wat binnenkwam via de mail, de basis voor alle huis-aan-huisbladen, werd zowat volledig genegeerd. Het was andersom: het werd pas interessant als er stront aan de knikker was. Daarover kreeg je meestal geen mail.

Het duurde even voordat ik dat door had. Op het voorstel voor een artikel over een schoenlapper die geld inzamelde voor een goed doel reageerde mijn chef met een vies gezicht.

Ik dacht aan wat ik fotograaf Hans Zuidema eens hoorde zeggen: ,,Tja, mevrouw. Als iedereen gewoon doet wat ie moet doen komt er nooit meer een krant uit.’’

Die quote gebruikte ik vorig jaar ook in de column, net als die van David Bernstein: ,,Nieuws is alles wat ongerijmd is.’’

Na twaalf maanden bij het Dagblad weet ik dat echt niemand doet wat ie zou moeten doen en dat ‘ongerijmd’ beter kan vertaald worden als ‘een puinhoop’.

Tynaarlo

 
Mijn werkgebied is de gemeente Tynaarlo en in het jaar dat ik er werk scheelde het niet veel of het geliefde Sprookjeshof had de deuren gesloten, ging de Prins Bernhardhoeve failliet, schreef ik dat er een nieuwe bestuurscrisis in de maak was en werden alle bijenvolken in de driehoek Stadskanaal, Hoogezand-Sappemeer en Haren preventief uitgemoord vanwege Amerikaans vuilbroed.

De plaatselijke bakker schuimbekte door de telefoon dat ik die vertrouwelijke brief onmiddellijk moest verscheuren en ik zat een half uur met de nieuwe burgemeester aan de telefoon omdat ik had geschreven dat de raadsvergaderingen wel wat compacter mochten.

Een komisch bedoeld stukje van mij over het behoud van de bitterbal tijdens raadsvergaderingen werd door SBS6 en GeenStijl opgeklopt tot krokettenoorlog en tot mijn schrik zag ik GroenLinks Tynaarlo en CDA Tynaarlo ’s avonds op de televisie. De een met een schaal humus voor zich, de ander met een schaal bitterballen.

Het ging maar door. Op mijn vrije dag had ik woedende voorzitters van belangen- en dorpsverenigingen aan de telefoon, met teksten als ‘We zijn er he-le-maal klaar mee’ en tijdens debatten zaten ondernemers hoofdschuddend op de publieke tribune.

Alles mis

 
Afgaand op bronnen die niet via de mail werkten ging alles wat mis kon gaan in Tynaarlo mis in de sectoren bouwen en wonen, verkeer en vervoer, welzijn, cultuur, economie, sport en onderwijs. Ik begreep niet hoe iemand daar nog kon wonen. Niks was geregeld.

Het ging te ver om te zeggen dat ik de positieve stukjes miste, maar als iemand mij vroeg hoe het bij het Dagblad ging zei ik: ,,Leuk. Wel even wennen.’’

Dat heeft ook met mijn afkomst te maken. Als je een hele jeugd lang hoort dat het niks wordt, dan is het desastreus voor je wereldbeeld als blijkt dat het inderdaad niks is geworden.

Ik, brenger van al dat slechte nieuws, begin me ook medeverantwoordelijk te voelen. Ik durf amper nog de afdeling voorlichting te bellen en omdat ik elke dag vanuit Slochteren naar Assen rij heb ik het gevoel dat zelfs de aardbevingen mij achterna zijn gekomen. Ook Noord-Drenthe is nu rampgebied.

Ik probeer het af en toe minder hard op te schrijven, zodat de mensen niet depressief van de krant worden, maar een collega adviseerde mij om het college juist naar huis te schrijven.

,,Waarom?’’

,,Omdat het een slecht college is’’, was het antwoord.

,,Hoezo? Het zou toch best kunnen dat het beter gaat nu?’’

,,Nee.’’

Leuke dingen

 
Goed, er zijn leuke dingen. Zoals dat alle overuren en onkosten gecompenseerd worden. Dat had ik nog nooit meegemaakt. Zoals een interviewtraining bij Frénk van der Linden.

Zoals dat ik als voetballer die niet verder kwam dan de vierde klasse KNVB voor de voorpagina een beschouwing mocht schrijven over Louis van Gaal.

Maar ik leverde mijn interview met klotsende oksels in en verwachtte half en half een telefoontje van een briesende bondscoach.

Twijfels of ik een echte journalist ben heb ik altijd gehad. Ik ben een naïeve man die nog steeds hoopt dat het een keer goed gaat met de wereld, terwijl je er bij het Dagblad van uit moet gaan dat elke burgemeester, wethouder, clubbestuurder en evenementenorganisator, zelfs de schoenlapper met zijn goed doel, er een potje van maakt en dat al liegend en bedriegend probeert te verdoezelen, ondertussen tonnen gemeenschapsgeld verdonkeremanend.

Het zal geen verrassing zijn dat mijn twijfels in dienst bij het Dagblad van het Noorden alleen maar groter zijn geworden. Al hoor ik soms lovende woorden, ik sluit niet uit dat de hoofdredacteur morgen, of op een andere dag na de uitreiking van de Groninger Persprijs 2014 belt en zijn verhaal dit keer begint met ‘Tja…’
 
(uitgesproken op 23 april 2015 in Lola, tijdens de uitreiking van de Groninger Persprijs 2014)

woensdag 22 april 2015

Voorbij de Watertoren (57) Bed wakker staan

Bed alarm wakker staan. Gang kat keuken vloek. Bord stuk vloek pleister. Brood boter hagel melk. Kachel kraan magno koker. Schreeuw alarm herhaal schreeuw. Vrouw zoon zoon zitten. Daar nee hier daar. Game nee game ja. Kauwen kauwen kauwen klaar. Tas trommel beker klaar. Shirts sokken broeken kleden. Nu.
Tv aan eet tv uit. Tempo wc douche poetsen. Traag gek boos huil. Gel föhn washand geklier. Tas jas deur gaan. Oprit deur auto deur. Stop vergeten vloek deur. Slot sleutel open terug. Start weg kruising fietsers. Middelvinger zwaai licht gas. Rijden rijden rijden stop. School plein hal groet. Kus dag juf binnen.
Phone check mail gaan. Bocht stop weg bocht. Pomp stop klep geld. Links rechts links gas. Bocht rotonde stop file brug. Vloek berm middelvinger fuck. You. Bocht truck langs truck. Voorbij links voorbij rechts. Gaan radio Freeze volume. Bedrijf rechts lucht links. Auto’s auto’s auto’s auto’s.
Stop bocht rood groen. Stop bocht rood groen. Rechts fiets voet brom. Gebaar terug boos o ja. Kijk mensen terug hoi. Plaats stil uit tas. Loop zebra brink deur. Krant zit start koffie. Vrouw praat man praat. Tafel blok groet werk. Bel schrijf bel schrijf. Praat zoek kijk check. Brood koffie melk appel.
Schrijf praat bel tweet. Lijstje check lijstje check. Kijk horen zwijg vraag. Auto sleutel weg deur. Schrijf vraag schrijf vraag. Grap lach grap lach. Water appel water kroket. Nieuws weg fuck en fuck. Bel zwijg mail vraag. Loop plas handen was. Zit werk muziek lach. Druk mensen tafel veel.
Krant verhaal morgen nieuw. Vraag antwoord vraag antwoord. Weg rust werk tijd. Auto sleutel huis bocht. Rechts rechts rechts rechts. 80, 100, 120, 130. Druk stad file vloek. Tijd tekort te laat bots. Langzaam bocht rotonde bos. School huis borrel rust. Groen, deeg vlees vuur. Borrel roer borrel klaar.
Praat school werk dag. Vaat was tv koffie. Pyama poets zeur niet. Lezen lampje nog even. Schreeuw licht uit nu. Wakker toch poepen ok. Blijven tv nee slapen. Nu. Serie crime moord politie. Nieuw leuk door moe. Bank slaap mond open. Schrik tijd kachel uit. Kat vreten schuur plas. Bed lees gaap slaap.