donderdag 10 september 2015

Als ik ergens een hekel aan heb is het trakteren omdat je jarig bent. Je loopt het kantoor binnen met een met aluminiumfolie bedekte schaal en dat voelt onhandig. Iedereen kijkt zo van: hé, er is iets met hem en daar was ik in mijn jonge jaren al geen fan van. Ik kom nooit verder dan schaapachtig knikken.

In voorgaande jaren loste ik dat op door bij de bedrijfskantine een schaal kroketten te bestellen, maar voor de verandering had ik taart gemaakt.

Het is, en dat durf ik wel te zeggen, mijn specialiteit: chocoladetaart. Een recept van Jamie Oliver en op de een of andere manier lukt hij altijd. Ik vind er zelf niet veel aan, maar net als in familiekringen werd er op het werk met smaak in gehapt. Sommige collega’s namen twee keer.

Het was min of meer het hoogtepunt van de werkdag, tijdens welke ik mij matig voelde. De dag na de avond tevoren, zoiets. Omdat je jarig bent hap je gretig in de whisky, drinkt daarna bier omdat je dorst krijgt en je eet net een bord te veel bonensoep zodat je gaat slapen met een volle buik en met een brak gevoel wakker wordt. Al had ik geen kater.

Gelukkig was het relatief rustig. Een stukje gemaakt over of Bedum in februari een waarnemend burgemeester krijgt, wat voor de hand ligt omdat er een gemeentelijke herindeling in Groningen zit aan te komen, of toch een echte. Dat laatste ligt iets minder voor de hand, maar je weet het niet.

Een andere klusje ging over het bezoek van minister Stef Blok aan Bedum en Loppersum. Een werkbezoek. Daar komt bijna nooit iets interessants uit voort, maar je kunt het je ook niet veroorloven om er niet bij te zijn. Stel dat zo’n man ineens wilde dingen gaat roepen.

De Lopsters bij wie Blok op visite ging waren ook alleraardigst. De heer des huizes was de nuchterheid zelve. Ja, ze hadden schade, maar het was een huurhuis. Vervelend ja, maar wat deed je er aan? Het werd bovendien opgelost. Je zat een tijd in de rommel, maar je kreeg er wat moois voor terug.

Ik dacht even: we kunnen nooit met zijn allen in de woonkamer bij die mensen, want naast Blok en zijn entourage was RTV Noord er met vier man en een handjevol vertegenwoordigers van woningcorporatie Wierden en Borgen en Centrum Veilig Wonen. Mijn zorgen waren voor niets en toen Blok met de bewoners een kijkje in de slaapkamer nam om de schade op te nemen, ging de burgemeester van Loppersum nog een keer rond met de schaal met gevulde koeken en bokkenpootjes. Die had ik in twintig jaar niet gehad.

woensdag 9 september 2015

Het is de dag van mijn vijftigste verjaardag. Goed moment om een dagboek te beginnen. Of beter: weekboek, want ik weet niet of het elke keer lukt een berichtje te plaatsen. Daarbij doe ik in het weekend niks. Weekboek is een betere titel dan dagboek. Er zit geen a in en dat moet niet bij mijn naam, waar al drie a’s in zitten.

Waarom dit? Tja. Op het idee gekomen door The Journals of John Cheever. Dagboekachtige notities, soms lang, soms kort, over wat hem bewoog en wat niet. Jan van Mersbergen doet het. Elke dag een verhaaltje. Uit zijn dagelijks bestaan. Het is wat schrijvers doen: schrijven.

Ik ben geen John Cheever.

Bij lange na niet. Hij was een verscheurd man. Hield van zijn gezin, maar ook van mannen. Koesterde het gezinsleven, maar bleef eenzaam. Haatte zichzelf om zijn drankzucht, maar was er van afhankelijk. Een groot schrijver, maar twijfelde daar zelf over.

Dat alles, daar ga ik het dus niet over hebben. Of misschien ook wel.

Een ander idee is dat fictie niet bestaat. Alles is autobiografisch. Zelfs als je een thriller schrijft moet jij bedenken hoe iemand wordt vermoordt. Die moordenaar ben jij. Dus kun je net zo goed over je eigen leven schrijven.

Het hoeft niet, maar ik doe het wel. Dat is mijn ding, mijn niche in het Nederlandse literaire landschap, beetje pielen op een achterveldje. Kijken of je van de dingen van de dag iets kunt maken wat lijkt op literatuur.

Schrijven is ook vastleggen. Registreren. Ik ben er niet de eerste mee, maar de schrijfsels zullen een beeld geven van de mores en sores van een gemiddelde man in een kleine provincieplaats in Groningen, die leefde in de tweede helft van de twintigste eeuw en naar ik hoop de eerste helft van de 21e eeuw. Liefst langer, want ik wil niet dood. Nooit.

Het is een mooie dag. De zon schijnt en ik ben alleen thuis. Ik wilde aan mijn boek over de voetballer Milko Djurovski werken, maar daar komt vrees ik niks van. Er is een column voor de site van de hockeyclub van mijn oudste zoon te maken en ik schrijf de eerste bijdrage voor dit weekboek. Op boodschap ben ik al geweest en ik begin zo met eten maken voor de visite vanavond. Bonensoep, tomatensoep en macaroni. Groningers hebben altijd honger.

De familie komt niet alleen voor mij. Ook voor mijn zoon Hunter. Die is eveneens jarig en wordt twaalf. Hij trakteert voor het eerst in acht jaar niet. Het is zijn vierde week op de middelbare school. Daar doe je dat soort dingen niet meer.

Mijn vrouw zei vanochtend: maak je het huis netjes voor de visite? Ze was zelf laat, dacht ze. Dus ik weet niet of ik daar aan toekom. Ik roer tussen het schrijven door de bonen om, haal de karbonades uit de koelkast en denk aan Joost Zwagerman, die gisteren zelfmoord pleegde. Alweer een door mij gewaardeerde schrijver die er een eind aan maakt. Ik trakteer me zelf alvast op een glaasje 12 jaar oude Highland Park. Dat houdt mij op de been.

dinsdag 8 september 2015

Het verkeerde bed

Ik lig op de buik van mijn vader. Het is mijn eerste herinnering. ,,Dat vond je fijn toen je klein was,’’ zegt mijn moeder, ,,Op zondagochtend kroop je altijd bij ons in bed.’’ Ik geloof haar. Het is wat mij bij staat.

Ik zal niet veel ouder dan vijf zijn geweest. Hoe lang doe je dat als kind, op de buik van je vader liggen?

De inrichting van de slaapkamer is een vaag beeld, maar oogt vertrouwd. Crèmekleurig, ‘even van ‘t wit af’, met donker nephout op de laden en deuren van de nachtkastjes en een groene sprei met een psychedelisch motief. Modern in die tijd, eind jaren zestig. Hoe mijn ouders er uit zagen weet ik niet meer. Gebruind en jong, zeg ik nu. Ik denk dat te weten, maar misschien herinner ik me de foto’s van toen. Het geheugen doet ook maar wat.

Zo weet ik zeker dat ik minimaal negen was toen we het eerste ouderlijk huis aan de rand van het dorp verruilden voor een woningbouwwijk. Dat zeg ik met stelligheid omdat ik me herinner dat ik met mijn vader op de dag van de finale van het WK-voetbal in 1974 naar het huis van de buurman liep, driehonderd meter verderop. Die had kleurentelevisie. En ik ben van 1965.

,,Nee,’’ zegt mijn vader, ,,Je was acht. Volgens mij.’’

Ik denk weer aan de zondagochtenden. Maar, realiseer ik me ineens en ik word een beetje koud, ook daar klopt iets niet. Dat crèmekleurige bed, even van het wit af, stond in de slaapkamer in het tweede huis in de woningbouwwijk en niet in het eerste huis.

Iets anders

Met de verschijning van de nieuwe columnbundel De eeuwige Veenkoloniaalis het moment gekomen om weer iets anders te doen. Op deze plek dan, op deze blog. Ik schrijf al sinds 1997 stukjes, eerst voor de krant, daarna op mijn eigen plekje op internet en nu, zo werkt het bij mij, denk ik: het is wel ongeveer klaar zo.
Ik ben geen Simon Carmiggelt die veertig jaar lang stukjes schrijft over het thema: komt een man het café binnen. Dat deed-ie erg goed trouwens, maar eens in de zoveel tijd moet ik het idee hebben dat ik me vernieuw.
Dat gebeurde met de columns Enter Sandman in de Veendammer en de Groninger Gezinsbode, die op zeker moment eindigden en waarvan de bundel Trap ze in de pokkel het resultaat is. Waarna ik aan de stukjes begon over Slochteren en het verschil met de stad. Dat leidde tot de bloemlezing De laatste bus naar Slochteren en ik verder ging met de series 'Onder de Watertoren' en 'Voorbij de Watertoren', over- en geïnspireerd op een jeugd in Stadskanaal en nu de beste daarvan (althans, daar ga ik vanuit) verzameld zijn in De eeuwige Veenkoloniaal is het opnieuw tijd om, zoals ik zal zei, iets anders te gaan doen.
Dat is te zeggen: qua vorm. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik er nog niet helemaal uit ben. Ik denk aan een soort dagboek, of weekboek, geïnspireerd op the journals van John Cheever, geschreven met een jaloersmakende openhartigheid, die ik ook bij Karl Ove Knausgard waarneem.
Maar ik denk ook aan korte verhalen. Ik beschouw beide als een verlengde van wat ik nu doe.
Ik denk ook maar dat ik beide ga doen.
Dag- en of weekboek én korte verhalen dus. Ze zullen misschien lijken op columns, maar ze zijn het niet. De hoofdpersoon in de korte verhalen is soms een ik, maar ik ben het niet. Een foto laat ik ook achterwege. De tekst moet het doen. Een stapje verder zullen we maar zeggen. De columns voorbij. Zoiets. Je moet wat.

donderdag 13 augustus 2015

Schrijfdagboek Milko's bio (7) - Mangup Milko

Mangup is Servisch voor pummel. Dat is mij verteld door Zora. Zij komt uit Belgrado en zij helpt mij bij het schrijven van de biografie over Milko Djurovski. Dat boek verschijnt, naar ik hoop, volgend jaar.

Als je, zoals ik, bent opgegroeid in de Veenkoloniën, is pummel geen onbekend woord. Die zijn daar veel. Het zijn jongemannen, met een zekere houding. Een houding die te maken heeft met afkomst en die jongemannen worden door mensen van buiten de Veenkoloniën, bijvoorbeeld uit Haren, doorgaans aangeduid als boerenpummels.
 

Onbehouwen

 
Voor mensen die nooit een pummel van dichtbij hebben gezien en het fenomeen alleen van horen zeggen kennen; zijn doen en laten is te omschrijven als ‘onbehouwen’.

Een pummel is geen subtiel mens. Hij is een man die in woord en gebaar door het leven klautert en de dingen doet zoals hij vindt dat het moet en zich weinig gelegen laat aan de gevolgen voor ‘naasten’ of ‘geliefden’, termen die in het achterland even zelden worden gebruikt als ‘emotiemomentje’.

De pummel gaat in de regel gekleed in houthakkersblouse, spijkerbroek en Uggs, niet omdat hij op de cd-speler in de tractor naar Swinder luistert, of in zuipketen de hipster uithangt, maar omdat Veenkolonialen al decennia houthakkersblouses, spijkerbroeken en Uggs dragen, domweg omdat het de meest praktische kleding is.
 

Kwajongen

 
Pummel in het Servisch heeft een andere betekenis. Kwajongen. En ik hoef denk ik niet uit te leggen dat het Servische pummel, zoals het opduikt in het boek ‘Braća Durovski’ (Broers Djurovski) uit 1986 van Mladen Gvero en Slobodan Reljic, een meer dan geschikte typering is voor Milko Djurovski.

Hij voetbalde van 1990 tot 1994 bij FC Groningen en wat is bijgebleven van die tijd en wat wordt bevestigd door het archiefonderzoek dat ik in de Euroborg verricht, in het kantoor van Bas Kammenga, is dat de Macedoniër die op 27-jarige leeftijd naar de Martinistad kwam, zich als kwajongen gedroeg.

In de Veenkoloniën leer je dat de wereld ingedeeld is middels een hiërarchische ladder en dat de Veenkoloniaal met één pink aan de half vergane onderste sport hangt. De kleine kans die wij - in houthakkersblouse, spijkerbroek en Uggs geklede pummels - hebben op zicht op de een-na-onderste sport van de ladder was doen wat ons werd opgedragen. Door baas, leraar, ouders, trainer, agent.
 

Van niemand iets aan

 
Het fascinerende aan Djurovski was dat hij dat juist niet deed. Anders dan wij trok de Macedoniër zich van niets en niemand iets aan en negeerde adviezen van baas, trainer, agent en zelfs rijinstructeur. Vanwege een ingewikkelde geschiedenis, daarover alles in mijn boek, waardoor hij in Belgrado zijn rijbewijs kwijtraakte, moest hij in Nederland opnieuw rijexamen doen. Omdat Joegoslaven fietsers vooral als hinderlijk ervaren zag Djurovski het, tot schrik van de rijinstructeur, als geoorloofd om ‘kill, kill’ te roepen bij het zien van een mens op een tweewieler.

Milko Djurovski was Groningens enige echte vedette ooit, maar er is een verschil met het therapeutisch gedrag van grootheden van nu, zoals Balotelli, Tevez en Castaignos. Het doen en laten van de Macedoniër in de Martinistad was geen moment gespeeld. Zoals hij zich opstelde, zo was hij. Oorspronkelijk. Oprecht. Open. Goed, er gebeurde wel eens wat, maar daar zat geen kwade gedachte achter. Een sociaal mens. Eerder naïef dan berekenend. Een kwajongen.
 

Veel verhalen

 
Dat blijkt ook uit de verhalen die ik tegenkom. Veel verhalen. Er was nooit geen verhaal over hem. Al zijn de meeste een eigen leven gaan leiden. Toen hij begin 2014 naar Nederland kwam om eens kennis te maken en ik hem, aan de keukentafel bij Zora, vroeg naar het waarheidsgehalte van al die anekdotes – slapend onder de tribune, op moonboots op de training – schudde hij het hoofd.

Alcoholist? Hij dronk al twintig jaar niet meer. Gokken. Wie gokte er nooit? Die maillots? Het was soms koud hier. Bleven de spieren warm. Dat van die moonboots klopte ook niet. Had ik wel eens geprobeerd met die dingen te trainen?

Djurovski verbaasde zich zelfs over de titel ‘De Rookmagiër’. Die bijnaam had-ie gekregen van Volkskrant-journalist Paul Onkenhout. Waar sloeg dat op? Wij haalden onze schouders op, terwijl hij naar het balkon ging om een sigaretje te roken. De zoveelste die dag.
 

Bijvangst

 
Het ontzenuwen van al die halve waarheden is bijvangst, maar er is een tweede, belangrijker reden voor een boek over Milko Djurovski. Ik ben nieuwsgierig naar zijn leven voor 1990. Daar weten Groningers weinig van. Hoe was zijn jeugd, waar groeide hij op, wat beweegt hem, hoe groot was hij in Joegoslavië en vooral: waar komt dat onwaarschijnlijke talent vandaan. Want Milko Djurovski was vooral een geweldige voetballer.
 
‘Milko klasse apart’, kopte de Telegraaf op 18 november 1991 en in een paar zinnen kenschetst verslaggever Bert Dijkstra dat waar Djurovski voor stond: ,Gisteren maakte Milko duidelijk dat hij (met Romario in de ziekenboeg) de meest geniale voetballer op de vaderlandse velden is. Dat bleek vooral uit het gemak waarmee hij beslissingen kan forceren; een handjevol onnavolgbare voetbewegingen dat meer rendement opleverde dan negentig minuten onsamenhangend gedraaf van zijn ploeggenoten.’
 

Niet aan komen waaien

 
Dat talent is, anders dan zijn verschijning doet vermoeden, niet aan komen waaien. In Braća Durovski doen Gvero en Reljic uit de doeken hoe vader Cvetko zijn zoons vanaf het moment dat ze konden lopen aan een strak regime onderwierp. Omdat hij een doel had. Ze moesten en zouden het shirt van Rode Ster Belgrado dragen.

Het verhaal van hun jeugd sterkt mij in de visie dat, zelfs in de Veenkoloniën, succes in een keuze is. Training en training is het verhaal, met tussen de bedrijven door trainingen.

Dát deed Cvetko Durovski in het Macedonische Zilce, een dorp dat volgens Gvero en Reljic op geen enkele geografische kaart stond, maar wel twee Joegoslavische internationals voortbracht. De droom van vader Djurovski was groot. Zijn zoons niet alleen in het roodwit van Rode Ster, maar ook in het blauw van Joegoslavië, spelend voor 100.000 toeschouwers in het Braziliaanse Maracana-stadion.

Cvetko was zelf een getalenteerd voetballer die in de jaren vijftig, ook in Joegoslavië de jaren van de wederopbouw, indruk maakte als laatste man van Zilce. Hij was klein van postuur, maar heerste in het eigen strafschopgebied. Ging vol de duels aan en had altijd nummer 4. Dat mocht niemand anders dragen, ook niet als hij er zelf niet was.
 

Maniakaal

 
Vader Djurovski was fanatiek, om niet te zeggen maniakaal. De twaalf kilometer van zijn huis in Zilce naar de fabriek in Tetovo zag hij als training. Toen de man een fiets kreeg vertrok hij altijd iets te laat, zodat hij sneller moest rijden. Zijn talent werd ook opgemerkt en er kwamen aanbiedingen, maar toen puntje bij paaltje kwam wilde hij in het dorp blijven.

Cvetko en Stojna trouwden in 1960 en een jaar later, op 28 december 1961 werd eerste zoon Bosko geboren, op 26 januari 1963 gevolgd door Milko. De twee jongens vormden voor Cvetko een kans om zijn niet waargemaakte dromen alsnog te vervullen.

Hij begon ze te trainen. Cvetko in Braća Durovski: ,,Eerst met Bosko. Hij was nog klein, luisterde soms en soms niet. Maar dan kocht ik iets voor hem, chocola of bonbons, als beloning. Milko was niet zo gemakkelijk om te kopen.’’
 

Louis van Gaal avant la lettre

 
Als een Louis van Gaal avant la lettre legde pa Djurovski alles vast in tabellen en schema’s. Hoe laat ze moesten opstaan, wat ze moesten eten, hoeveel liter melk per dag. Ze dronken 200 eieren per jaar, fruit was verplicht en tussen één en drie uur ’s middags werd gerust. Van een goede slaap ging een mens immers groeien.
Ze kregen wel loon naar werken. Op een dag kwam Cvetko met een plastic bal aan, in de jaren zestig een bijzonderheid op het Joegoslavische platteland, en trainingspakken van Rode Ster. De tenue's waren veel te groot en met het strakke elastiek om de middelen leken de mannetjes op plofkippen. Iedereen lachte ze uit, maar de twee waren apetrots.

Wanneer Cvetko van huis was ging het trainen gewoon door. Dan nam Stojna de honneurs waar. Soms streek ze, zoals het moeders betaamt, over haar hart en vinkte iets aan, ondanks dat het niet was uitgevoerd. Het zal geen verrassing zijn dat dat bij Milko vaker het geval was.

Bosko herinnert zich: ,,We moesten workouts doen: met trekveer, springtouw. We begonnen al op zes-, zevenjarige leeftijd. ’s Ochtends eerst oefenen, daarna naar school, ’s middags slapen, weer naar school, huiswerk en daarna weer trainen. We leken wel profs.’’
 

Rondjes om het huis

 
De dorpelingen van Zilce stopten altijd even voor het huis van de familie Djurovski, als de jongens aan het trainen waren. Soms renden de knapen rondjes om het huis. Dan vroegen de mensen zich af wat die rare Cvetko toch wilde met die twee zwakke, onvolgroeide zoontjes van hem.

Nu en dan was er verbazing. Dan kwam Bosko alleen voorbij. Er zou toch niks met Milko zijn? Maar als ze achter de woning keken, lag hij in het gras. Uitrusten. Een rondje later sprong de jongste weer in, alsof hij de hele tijd mee had gedaan.

Zo serieus als Bosko was, zo ondeugend was broertjelief. Milko merkte dat hij de mensen amuseerde met zijn gedrag. Dat vond hij leuk. Hij merkte welke invloed hij had op publiek en het was ook in Zilce dat ze hem al die bijnaam gaven. Mangup.

maandag 6 juli 2015

Nieuwe columnbundel: De eeuwige Veenkoloniaal

Om alvast in de agenda te zetten, tenminste, voor wie het wat interesseert: bij Uitgeverij Passage verschijnt een nieuwe bundel columns van mijn hand. Titel: De eeuwige Veenkoloniaal. Presentatie (ovb) 17 september om 17.00 uur in jongerencentrum De Kwinne in  Stadskanaal. Iedereen is welkom. Eerste exemplaar wordt (ovb) uitgereikt aan Volkskrant-columnist en schrijver Bert Wagendorp.

donderdag 2 juli 2015

Voorbij de Watertoren (66) - De eerste dag van de vakantie

De eerste dag van de vakantie gaat op aan plannen maken. Over hoe de vakantie door te komen. Mooiste moment van het jaar, omdat het neerkomt op zoveel mogelijk manieren verzinnen om niks te doen.

Het hele jaar hebben we de bek vol muggen omdat we dag in dag uit over ’s herens Groningse wegen razen en het vooruitzicht op vier weken rust is een emotiemomentje.

Alleen ook dan trouwens. Na de eerste dag wordt het alweer minder. Immers, daarna begin ik met aftellen. Er komt natuurlijk een moment dat die vier weken voorbij zijn en met elke dag die voorbij is in de vakantie komt dat moment dichterbij.

De zoveel mogelijke manieren van niks doen haal ik vooral uit bladen als Leven in Frankrijk en En France, Italië en España. In die landen doen ze ook niet veel meer dan niks.

En anders kijk ik naar Jamie Oliver die in een busje langs de Middellandse Zee crosst. Wat ik bij hem zie, wil ik ook: in korte broek en open blouse bij de barbecue aan een Desperado of Corona lurken, onderwijl ik een piri piri-kippenboutje omdraai.

Meestal als je naar foto’s of reclamefilmpjes kijkt waar mensen dat ook doen vraag ik mezelf af of ik daar serieus aan moet beginnen, omdat die mensen er allemaal strak, bruin en jong uitzien, maar ik weet sinds kort van collega Rosa T. dat er iets bestaat als een dadbod.

Dadbod is damesbladen-slang voor wat in Groningen n dikke pokkel heet.

Daar schijnen zelfs jonge vrouwen op te vallen, met als gevolg dat het halve mannenbestand van Slochteren ineens sexy is. Heel sexy.

Zwembad kan ook. Met de kinderen. Die zijn op een leeftijd dat je ze niet meer hoeft te vermaken, sterker nog, dat hebben ze liever niet en dus zit je aan de rand van het zwembad met een boekje en een waterflesje waar zogenaamd Karvan Cevitan in zit, maar eigenlijk iets anders.

Als het te warm wordt rol je ook even het water in en gaat verder met wat je aan het doen was. Lezen of praten met andere ouders. Over niks natuurlijk, al noemen we dat niks in de gesprekken ‘onze kinderen’.

Een festival bezoeken kan. Luisteren naar muziek, kijken naar theater, of gewoon zoals op Noorderzon, zeggen dat de kaarten jammer genoeg uitverkocht zijn en op een bankje bij de vijver gaan zitten keuvelen met andere mensen die ook zeiden dat ze geen kaartjes meer konden krijgen, onderwijl je een tortillachip in de guacamole doopt, terwijl je poedie nog een rondje wijntjes haalt.

Ik merk alleen dat ik niet meer zo van de mensenmassa’s ben. Moet ik luisteren en zo en ook zelf praten. Ben ik eigenlijk helemaal klaar mee.

Vissen, we zouden het bijna vergeten. Dat gaat – ik kan alle ecofreaks geruststellen - helemaal niet om zoveel mogelijk zwemmende beestjes vangen. Welnee, het gaat er om dat je even alleen bent. Geen gezeur om de kop. De hengel is een instrument. Het doel is aan het water zitten, kijken naar de lucht, een paar bomen in de verte, een dood vogeltje op de weg. Meer niet.

De mooiste manier van niks doen is echter lezen. Lam liggen in een tuinstoel met een boek. Dat zou ik het liefst doen. Als de vakantie begint moet ik altijd denken aan de baas van de Groningse stadsbibliotheek. Die doet dat ook alleen maar. Lezen. Zijn vriend wil nog wel eens een wandeling maken. Hij niet.

Boeken heb ik inmiddels in voorraad. Een precieze mix van lucht en pittig. Ik zal niet opnoemen wat ik heb, dat staat wat raar…, nou goed dan, een wil ik noemen en dat is een enorme pil met de beste wielerverhalen. Ik heb zelf niet zoveel met wielrennen, maar dat hoort wel bij Frankrijk en wat is er mooier dan lezen over de helden en losers die door aftandse dorpjes jakkeren, of zich dood rijden op een stuk vals plat, terwijl je zelf als een gestrande walvis in het gras ligt, flesje rosé in de koelkast.

,,Leg dat boek maar aan de kant’’, breekt mijn vrouw in, terwijl ik aan het nadenken ben op de eerste dag van de vakantie, ,,kijk, ik had al even een lijstje met klusjes gemaakt.’’