vrijdag 25 maart 2016
donderdag 24 maart 2016
Uitspraken van Johan Cruijff die het net niet haalden
De vandaag overleden Johan Cruijff verrijkte de Nederlandse
taal met geniale uitspraken, die alleen van hem konden komen. Maar hij zei ook
dingen die het net niet haalden. Een greep.
- Je moet richting doel schieten, anders gaat de bal naast.
- Voordat ik een fout maak, heb ik hem al een keer gemaakt en
doe ik dat niet nog een keer.
- Op een moment gegeven.
- Ik ben overal tegen. Behalve als ik ergens voor ben.
- Winnen doe je als je hebt gewonnen.
- Volleybal is een kutsport
- De waarheid is dat wat waar is.
- Ajax, dat is iets anders dan Feyenoord.
- Een goede voetballer kan soms heel slecht spelen, maar een
slechte voetballer kan nooit heel goed spelen. Nou ja, misschien. Soms komt dat voor.
- Je bent nooit sneller dan de bal. Behalve bij een
rollertje.
- Voetbal is in wezen simpel. Speel de bal naar iemand met
dezelfde kleur shirt.
- In wezen moet je altijd naar voren spelen. Anders ga je
achteruit.
- Als ik niet naar Barcelona was gegaan, had ik bij een
andere club gespeeld.
- Soms moet je wat.
- Wie een kuil graaft voor een ander heeft niks op een voetbalveld te zoeken, die moet bij de gemeente gaan werken. Dat is niet erg, ook daar zijn mensen nodig.
- Wie een kuil graaft voor een ander heeft niks op een voetbalveld te zoeken, die moet bij de gemeente gaan werken. Dat is niet erg, ook daar zijn mensen nodig.
- Om teleurstellingen te voorkomen moet je zorgen dat het
goed blijft gaan.
- Hunnie op rechts was een geitenkaas. Van biologische
geiten, dat rook je.
- Ik zeg altijd: dat moet je niet begrijpen, dat moet je
snappen. En als mensen zeggen: ik snap het niet, zeg ik: je moet het begrijpen.
- Tweederde van de wereldbevolking kent mijn naam, eenderde
dus niet. Die hebben denk ik niks met voetbal.
- In een wedstrijd heb je drie mogelijkheden: winnen, gelijkspelen
en verliezen.
- Geluk kun je niet kopen, een mooie auto wel.
- Als ik praat, ben ik aan het woord.
- Als er iets gebeurt, dan komt dat ergens door.
- Er is nog nooit een wedstrijd gespeeld zonder bal.
woensdag 23 maart 2016
Het was even over drie toen ik mijn vrouw ‘RIP Hammie’
appte. Waarna er even stilte was op social media. En weer even later toch een
berichtje. Ze vond het toch wel zielig. Ik ook.
De dierenarts bevestigde wat wij ook al vonden. Dat het
diertje er best levendig uit zag. Wekte niet de indruk pijn te hebben, ondanks
het raar stuk gezwel dat als een rugzak aan zijn zijkant hing. Last had hij er
wel van. Een onhandig ding.
Maar ze piepte en beet toen de arts haar wilde oppakken. Er
zat nog genoeg leven in, zeg maar. Waarna een gesprek volgde over wat de opties
waren. Opereren zou kunnen, maar het tegenargument was dat die beestjes sowieso
niet oud werden. Daarbij, stel dat deze tumor verwijderd zou worden, dan kon
het best dat er over twee maanden weer wat zat. Dus als ik er bij bleef om haar
in te laten slapen, dan snapte ze dat.
Dat wilde ik. Wij.
Waarna ik zei het evengoed zielig te vinden. Je beëindigt
een leven en een tweede kans zou het beest niet krijgen. Althans, dat is nog
nooit bewezen.
De arts stelde me gerust: ,,Oh maar, maak je geen zorgen. Hamsters
leven in het hier en nu. Ze zijn niet bezig met dingen die ze nog hadden willen
doen of zo.’’
De vrouw pakte een spuitje, zette het in de buik van Hammie
en even later werd het diertje rustig, viel in slaap en weer even later stopte
het hartje. Ik gaf de dierenarts een hand, rekende 22,69 euro af en reed met
een lege kooi naar huis.
dinsdag 22 maart 2016
Een jonge vrouw loopt snikkend in het donker over de Rondweg
in Leermens. Ze wordt even voorbij de brandweerwagen opgevangen door iemand die
eruitziet als een hulpverlener. Ik kijk langs de auto en zie een rokend huis.
Het is dinsdagochtend half vijf.
Een agent houdt mij tegen. Wat ik van plan ben?
Ik zeg dat ik van de krant ben en de politievoorlichter
zoek.
Die is er nog niet.
Er zit niks anders op dan te wachten. Maar ik denk aan de
website. Daar moet zo snel mogelijk een stukje op. Met foto. Waar ik sta, bij
de agent, aan de verkeerde kant van de brandweerwagen, zie ik niks.
De telefoon ging om even voor vier. Ik sliep net weer half,
nadat ik heel nodig moest plassen en ik even had liggen lezen. Nog een geluk
dat ik geen borrel nam. Wat ik soms doe als de slaap niet direct komt.
Om ik weet niet wat voor reden had ik mijn kleren zo
neergelegd dat ik er direct in kon schieten en toen het persalarm ging en de
stem sprak van een uitslaande brand en dat de persvoorlichter binnen een half
uur ter plekke zou zijn, was ik in no time in de kleren, maakte mijn vrouw
wakker dat ik er opuit ging, pakte mijn laptoptas en reed naar de plek des
onheils.
Een bijzondere rit, in de vroege ochtend door het lege
Noord-Groningen. Ik moest constant groot licht voeren en belandde bijna toch
nog in de sloot. Ook moest ik omrijden omdat ze bezig waren met de brug in
Leermens. Dat herinnerde ik me ineens. Daar had een berichtje over op de site
van de gemeente Loppersum gestaan.
In het donker was echter vrij snel te zien waar ik wezen
moest. In het schijnsel van de lichten van een hoogwerker zag ik hoe witte rook
zich losmaakte van een huis waarvan alleen de muren nog overeind stonden.
Onderweg – en dat was de reden dat ik bijna de sloot inreed
– had ik de Twitter-berichten van de brandweer gecheckt en zodoende wist ik dat
er nog een persoon vermist werd. Dat moest, dat was niet zo moeilijk te
beredeneren, de bewoner zijn.
Toen de brandweervoorlichter naar mijn zin te lang op zich
liet wachten, belde ik de voorlichter van de politie. Die vond het maar wat
vreemd dat ik vanaf de plek des onheils met hem belde, zei ook dat ik maar
moest wachten op de brandweervoorlichter. Hij had bovendien ook niet veel meer
informatie.
,,Kun jij me niet even bijpraten?’’, vroeg ik een
politieman.
,,Nee.’’
Zo gaat dat tegenwoordig. Je staat op een plek, het nieuws
is voor je neus, maar je moet wachten op de woordvoerder.
Ik kende de verhalen van collega’s die met hun perskaart
zwaaiden en stampij maakten als ze niet dichterbij mochten komen, maar ik had
geen perskaart, dus was niet als zodanig te herkennen.
Het was koud in Leermens.
Ik zag de jonge vrouw bij een paar andere mensen staan, maar
het leek me ongepast haar op dat moment lastig te vallen. Pers of geen pers,
sommige dingen doe je niet.
De burgemeester van Loppersum zag ik ook voorbij lopen. Hem
kon ik wel aanspreken. We begroetten elkaar en hij bevestigde onofficieel wat
ik vermoedde.
,,Word jij standaard opgeroepen bij rampen en rellen?’’,
vroeg ik hem.
,,Nou. Niet als er een koe in de sloot ligt’’, klonk het
droog.
Waarna hij verzuchtte dat het verschrikkelijk was.
Dat was het. Wij stonden voor een smeulend huis waarin zich
nog een mens bevond. We kenden hem niet, althans ik niet, maar evengoed een
mens. En in een klein dorp als Leermens is elk mens er een.
Een man in een groene hes liep voorbij. Ik herkende
‘…voorlichter’ en speerde achter hem aan, net als de collega van het
persbureau. Hij begroette ons, beloofde informatie te halen, liep heen en weer,
belde, praatte ons bij en bevestigde officieel wat we vermoedden. Meer kon hij
niet zeggen, dat zou nader onderzoek moeten uitwijzen.
Daar stonden we.
In mijn hoofd had ik nog steeds niet meer dan een regel of
tien voor de site. Veel meer zouden daar niet bij komen, maar ik bleef staan
kijken, denkend aan de man in het huis.
Pas toen brandweerlieden met zuurstofmaskers aanstalten
maakten de woning binnen te gaan, liep ik terug naar mijn auto, nam op afstand
nog een paar foto’s, reed naar huis, tikte een stukje voor de site en zag dat
het zes uur was. Te laat om weer te gaan slapen.
Ik zette koffie, maakte twee uitsmijters en probeerde wat te
lezen. Dat lukte niet. Het was even over half zeven. Ik ging in de woonkamer
zitten en keek naar buiten.
maandag 21 maart 2016
We keken om de beurt door het raam naar buiten. Kijken of de
hamster nog leefde. Die leefde nog. Tot aan vanavond aan toe. Dat hadden we
niet verwacht. We rekenden op een van de katten in de buurt die de beslissing
voor ons zou nemen, maar de natuur kon of wilde haar werk niet doen. Misschien
dat de katten voelden dat er iets mis met het beestje was.
Mijn vrouw vond het gisteren niet meer kunnen. De open wond
aan de zijkant van de hamster was zo groot als die hele zijkant. De antibiotica
hielp niet en opereren was volgens de dierenarts geen optie, dat werd een
gepriegel van heb ik jou daar. Dus haalden we de bovenkant van de bak en zetten
hem buiten. Dan zou het probleem zich vanzelf oplossen.
Althans, wij denken dat het dier een probleem heeft, want op
het oog vergaat ze niet van de pijn. Ze eet nog goed en doet verder haar ding,
voor zover hamsters hun ding kunnen doen. Alleen die wond, ja, die ziet er niet
uit. Al verschillen ook daar de meningen over. Mijn vrouw vond hem een stuk
groter dan de vorige keer; Hunter en ik zeiden dat het ongeveer hetzelfde was.
De hele zondag keken we door het raam naar buiten. Om de
beurt, maar ik het meeste. Af en toe zag ik wat van het stro bewegen. Af en toe
zagen we ook een kat bij de bak. Ik deelde mijn visie op het een en ander, dat
het best een verandering voor het diertje moest zijn; van de warme kamer en
elke dag verzorging, naar ineens de kou van buiten, waar het regende, waaide en
waar lokale predators liepen met belletjes om de nek. Dat kon ze niet waarderen:
,,Ik hoef hier er geen gesprek over. Dit vind ik niet fijn. Het is al moeilijk
genoeg.’’
Het eerste wat ik vanochtend deed was naar buiten kijken. Ik
zag niks. Behalve dat ik me gisteren vergist had. Toen dacht ik dat ze zich
verschool in de ene loopgang aan de zijkant van de bak. Daar zou geen kat bij
kunnen komen. Maar wat ik voor de hamster had gehouden bleek een bultje stro.
Het eerste wat ik vanmiddag deed toen ik thuiskwam van het
werk was naar de zijkant van het huis lopen. Uit het hoopje stro in de hoek zag
ik twee kraaloogjes en een snuffelend snuitje. Dat zei ik toen mijn vrouw thuiskwam.
,,Ah nee. Dat is zielig. Ik dacht dat het in no-time gebeurd zou zijn.’’
We keken elkaar aan.
Ik opperde dat het dus niet uitmaakte. Dat we haar net zo
goed weer binnen konden halen en gewoon eten geven net als anders. Op een dag
zou ze hoe dan ook dood zijn. Zo oud worden hamsters ook weer niet en voor
zover wij het konden beoordelen leed ze niet. Die indruk had de dierenarts ook
niet gehad.
De bak staat sinds een half uur weer binnen. Bovenkant er op,
het waterreservoir gevuld en vers vreten in het etensbakje.
woensdag 16 maart 2016
De griep is terug. Eigenlijk al sinds het weekeinde. De
oudste klaagde zaterdag al over hoofdpijn, hockeyde nog wel, maar bleef zich
zondag en maandag rot voelen en stortte vanochtend definitief in. Hoofdpijn,
misselijk, alles doet zeer, kut, kloten, geef het maar een naam. Als ik de
jongste wil wekken, zegt ook hij dat-ie zich niet lekker voelt. Een hoopje mens
onder de dekens. Hij slaapt nog half als ik vraag of ook hij wil thuis blijven,
maar de langzame hoofdbewegingen zijn duidelijk.
Waarmee de noodzaak tot rennen en vliegen zoals op andere
ochtenden opeens is vervlogen. Mijn vrouw redt zichzelf en ik, ik hoef niks. Er
is niemand die aangekleed moet worden, een broodje wil, of een glas melk, ik
hoef geen broodtrommels vullen en dus loop ik op blote voeten naar de brievenbus,
pak de krant, ren snel het huis weer in en neem het nieuws in me op, met als
toetje de favoriete strip van mij en mijn collega’s: Dirk-Jan.
Een opmaakster bij de huis-aan-huisbladen verzuchtte eens
dat ze eigenlijk wilde dat Dirk-Jan echt bestond. Daar heb ik niks aan toe te
voegen.
De aanwezigheid van twee zieke jongens maakte wel dat werken
aan mijn boek over Milko Djurovski met horten en stoten ging. Terwijl ik een
interview met zijn oud FC Groningen-trainer Hans Westerhof uittikte, hoorde ik:
,,Pap, pap, pa-haap.’’
Waarna ik de opname stopte, vroeg wat er was en hoorde:
,,Kom je even bij mij kijken?’’
Nee, want ik was aan het werk.
,,Oh ja.’’
Even later weer: ,,Pap, pap, pa-haap.’’
Weer oortjes uit: ,,Ik ben aan het werk, weet je nog? Wat is
er’’
,,Sorry, vergeten.’’
,,Wat is er dan. Ben nu toch al gestopt.’’
,,Ah nee, laat maar.’’
Ze mochten van mij niet direct gamen, dat zou niet
verstandig zijn met hoofdpijn en misselijkheid, dus gingen ze lezen, vroegen na
een uur of ze toch niet mochten gamen, ‘eh… nee’ en gingen verder met televisie
kijken. En een beetje lezen.
Omdat ze ‘echt niet’ en ‘nou ja, misschien een beetje’
honger hadden moesten ze van mij nadenken over wat ze als lunch wilden. Ik
douchte mij en noteerde, tijdens het aankleden, cheeseburgers, hotdogs, pizza
en lasagne, alles kant en klaar uiteraard en nam dat inderdaad ook mee. Ze
moesten van mij wel eerst een bakje fruit opeten.
Mijn vrouw en ik hebben nu en dan het idee dat ze veel te
weinig eten en veel te weinig drinken en dat daar ook wel eens de hoofdpijn
vandaan kon komen.
Ik zei dat ik tot twee uur zou werken en dan zouden we samen
een film kijken, via Netflix. Goed idee, vonden de heren, maar toen ik eerst Bad Ass opzette, dat toch niet zo
boeiend vond en later Olympus has fallen
was ik de enige die bleek te kijken. Ze waren te zeer verdiept in de filmpjes
op hun iPad. Het avondeten bestond voor mij uit rijst met kip en Indiase saus
uit een potje en voor hen pizza met verse jus d’orange en vitaminedrank.
Ze mochten ieder een uurtje op de Playstation, maar daar
ontstond weer zoveel hikhakkerij over dat ik besloten heb dat ze morgen weer
naar school gaan.
Abonneren op:
Posts (Atom)