woensdag 18 mei 2016

Of nee, toch weer heel veel last van de schouder vandaag. Niet normaal. Dus toch iets anders dan spannings, vrees ik. Merkwaardig ook: ik heb de laatste weken een ongelooflijke trek in chocolade met nootjes. Ook was ik vandaag in Stadion De Langeleegte, jawel, de legendarische thuishaven van SC Veendam en als oud-zwarte man beleefde ik derhalve een emotiemomentje en in dat stadion was ik getuige van het schoolvoetbal. Mijn jongste zoon doet als groepzesser mee met de groepen zeven en acht en in de laatste wedstrijd maakte hij een sliding waarna zijn tegenstander hem natrapte en hem op de arm schopte en toen de scheids die speler het veld uitstuurde maakten de ouders van die ploeg nogal wat amok over die veldverwijzing en ik dacht ook: wat is hier allemaal aan de hand mensen, want ik had zoiets: voed je kind toch beter op, maar ik vond het raadzamer om de hele handel op te pakken en te maken dat we weg kwamen want A: hadden we toch alles verloren en B: tegen domheid win je het nooit en daarna bracht ik hem naar zijn eigen training en toen ging ik bami koken en wie een verband in dit alles ziet mag het zeggen.

Een opmerking nog: aan al die mensen die na de winst van Max Verstappen menen dat we nu ook een woordje meepoepen in de Formule 1: Nee, Max reed, wij keken toe (sic: Jerry Seinfeld).

dinsdag 17 mei 2016

Er waren dagen bij vorige week dat ik dacht: toch even naar dokter. Mijn schouder gaf op momenten erg veel last. Al zou ik het geen pijn willen noemen. Linkerarm en alle plekken waar ik aanhechtingen of spieren vermoedde voelden alsof er zakken cement aan hingen.

Ik ga zelden naar de dokter.

Hartaanval leek me onwaarschijnlijk. Ik was een keer eerder met dezelfde klachten bij de huisarts. Die plakte me voor de zekerheid een partij stickers met draden op mijn borstkas, maar ze zei toen: als het echt je hart is zit je er anders bij. Bleek, misselijk, zweterig. Dat was ik toen niet en nu niet.

Alleen pijn. Of beter: last.

Oorzaak lag wat mij betreft nog steeds bij de tuin: hout zagen, kippenhok afbreken (waar drie dagen kippen in hebben gezeten), varens uitgraven. Niks gewend zeg maar.

Vraag is dan wel: waarom altijd de linkerschouder? Ik ben rechts. Ik steek de spade in de grond met rechts, boor met rechts, zaag met rechts, draag afvalhout en stenen rechts en de ring waarmee ik flesjes bier open zit aan de rechterhand.

Tot rust kwam ik de voorbije week niet. Ik had mijn gewone werk en (ik herhaal me zelf, weet ik), piket en weekenddienst. Los van de klussen waar je op uittrekt, je bent voortdurend stand-by. In gedachten, want in principe kan de hel elk moment losbreken. Als je je dat realiseert komt er van ontspannen niks. Daarbij kun je ook geen borrel drinken, want het staat niet echt goed als je katjelam arriveert bij een buitenbrand, kettingbotsing of roofoverval. Los van het feit dat je er eerst maar eens moet zien te komen.

Vanwege mijn nogal nonchalante voorkomen - ongeschoren tronie, lang haar, kitscherige armbandjes, puntlaarzen en kleren die er uitzien alsof een hond ze in de kont heeft gehad - denkt iedereen dat ik een relaxte vogel ben, maar dat ben ik allesbehalve. Zenuwenlijer.

Ik schrok vannacht ook meteen wakker toen mijn phone ‘ping’ deed. Geen brand op het chemiepark in Delfzijl of een massale vechtpartij op de Pinksterfeesten. Een Amerikaan die mij op Twitter volgde. Joel Comm. Volgens zijn account Keynote Speaker en NY Times Best-Selling author. Dat ik wakker werd vond ik niet erg, want ik had een nachtmerrie, iets met mijn lichaam dat uit elkaar viel of zo, maar daarvan moest ik wel bijkomen en vervolgens lag ik een half uur wakker omdat ik niet wist waarom zo’n man mij opeens volgde. Dus maar een portje ingeschonken en even gelezen in Infinite Jest.

Ik hou van zo’n stiekem uurtje in de nacht, maar je wordt weer gebroken wakker.

Slopend, vind ik het. Slopend. Ik was ook blij toen ik vanochtend om zeven uur verlost was van piket en weekenddienst en ik heb de hele dag kalm aan gedaan. Vrouw naar werk, kinderen naar school en ik gitaar spelen, lunchen met spaghetti en een whisky, boodschappen doen, kippensoep maken, de was doen, de jongste naar voetbal brengen, de oudste naar hockey, daarna zelf naar gitaarles en verdomd, toen ik tijdens het kijken naar ‘Tailor of Panama’ nog een borrel pakte zei ik tegen mijn vrouw: hé, ik heb een stuk minder last van mijn schouder.

Toch spannings dus.

zondag 15 mei 2016

De bal is rond - Schlachtenbummler

In theater De Klinker in Winschoten las ik zaterdag tijdens de theatervoorstelling 'De bal is rond', met ook Arie Haan, Henk de Haan, Erik Hulsegge, Henk Mulder, Meindert Talma en Bert Hadders, onder meer het verhaal 'Schlachtenbummler' voor. Omdat dat nog nergens in druk verschenen is en de thuisblijvers ook wat te bedienen bij deze alsnog. De foto is van Ina Greving, de vrouw van Henk.


Schlachtenbummler

Zijnde een mens wiens voorkeur naar de Angelsaksische letteren uitgaat ben ik ietwat bevooroordeeld, maar Engels is natuurlijk dé taal voor literatuur. Het is bijna zonde om de werken van William Faulkner, John Updike, Henry Miller, Ernest Hemingway, Philip Roth, Don DeLillo, John Cheever en Raymond Carver te vertalen.
Inzake eten en drinken moeten we ons bedienen van het Frans. Foie gras klinkt aanmerkelijk beter dan berehap en bij gedachten aan chateaubriand, bouillabaisse, coq au vin en moules et frites loopt het water mij in de mond. Aangaande de liefde is Spaans de aangewezen taal. Er is geen mooier woord voor vrouw dan ‘mujer’, net als er in de muziek geen passender kreten zijn dan het Italiaanse ‘allegro’, ‘fortissimo’ en ‘adagio’.

Toen ik in Winschoten woonde was het woord ‘piano’ een tijd lang in de mode: ‘Hé mienjong, dou even piano piano.’

Dit gezegd hebbende komen we automatisch uit bij de conclusie dat Duits dé voetbaltaal is. Voor diegene die dit willen afdoen als gelul: wat is de bekendste uitslag in de geschiedenis van het Nederlandse voetbal? Precies: Zwei zu eins.

In het voorjaar van 1988 werkte ik in de drukkerij van de Winschoter Courant en niet alleen stond het Europees Kampioenschap voetbal op punt van beginnen, de drukpers bleek toe aan een onderhoudsbeurt. Omdat het een machine van Duits fabricaat betrof, stonden er op een goede dag Duitse monteurs in de bedieningskamer. In contact met Duitse medeburgers is het buitengewoon verstandig het over twee onderwerpen niet te hebben, maar op de een of andere manier kwam het gesprek toch op voetbal. Dat ging best goed, totdat een van de monteurs vroeg: ‘Wer wird Europameister?’ Als vanzelfsprekend riepen we in koor: ‘Holland’. Een antwoord waarin een grandioos gebrek aan historisch besef doorklonk. Het Nederlands Elftal had tot dan immers nog nooit iets gewonnen. Bij de Duitser verscheen dan ook een spottend lachje op zijn lippen. Een beetje zoals je tegen kleine jongetjes lacht die zeggen dat ze net zo hoog als de dakgoot kunnen plassen. Een van mijn collega’s, laten we hem Jan D. noemen, raakte daar zo geïrriteerd over dat hij riep: ‘Der Matthäus muss Carbid lusten.’ Dat had hij in geen enkele andere taal zó kunnen zeggen.

Als een Engelse commentator moet vertellen dat er een strafschop is spreekt hij de ‘P’ van penalty uit alsof hij op hetzelfde moment een beuk op zijn rug krijgt van Bud Spencer. Met ‘Elfmeter’ weet iedereen onmiddellijk waar ie aan toe is. Zelfde met ‘Ecke’. Hoekschop is een onzinnig woord. Wat moet je schoppen? Een hoek? Om de hoek? Doelpunt, goal? Allemaal onzin. Goed, het Braziliaanse ‘góóóóóóóóóóóóóóóóóóóóóóóóóóóóóóóóóóóól’ heeft wel wat, maar ik geef de voorkeur aan ‘Tór’. Bij een ‘elftal’ zie ik de hulpjes van Paulus de Boskabouter paddenstoelen afstoffen, maar een ‘Mannschaft’ is pas een team. Zowat elke verdediger scheet in de broek als Horst Hrubesch aan kwam denderen. Zijn bijnaam was ‘Das Ungeheuer’. Vergelijk het met ‘Us Abe’. Dat is de naam van een vuurtoren aan het Tjeukemeer.

Edoch… het Duits is niet voor niets ook de taal van Goethe, Schiller en Hölderlin en tegenover die krachtige termen klinkt poëzie in kreten als Dreh- und Angelpunkt, Auftakt nach mass, Abseitsverdächtig, Bananenflanke, Fallrückzieher en Torschützenkönig en ik had graag Maximilian Heidenreich geheten. En het Duits kent natuurlijk het mooiste woord voor supporters.

vrijdag 13 mei 2016

Komend vanaf het Slochterdiep spotten we haar op de Borgsloot. Een mevrouw op een fiets. Rok, halve legging, ik meen roze van kleur, spijkerjack, fietshelm. Modern, zoals de halve stad de deur uit gaat. De leeftijd van deze dame was daarom moeilijk te schatten. Veertiger, dacht ik. Maar tegenwoordig is dat een gok. Iedereen probeert er cool uit te zien. Jonger in ieder geval. Waarom ze ons opviel weet ik niet meer, misschien omdat ik dacht dat ze het uit dorp kwam of zo. Of omdat het leek alsof ze haast had. Soms zie je dat. De meeste fietsers van Slochteren naar Groningen zitten er anders bij, wetend dat het nog een heel eind is. Dan moet je je niet direct al in het zweet jagen.

Om daar zeker van te zijn – of het iemand was die we kenden - wilde ik ongemerkt opzij kijken zodra we haar voorbij reden. Wat een kwestie van tijd moest zijn, dachten we. Wij reden immers in een auto die honderdzestig kon. Zij was op de fiets.

Vergeet het maar.

De hele Borgsloot lukt het niet dichterbij te komen. Dat had deels te maken met tractor en aanhanger voor ons, maar ze reed inderdaad niet langzaam. Ik zou haar fietshouding ‘krachtig’ willen noemen. Op het kruispunt Borgsloot/Borgweg liepen we een redelijke achterstand op, want het was druk. Ondanks dat de Ruischerbrug dicht was. Op dat kruispunt is altijd gedoe. Onhandige plek. Ze verdween helemaal uit het zicht op de Middelberterweg en mijn voet popelde om het gas in te drukken zodra wij zelf op die weg reden.

De Middelberterweg gaat op zeker moment over in de Driebondsweg en dat is best een eind, maar niks, we kwamen niet dichterbij. Ik kijken en kijken, maar nee. Dat had deels opnieuw te maken met verkeer voor ons, maar er was iets geks. Wij haalden andere fietsers – die ons minder opvielen – wel in. Op de Driebondsweg begreep ik het. Elektrische fiets.

Aan het einde van die baan, bij de twee rotondes onder de Ringweg door, dat is ook nog Driebondsweg, ving ik een glimp van het fietsende vrouwmens op. Ze reed met een noodgang. Onmenselijk.

Ik moest denken aan wat een keer voorbij kwam in de raad van Tynaarlo toen ik daar werkte; een fietssnelweg tussen Assen en Groningen. Ik vond het toen wat overdreven. Nu begreep ik dat ik het mis had. De fietster ging inderdaad enorm hard. Ik vroeg me zelfs af of dit nog wel een fiets was. Een scooter in vermomming. Ik reed veertig, vijftig, maar kwam echt niet dichterbij. Het was om gek van te worden. Mijn zoon liet het op zeker moment los, wilde mijn iPhone om te kijken in welke klas hij het eerste uur moest zijn, ik niet.

Ze bleef ongrijpbaar. Ook over de gehele lengte van de Sint Petersburgweg, wat geen kort stuk is. In een flits in de verte zag ik een roze legging. Gassen, schoot er door me heen. Maar ik zat achter een Dodge Ram met aanhanger. De hoop dat ze over de Sontbrug voor het stoplicht stond bleek ijdel. Toen wij over die hobbel waren en zelf de Eltjo Ruggeweg opreden was ze volledig uit het zicht. Hele Sontweg; niks.

donderdag 12 mei 2016

We kregen ijsjes van twee collegameisjes. Nou ja, eigenlijk twee jonge vrouwen van rond en voor in de dertig. Als ik het goed heb. Maar collegameisjes wil ik dat er staat. Het waren rode ijsjes. Aardbei. Hoewel ik net een pakje melk op had, het was een uur of twee en ik eigenlijk niet zo’n waterijsjesman ben, pakte ik de traktatie aan. Ik pak altijd alles aan. Wat moet je?

Een aardige geste. Vrouwen doen dat. Die lopen soms ook de redactie op, met een doos moorkoppen. Of mondharpen. Die zitten op het groepsgevoel. Houden de boel bij elkaar.

Ik zou niet op het idee komen om zoiets te doen. Als ik jarig ben leg ik zakken snoep neer, regel kroketten bij de catering of bak een taart. Maar ik doe dat niet zomaar tussendoor. Net als de meeste mannelijke collega’s zit ik vooral grimmig naar mijn beeldscherm te staren. Soms hebben we een afspraak, soms bellen we wat, of googelen hier en daar. Op zoek naar nieuws. Dat ligt nog steeds gewoon op straat, maar vandaag niet. Althans niet in mijn gemeenten. Er kwam aldus weinig uit mijn handen.

Wel legde ik de basis voor een paar verhalen. Of het wat wordt weet je niet. Dat weet je nooit. Plannen genoeg altijd, maar het zwart op wit krijgen is een ander verhaal. Op vergaderingen hoor je onderwerpen soms weken voorbij komen in de planning. Zoveel te langer ze voorbij komen zoveel te zekerder weet je: dat wordt niks.

Het is ook gewoon niet mijn week. Ik loop mezelf nog steeds wat in de weg. Zoekend naar ik weet niet wat. Ik weet niet eens waar.

Al vermoed ik waar de lamlendigheid vandaan komt. Een combinatie van factoren. Aanhoudende schouderpijn, piketdienst en een talent voor somberheid. Ik zei ook niet eerst dankjewel tegen de collegameisjes, maar dat gekoeld bier ook lekker was geweest. Toen een gehuil van commentaar mijn deel werd, zei ik maar dat de ijsjes prima waren.

Toen klonk een sarcastisch: ,,Oh, dank je wel.’’

Tja.

We vergaderden vanochtend, ik had een afspraak om elf uur in de stad, dronk twee verse jus met iemand die ik in lange tijd niet had gezien en die mij voor iets had gevraagd waarover ik niks kan vertellen, vind ik en daarna speurde ik in de stukken van de gemeenten Loppersum en Bedum en wilde wat verder bellen en mailen en vragen, maar ik kwam niet zo goed los.

Om half vier zei ik tegen de coördinator: ,,Ik weet niet of je op mij rekent voor de krant van morgen, maar ik heb niks.’’

Toen klonk er gelach.

Dat snapte ik. Gelukkig is het bij het Dagblad van het Noorden nog steeds zo dat het kan dat je een dag niks voor je eigen editie kunt betekenen. Als je maar hoe dan ook bezig bent met verhalen. Op zich was ik dat wel.

Ik vond het leuk weer eens op het terras van het Feithhuis te zitten. Dat was lang geleden. Apart ook dat je niet tegen de achterkant van de Naberpassage aankeek, maar in de vrije ruimte. Daar waar ze bezig zijn met het Groninger Forum. Het gebouw waarvan nog steeds niemand weet wat het precies is. Ik in ieder geval niet. Al zal het er komen.

Heb ik verder nog wat beleefd?

Nee, vind ik niet.

Ik moest vroeg thuis zijn omdat de jongste onverwacht moest trainen met E1 en ik vanaf dat moment weer als butler/taxichauffeur fungeerde. Training zien. Wachten tot hij klaar was met douchen. Naar huis. Wat drinken. Hem beloven dat-ie alleen thuis mocht blijven als FC Groningen er op was –was niet zo- waarna ik weer naar Hoogezand reed om de oudste van hockey te halen. Ook daar zat ik de training te zien en ik zag de jongens C1 gemixt met de meisjes A1 een wedstrijd spelen en uit de kantine klonk muziek in de categorie ‘Bad Boys’, in ieder geval iets wat de jeugd van nu mooi vind en het was zo’n avond waarbij je tot lang in de zon kon zitten en ik was jaloers op al die jongens en meisjes die het leven nog zo voor zich hebben.

Ik zit nu op de bank en buiten is het nog steeds licht en de jongste zit te Fifa-en en de oudste gaat zo aan zijn huiswerk, rommelt wat in de vriesvak van de koelkast en ik hoor hem zeggen: ,,Hé, we hebben ook nog ijsjes, ja.’’

Ik weet welke kleur.

woensdag 11 mei 2016

Een man alleen in het zwembad. Aan een tafeltje bij het pierenbadje. Dat deel is eigenlijk bedoeld voor ouders en kinderen die niet kunnen zwemmen. Maar het zit daar goed. Er is ruimte, uitzicht over zowel het diepe als het ondiepe, er lopen niet voortdurend mensen langs je heen en, belangrijker, je kunt er min of meer onbespied zitten.

Openluchtbad De Tobbe is voorzien van houten banken voor pappa’s en mamma’s die niet constant hoeven op te letten, maar als je geen zin hebt in kletsen over het weer, kinderen, werk, school of Eurovisie Songfestival, is dat geen goede plek.

Die man in het zwembad ben ik.

Al ben ik niet helemaal alleen.

Het is vakantie en de jongste zoon wil zwemmen. Wij vinden hem nog net te jong om in zijn eentje te gaan, dus ben ik mee en hou de wacht. Met een boek. Een goed boek. Een moeilijk boek. Ik zeg niet welk boek, dat lijkt zo snakkerig. Meestal lees ik ’s avonds voor het slapen gaan, maar tegenwoordig val ik na een halve bladzij in slaap. Deze middag lukt het lezen goed. De auteur maakt ingewikkelde zinnen en sommige alinea’s moet ik twee of drie keer lezen en het grote verband ben ik geloof ik al kwijt, maar de man kan erg goed schrijven. Jaloersmakend.

Ik hoef niet veel op de jongste te letten. Hij is negen en heeft alle zwemdiploma’s. Er zijn veel vriendjes. Van school, van voetbal, uit het dorp. Ze gooien met een bal, vragen waterpolodoeltjes aan de badjuf, rennen even later met zijn allen richting springkussen en ineens staat hij voor me. Hij wil zijn handdoek en T-shirt.

,,Hoezo, gaan we weg?’’

,,Nee, maar we gaan even op het gras chillen.’’

Ik haal mijn schouders op en lees verder. Dat gaat voorspoedig. Het is rustig in het bad, ondanks dat het woensdag is en ook nog vakantie. Maar niet elke ouder heeft vrij. En ook niet elke ouder die vrij heeft gaat met zijn kind naar het zwembad.

Een enkele keer moet ik grinniken, zo grappig zijn sommige passages.

We hadden afgesproken dat we om half vier naar huis zouden gaan. De jongste moest immers ook nog naar voetbaltraining.

Van te voren had ik hem gezegd dat ik niet zou gaan zwemmen. Daar had ik geen zin aan. Daarbij zag ik donkere wolken, het waaide, dus het zou sowieso te koud zijn.

Dat had ik gedacht.

Ik zat eerst met mijn gezicht in de zon, toen met mijn rug en ik had maar één flesje water mee. Om kwart voor drie werd het me te heet. Ik deed boek en bril terzijde, legde in mijn zwembroek alles weer op de goede plek en toog naar het grote bad. Vlakbij het duikblok sprong ik in het water, zwom naar het ondiepe, klom er uit en ging weer aan het tafeltje zitten. Eerst met mijn gezicht in de zon, toen met de rug en toen was het tijd om te gaan.

Ik keek rond op het grasveld, vond de hele meute in het klimtoestel en zei tegen de jongste dat-ie zijn handdoek ook moest meenemen. Slippers hoefde hij niet aan. Toen we samen wegliepen keek ik nog een keer naar het pierenbadje en dacht aan de zomers dat ik er op de rand zat en hij nog een zwemluier om had.

dinsdag 10 mei 2016

Mijn vrouw zegt dat ik mezelf in de weg loop. Ik ben zoekende, volgens haar. Zou kunnen. Ik gedraag me wel als iemand die het niet kan vinden. Ga achter de laptop zitten, sta weer op, neem opnieuw plaats en sta voor de tweede keer op. Pas bij de derde keer blijf ik zitten.
Er zit onrust in me, dat klopt. Al komt mijn ongemakkelijke houding ook door een pijnlijke schouder. Die heb ik sinds zondag.

Komt van het uitgraven van varens. Denk ik. Zoals mijn hele linkerkant verlamd aanvoelde na het uitbreken van onze oude keuken. De klem op de borst die ik zojuist voelde zal daar ook mee te maken hebben. Slapen is momenteel niet je van het en dus ben je overdag anders.

Wat volgens mijzelf vooral meespeelt is dat ik deze week weer piketdienst heb. We verdelen de doordeweekse avonden doorgaans en vanavond is het mijn beurt. Het hoort erbij, je ontkomt er niet aan, maar ik vind het niks. Je bent niet vrij, want er kan elk moment iets gebeuren. Er kan ook niks gebeuren, maar dat weet je niet. Voor hetzelfde geld is er al ergens een brand bezig, zijn mensen elkaar aan het uitmoorden of is er weet ik wat voor rampspoed aan de gang en klinkt zometeen het persalarm.

Het voelt trouwens, nu ik zit, wel goed om te schrijven. Ik vind het een van de leukste dingen om te doen. Verhaaltjes maken. Wat daar uiteindelijk mee gebeurt interesseert me minder en minder. Optreden, presentaties, publiceren, het gebeurt wel, maar dat zijn, om met Johan Cruijff te spreken 'tweede dingen'.
 
Waar ik blij van word is een tekst maken waar ik tevreden over ben. Daar kom ik alleen te weinig aan toe. Wat ik graag zou willen is meer tijd om een echt goed kort verhaal te schrijven. Er ligt al een opzet, een voetbalverhaal, maar daar moet nog veel aan gebeuren. Ook dat zit me op de nek. Ergens. En ook die nek doet zeer.

Maar wat me vooral bezighoudt, wat mijn gedachten al vanaf vanmiddag beheerst, is een eend.

De eend die ik een paar weken geleden zag op de Eemshavenweg, richting Groningen, even voor of na Bedum. Op de zijkant van de rijkstrook lag een dode eend. Aan de kleuren zag ik dat het een vrouwtje was. Aangereden, wat zou het anders moeten zijn. Het bijzondere eraan was dat er een eend bij haar stond. Een mannetjeseend. Ook dat zag ik aan de kleuren. Hij vloog niet weg.