woensdag 15 juni 2016

Een gevloek uit de ene jongenskamer, iets met downies en pauper en daarna een gesprek, tussen mijn zoons. Ik vang op dat de oudste zegt, zwaar geïrriteerd: ,,En dan moet je ook nog staan lachen.’’

Dus loop de korte gang door en vraag wat er aan de hand is. Hij wijst op zijn kussen. Daar ligt een stinkbom. Een deel ervan op het matrasovertrek.

,,Dat is niet handig’’, zeg ik tegen de jongste, ,,stinkbom oké, maar niet op het bed. Op een stoel, op de grond, in zijn schooltas. Daar was-ie voor bedoeld.’’

Hij knikt, al kan ik er geen schuldig gezicht van maken.

De oudste blijft vloeken, al bespeur ik geen aanstalen om de boel op te ruimen.

,,Zal ik even schoonmaken?’’, vraag ik.

Zoons zijn verbaasd dat het een vraag is.

Ik pak het overtrek, kussensloop, gooi het in de wasmand, pak schone uit de kast in onze slaapkamer en verschoon het bed. De jongste mag met doekjes de bomresten op de vensterbank opruimen. Er ligt niet veel en binnen een paar minuten is de klus geklaard.

Terwijl ik het raam open zet, merk ik op: ,,Ik ruik niks.’’

,,Een slechte stinkbom’’, constateert de oudste, ,,hoe komt hij er eigenlijk aan?’’

,,Gekocht van een klasgenootje. Een euro of zo. Hij heeft er dus zelfs geld voor over om jou te plagen.’’

,,Oh, ik ga hem zo wreed terug pakken.’’

Dat is dan waarschijnlijk voor een later moment, want hij blijft zitten waar hij zit. Ik pak de doekjes, loop terug naar de woonkamer, waar de jongste in de keuken zijn handen wast. Op fluistertoon zeg ik: ,,Dat was niet handig, op het bed. Nu is H. erg boos.’’

Hij grijnst.

,,Of vind je het leuk dat hij boos is?’’

,,Het was het elke cent waard.’’

dinsdag 14 juni 2016

Het eerste wat ik zie als ik mijn computer aanzet is een zwart-wit foto. Van Ernest Hemingway. Zittend aan een tafel, in korte broek en overhemd met korte mouwen. Ik weet niet hoe oud hij hier is. Ik zou kunnen gokken, maar dat doe ik niet. Zijn haar is zwart, ietwat grijs aan de slapen.

Voor hem ligt een schrift, een stuk papier. Dat kan ik niet zo goed zien. Er liggen nog wat andere paperassen naast en voor hem en aan de linkerkant, voor de kijkers rechts, ligt een bril. In zijn rechterhand heeft hij een pen en met zijn linkerhand, krabt hij net even voor zijn oor. Je ziet dat hij een tekst leest. Al is onduidelijk of de man daarbij iets denkt.

Het is mijn favoriete foto van Hemingway.

Er gaat een onvoorstelbare - rust is niet het goede woord – vanzelfsprekendheid vanuit. Dit is de man, dit is wat hij is. Schrijver.

Balans, ook dat zie ik er in.

Het tafelblad deelt de foto door midden. Je ziet zijn lichaam boven en onder de tafel. Zijn harige benen, zijn harige armen. Ik weet niet waarom mij dat opvalt.

De kamer is eenvoudig, basic. De tafel is stevig, maar geen pompeus geconstrueerd schrijfbureau of zo. Zo’n aanstellerig ding waar je iemand als Mulisch achter ziet zitten, met een pijp in de mond en een sjaaltje om de nek. Nee, hier zit een man die bij het schrijven weinig ümfeld nodig heeft. Alleen een kleine boekenkast achter hem, waarvan ik geen titel kan ontwaren. Ook is onduidelijk aan welk boek/artikel/essay/brief mijn favoriete schrijver werkt.

Aan zijn linkerpols een horloge. Ook geen overdreven ding. Gewoon, een horloge. Een praktisch sieraad waarop je kunt zien hoe laat het is en waar je verder niet moeilijk over hoeft te doen.

Ik hou niet zo van statements, maar deze Hemingway, aan deze tafel, in deze setting, is wat schrijven is.

woensdag 8 juni 2016

Ik zit voor de tv en kijk in het keelgat van een man. Een oude man. Geen fijn gezicht. Het is dr. Pol. Een beroemdheid, maar eerlijk gezegd zit ik niet te wachten op een close up van een huig en een wat gelig gebit van iemand die de zeventig is gepasseerd, maar voor ik kan wegduiken is het beeld alweer weg. Mezelf kennende weet ik dat ik hier nog vaak aan ga terugdenken.

Dr. Pol was jarig en zijn zoon en ik geloof zijn vrouw hadden met roze spuitbus een verjaardagsgroet op de zijkant van een koebeest gespoten. Zodat als de dierendokter zijn arm in de reet van het dier zou steken, hij toch een beetje een feestelijk gevoel had.

Het achterwerk van het dier komt ook in beeld en ik ben allesbehalve een deskundige op het gebied van koeienkonten, maar omdat de camera er dicht op zit zie ik aan de bloederige bobbels dat die kont niet helemaal goed is.

Fijne verjaardag, zo.

Als ik vraag of het er af mag, zeggen mijn zoons van niet. Waarom niet, vraag ik. Ze vinden het leuk. Waarom? Omdat Dr. Pol dieren beter maakt. Het is interessant, leggen ze uit en dat klopt: het is ook interessant, alleen niet op een vlak dat mijn directe belangstelling heeft, zeker niet als ik net gegeten heb en bij wijze van toetje een stukje chocola op mijn tong laat smelten.

Zoals dr. Phil vervelend is, zo zijn praatprogramma’s saai, of realityshows waarin een boer een vrouw zoekt, of twee en uiteindelijk drie naakte mensen om God weet wat voor redenen opdrachten moeten uitvoeren op een onbewoond eiland.

Dan kijk ik nog liever met de oudste naar Nazi Megastructures. Niet omdat we verlangen naar de tijd waarin de Duitsers probeerden de wereld opnieuw in te richten, maar om de soms indrukwekkende bouwwerken en juist het feit dat ergens op plekken waar wij nooit zullen komen, netwerken van gangen, hallen en opslagruimtes onder de grond liggen. Wie weet waar zich nog meer dingen bevinden waar geen mens vanaf weet, behalve de redactie van National Geographic.

Ook op NGC en Discovery worden items onnodig gedramatiseerd, maar je ziet op die pseudowetenschappelijke zenders nog wel eens een shot zonder een talking head. In tegenstelling tot de brij op publieks- en commerciële zenders rond prime time, waar bij voortduring iemand boos is, huilt of het niet meer ziet zitten, omdat haar man het met haar zus deed, hij of zij verwaarloosd is door moeder, vader, opa of oma, broer, zus of door allemaal en de nieuwste trend is dat commerciële zenders willen scoren over de ruggen van geestelijk gehandicapten.

Het is natuurlijk bizar dat we een fantastisch medium als televisie hebben en we na een jaartje of zeventig niet verder komen dan een programma over een mij totaal onbekende vrouw die klaagt over het feit dat haar, mij al even onbekende, man, twee linkerhanden heeft.

Ga bij hem weg, denk ik. Wordt toch niks meer.

Zelfde gevoel bekruipt me als ik stellen zie die hun kinderen uit hun vertrouwde omgeving scheuren, terwijl elke ouder weet dat kinderen liever doodgaan dan vriendjes, zwembad, school en slaapkamertje achter te laten, om een of andere onbereikbare droom na te jagen. Blijf thuis, denk ik, of bereid je gewoon beter voor.

En wat is eigenlijk de achterliggende gedachte dat wij dat allemaal moeten weten?

Amusement?

Daar heb ik andere ideeën over.

Ik heb het bovendien druk zat, zonder ook nog eens bezig te moeten zijn met de sores van landgenoten die niet goed nadenken voor ze ergens in stappen.

Zo moeilijk is het leven ook weer niet. Gewoon geen domme dingen doen.

Tot overmaat van ramp genereren alle praatprogramma’s en realityshows en zangcontesten een nieuwe dynamiek, want alle 500.000 kijkers per uitzending hebben er op Twitter een mening over, steken die uiteraard niet onder stoelen of banken, want waar is Twitter anders voor en al die meningen komen ongeveer overeen met wat mij bekruipt als ik gedwongen word mee te kijken en dan denk ik: kijk dan niet.

Het gaat toch nergens over.

Al wordt de indruk gewekt van wel. Geluid en beelden zijn zo gemonteerd dat het een aaneenschakeling is van flitsen en gebeurtenissen, gekakel en geruzie. Ik word knettergek van de hoeveelheid impulsen. Je bent tegenwoordig blij dat je een reclame ziet voor een smeerseltje tegen vaginale schimmel.

Ik ben niet tegen televisie. Integendeel. Maar 99 procent wat ik zie is niet mijn kopje thee. Er wordt zelden een opmerking gemaakt die je als ‘tijdloos’ zou kunnen bestempelen, omdat hij een week door je hoofd blijft spoken en je levensvisie overhoop gooit. Zelfs rond voetbalwedstrijden niet, die ook meer en meer omgeven worden door gelul en bij voorkeur door ex-voetballers waarvan je denkt: goh, waar speelde hij alweer?

Wat blijft hangen is dr. Pol die tot aan zijn schouder in een koeienreet zit om ergens in het binnenste van het dier een paar magen recht te leggen.

Dat zal dan precies de bedoeling zijn, maar ik hou me vast aan een berichtje dat ik ergens las, Twitter of in de krant, dat jongeren weer vaker naar een boek grijpen.

dinsdag 7 juni 2016

Ik durfde vandaag amper naar gitaarles. Omdat ik weer niet had geoefend. Dat komt de laatste tijd vaker voor. Het hoeft eigenlijk niet heel erg veel, kwartiertje per dag, maar ja, een dag is om voor je er erg in hebt en soms, dan zit ik net op de bank en denk ik: oh ja, gitaar en dan denk ik: ach, kan morgen wel en dat denk ik dan ook weer als het morgen is en voor je het weet is het dinsdag en sta ik weer met een bezwaard gemoed voor het huis van de gitaardocent.

Dat wat ik voor vandaag in had moeten studeren (eigenlijk voor vorige week al) was een Flamenco-riedeltje; paar akkoorden afgewisseld met tokkelloopjes. In principe te doen, maar je moet het wel doen.

Ik draaide er ook niet om heen en zei, toen ik de gitaar stemde, het maar eerlijk: weer niet geoefend.

Roel, zo heet de gitaardocent, glimlachte: ,,Te druk met de poesjes?’’

,,Eh, ook een beetje.’’

Het zit in mijn aard dat ik me verontschuldig voor alles wat ik nalaat, vergeet of verstommel. Ben ik zo gewend van mijn jonge jaren. In de jaren zeventig deed je als kind standaard alles verkeerd. Dan hoorde je meteen: ,,Zeg even sorry.’’ En dat ben ik blijven doen. Op de een of andere manier sta ik in de stand dat ik mensen te kort doe, of zo. Wat onzin is. Anderen houden zich minder met je bezig dan dat je zelf denkt, maar goed: het zit er in.

Het is ook mijzelf overigens een raadsel dat ik te weinig oefen, want ik vind gitaarspelen hartstikke leuk. Een aantal liedjes kan ik best aardig en die ken ik aardig, omdat ik ze veel heb geoefend. Zoals een andere instructeur, de zoon van Moti, ons eens zei: je moet een nummer wel duizend keer spelen. Dan ken je het. Dat heeft dus minder met talent en meer met ambacht te maken. Ongeveer mijn levensmotto. De klare waarheid van een opmerking als ‘oefening baart kunst’, daar kan ik me helemaal in vinden.

We vragen elkaar altijd hoe het met ons gaat en daarna constateerde Roel dat ik me langzaam aan toch ontwikkelde en ging nog even door op de houding van mijn rechterhand bij het flameco-riedeltje. Die van mij bewoog heen en weer alsof ik hem net uit de brandnetels trok, terwijl het de bedoeling was dat alleen de wijsvinger bewoog. Ik moest doen alsof ik die wegschoot. Dat ging lastig. Daar moest ik dus nog even op oefenen.

Of ik nog andere wensen had, qua in te studeren liedje?

De vorige keer had ik ‘Jailer’ van J.J. Cale geopperd. Roel was er nog niet aan toegekomen om chords en tabs van die song te vinden, dus zei ik ‘doe dan maar iets van een zomerliedje of zo’. Het was tenslotte mooi weer en 29 graden op het oefenkamertje.

De les duurt 25 minuten dus hij kon geen kwartier zoeken en dat wat hij het eerste er uit pikte, ‘The Wild Rover’ van The Dubliners, werd het. ,,Ah, De Langeleegte’’, zei ik. Want de basis voor het clublied van SC Veendam was een Ierse traditional.

In mijn beleving is dat een soort hoempapa-song, maar zoals Roel het uitlegde en voordeed, viel dat erg mee. Leuk, vond ik, zoals ik bijna alle liedjes die ik in moet studeren, leuk vind. Ik ga nu op zoek naar de livecd van die baardmannen in de bultje-bultje-ken-nog-meer-op-zooi die voor onze cd-collectie moet doorgaan. En door dat liedje weet ik nu ook de naam voor het wit/crème katje: Molly Malone.

maandag 6 juni 2016

De zwarte heet Rover, de grijs-zwart gestreepte noemen we Dzjengus en voor de witte (eigenlijk cremé) half Siamees hebben we nog geen naam. Ik stelde blacky voor, maar mijn humor komt nooit zo aan. Als ik de mop van de twee haaien vertel (‘Zwemmen twee haaien in de zee, zegt die ene haai tegen de andere haai: hai’) kijken mijn zoons en vrouw naar mij alsof ik een schone luier moet.

De drie nieuwe katjes zijn niettemin een feest. Ze arriveerden vrijdag, terwijl ik aan het voetballen was. We wilden eigenlijk twee, maar van het nest van vier bleef één over. Vonden we sneu. Hebben we de derde ook genomen. Ik bedoel, ik sta er over een paar weken toch weer alleen voor qua verzorging en of ik nu twee vreten moet geven of drie, maakt ook niet uit.

Ze verblijven voorlopig in de woonkamer. Tot ze gewend zijn. Aan ons, aan ons huis. Dat is een nadeel, met deze tropische temperaturen, omdat de deuren dicht moeten blijven, maar ik vind het leuk; weer levende have om ons heen. Dieren horen bij een huis.

Het is opnieuw oppassen geblazen omdat je nergens een wijnglas meer kunt laten staan, of een bord eten en de jongste riep net ‘Het stinkt hier naar kak’, naar waarheid overigens, want er hangt hier bij tijd en wijle een enorme putlucht, maar we zijn er blij mee. Met de katjes.

De oudste ook.

Die wilde na het verscheiden van Raï never nooit een kat weer, want dat was zijn vriend, maar hij loopt weg met de drie. Dat wisten wij natuurlijk wel, zo gaat dat. Als ouder weet je wat goed voor je kind is.



Apart is dat van de een op andere dag alles weer anders is. Je zit op een groene bank en ineens rent er iets in je ooghoeken voorbij. Of je ziet ineens een pootje over de rand, dat ritmisch in het luchtledige mept. Ze zijn in de fase dat elke bewegende vinger een prooi is.

Favoriete slaapplek is vooralsnog bovenop de stapel tijdschriften. Dat verbaast. Je denkt: dat mandje met dat dekentje, dat is goed voor jullie, maar nee.

Ze spelen met een veter. Geen moment bij stil gestaan dat zoiets leuk was. Al bergen we die ’s nachts op. Je moet er niet aan denken dat er een de veter om zijn halsje krijgt en wij zijn daar niet bij.

Dat wat ze eten valt me mee. Ik had melk gekocht, harde brokjes en zachte brokjes, maar het is nog geen hapsloekweg. Ook het rieten bijzettafeltje waar ze gedrieën onder kruipen is een verrassende plek. Zal wel bescherming bieden, tegen al die langslopende grote benen.

Het schichtige is er na drie dagen al een beetje af. Zoals de oude Raï bij mij zat als ik achter de laptop zat, zo kijkt de witte aandachtig hoe mijn vingers over de toetsen bewegen.

Lijkt zo lang geleden, een kat naast me bij het schrijven.

Gek, ze dommelt langzaam in. Zoals Raï tegen mijn arm aan sliep als ik werkte. Al kan het ook van de warmte komen die de laptop uitstraalt.

Of de warmte die ik uitstraal.

Er ligt zelfs een pootje op mijn arm. Ik heb er een vriendin bij. Alleen nog een naam voor haar: Maus, Maan, Moon, Jolie, Blacky, Witje, we komen er niet uit. Sissie, zegt mijn vrouw. Zij vindt de witte trouwens ‘lelijk’. Vanwege de blauwe ogen en de witte vacht. Je bent zelf lelijk, zeg ik tegen mijn vrouw.

Snowy, Romulus, Remus, Miller, Garfield, Felix, Sirikit, Whitey, Whisky…

donderdag 2 juni 2016

Ik heb een ideetje: Dag van de Gasopstand. Waarom? Om toch. Omdat we er klaar mee zijn. Met het gedoe. We zijn murw. Ik vertel niks nieuws als ik zeg dat het nog steeds krabben en knoeien is met schadeherstel, compensatie en gevoel van veiligheid. Goed, er is al een tijdje geen gasbeving van formaat meer geweest, maar dat wil niet zeggen dat die niet kan komen.

Uit alles wat tot mij, tot ons, mijn collega’s bij het DvhN komt, is dat de klachten niet minder worden, maar hetzelfde blijven. Of zelfs erger. Schades worden bijna standaard afgedaan als ‘C’, wat betekent niet aardbevinggerelateerd en mensen voelen zich geïntimideerd, geschoffeerd en gekoeioneerd door de NAM. Daar zijn natuurlijk geen rapporten van, dat vertellen mensen ons. Mensen wiens huis tegen de vlakte gaat, moet, of die nog steeds wachten op herstel. De Shell vertoont hier hetzelfde gedrag als in Nigeria en minister Kamp zegt in het boek De Gaskolonie dat hij toch echt beslist en hij alleen en het is ik, ik, ik, maar…

Nu ja, dit is de zoveelste keer dat ik dit optik en ik ga niet nog verder, behalve één opmerking nog en dat is hoe Zweden laat zien dat het toch echt anders kan. Daar wordt een heel dorp, Kiruna, drie kilometer verplaatst ten behoeve van de mijnbouw en mensen krijgen de waarde van hun huis vergoed en daar zelfs 25 procent boven op.

Ik zeg: Dag van de Gasopstand. Op 29 mei was mooi geweest. Op die dag in het jaar des heren 1959 werd immers op het land van Boer Boon in Kolham gas ontdekt. Omdat het nu 2 juni is ben ik dus te laat. Wat nog wel kan: 1 juli 2016, precies 55 jaar geleden vroeg de NAM de concessie ‘Groningen’ aan.

Het is maar een ideetje en misschien een dom idee en ik weet eerlijk gezegd ook niet wat we die dag zouden moeten doen, staken, alle wegen blokkeren, honderden vuurspuwers de straat op sturen, met zijn allen poffert maken, zoiets, maar ik vind het wel goed klinken: Dag van de Gasopstand.

woensdag 1 juni 2016

De bijen kwamen voorbij in een interview met de dijkgraaf van Waterschap Hunze en Aa’s. Alfred van Hall, heet hij. We spraken over ’t Roegwold, een gebied van zeg 1100 hectare tussen Slochterdiep en Schildmeer. Landbouwgebied veranderd in natuur. In de regel heet dat ‘teruggegeven’, maar dat is gelul. Natuur krijgt niks terug. Natuur rules. Ook al bombarderen we nu de hele mensheid aan gort met alle kernbommen die we hebben, zelfs dan zijn er specimen die overleven en, wellicht in een andere vorm vanwege de overdosis aan radioactiviteit, blijven doorleven. De mens zal het onderspit delven, het leven niet.

Wat Van Hall zei over de bijen, want landbouwers zijn natuurlijk niet blij met het opofferen van land dat al eeuwen familiebezit is en brood op de plank brengt, is dat ze een goed voorbeeld zijn van dat de landbouw niet zonder natuur kan. Zonder het werk van de geelzwarte vrienden zou het telen van bepaalde gewassen niet mogelijk zijn.

Oud-minister Cees Veerman van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ging een dag later in de Fraeylemaborg, bij de afronding van bijna 25 jaar werk aan ’t Roegwold, een stapje verder. Hij zei: als er geen bijen zouden zijn, waren we binnen drie, vier dagen allemaal dood.

Goed, Veerman en Van Hall spraken dezelfde taal, voor hetzelfde project, maar ik dacht aan het smsje van mijn chef Drenthe, ongeveer een jaar geleden. Ik was net aan de slag bij het DvhN en de strekking van het berichtje was dat ik het ‘vuilbroed’ die dag moest oppakken. Ik smste terug: ‘Wat is vuilbroed?’

Ziekte onder de bijen. Ontdekt op twee plekken in de regio Zuidlaren – Hoogezand-Sappemeer en het was toen groot nieuws. Hoewel ik er een verhaal van maakte snapte ik de zorg toen niet zo, maar nu wel. Als het de bijen niet goed gaat, dan merkt de mens dat.

Direct.

We gaan er gewoon aan zonder de bijen.

Wij hebben sinds kort een kas. Door mijn vrouw gewenst, door mijn vader gemaakt. Ik heb er nauwelijks tijd voor, maar ik vind het mooi zoals het staat en oudste zoon heeft het inmiddels als zijn project gekaapt en hij zorgt er voor en ziet de plantjes groeien. Opa ziet toe en komt met tips en wetenswaardigheden en afgelopen vrijdag zei hij tegen mij en tegen zoonlief: ,,Die deure mout n stukje open blieven, den kinnen de bijen bie de plantjes.’’

Ik dacht: hoe weet hij dat nou?

Hij praat met mij alleen maar over FC Groningen, of over de familie en leest nooit een boek. Ik realiseer me dat de laatste constatering ook iets over mij zegt, maar hoe komt deze man aan deze wijsheid? Van generatie op generatie doorgegeven, of weet ik dat als enige niet omdat ik mijn hele schooltijd met de handen bij de potlood zat?

Wat me ook weer verbaast is dat mijn vader met enige regelmaat dat soort boerenwijsheid (‘Wait Joke wel dat bloumen woater mouten hebben?’) laat zien, terwijl het aan de andere kant een onnozelheid is van heb ik jou daar.

Hij zette eens een fles Westpoint op tafel. Bourbon bij de Aldi even over de grens. Iets van zeven of acht euro.

,,Lekker’’, zei ik.

Waarna een betoog volgde dat ze af en toe naar Duitsland gingen en dat de drank er erg goedkoop was.

,,Neem de volgende keer tien flessen voor mij mee’’, zei ik,

,,Moie’’, zei mijn vader.

,,Hoezo moie”,, antwoordde ik, ,,Is ja goedkoop. Gooi de kofferbak gewoon vol. Ze controleren toch niet. Je moet alleen geen ongeluk krijgen. Dan ontploft de kofferbak.’’

,,Straks denkt elk dat wie zoepers binnen’’, zei mijn moeder.

,,Wat denken jullie dat die andere Nederlanders bij de Aldi en Lidl in Duitsland doen’’, probeerde ik nog: ,,voor de broccoli en bratwurst? Come on.’’

De scene herhaalde zich een keer of wat. Op de vrijdagen dat ze oppassen, of tijdens verjaardagen. Mijn vader schonk met vreugde een ‘Mummeltje’ aan wie dat maar wilde en keer op keer volgde het verhaal dat het zo goedkoop was: ,,Zie hebben ook whisky. Lust ons Harmpje ook.’’

,,WAIT IK! NEEM GEWOON TIEN FLESSEN MIT! IK BETOAL JOE TERUGGE, AS DAT T PROBLEEM IS!’’

,,Wie willen ons nait schoamen’’, zei mijn moeder.

Ik kom zelden in Duitsland, eigenlijk één keer per jaar (heen en terug samen), op weg naar Frankrijk, maar vanochtend was ik er. Jongste zoon had met school uitwisseling in Weener. Een ritje van drie kwartier. Omdat ik nog moest werken sloeg ik het kopje koffie op de Grundschule af, maar kon de verleiding niet weerstaan toen ik bij de rotonde de Aldi zag. Ik nam een karretje, pakte vier flessen Westpoint, drie flessen perenschnapps, twee flessen korn en twee flessen rum. Van onbestemde merken, dat wel, maar alles bij elkaar nog geen negentig euro.

Het gerammel van de flessen op de bijna lege parkeerplaats klonk inderdaad wat gênant om kwart voor negen ’s ochtends, maar de enkele huisvrouw die ik groette liet niks blijken. Met een brede grijns reed ik over de A7 terug naar Slochteren, laadde de boel in de schuur en sloeg aan het schrijven. Om een uur of twee schonk ik me een perenborreltje in, verwelkomde de oudste die net van school kwam en zei hem dat hij de plantjes in de kas water moest geven: ,,En vergeet niet de deur een beetje open te laten. Voor de bijen.’’