donderdag 28 januari 2016

Op weg van Groningen naar Slochteren, zie ik ter hoogte van Engelbert een fietser van rechts komen. Onmiddellijk gaan de alarmbellen rinkelen. Ik stel me voor hoe de man doorrijdt en hoe ik een klap voel en hij onder mijn voorwielen glijdt en het bedoelde leven tot stilstand komt. Hoe ik zou schrikken en uitstappen, niet durven kijken en ik in korte tijd omringd zou zijn door mensen, politie, ambulances en hoe alles zou veranderen, niet alleen van deze dag, maar van alle dagen en ik denk aan alles wat je maar kunt verzinnen bij het idee van een ongeluk.

Zoals ik dat bij zowat elke fietser denk die van links of rechts komt, en bij elke vrachtauto die in de verte op de andere weghelft mijn kant op komt. Zelfs bij een spoorwegovergang stel ik me voor wat zou gebeuren als ik probeer nog net onder de dalende spoorbomen door te komen en wat ik me dan nog meer voorstel is dat als je in de nasleep van zo’n ongeluk met fietser, auto, vrachtwagen of trein zit, je graag zou willen dat het ongeluk niet was gebeurd en de dag verder zou zijn verlopen zoals je had gepland, dat je gewoon je weg vervolgde naar huis, de deur opende, je een glas wijn inschonk, je kroost achter de Playstation begroette en begon met eten koken. Zoals ik vandaag heb gedaan, omdat de fietser keurig stopte.

woensdag 27 januari 2016

Wat heb ik vandaag gedaan? Opstaan, broodje smeren en thee zetten en melk inschenken. Voor twee personen, omdat de een op school broodje kreeg, hij mocht zelfs in pyama heen. Daarna ruimde ik de vaatwasser uit en weer in, maakte een broodtrommel klaar met een bidon met Karvan Cevitam, pakte de tas in van de ander, poetste tanden, zette de droger aan en bracht de jongste naar school. Op de terugweg ging ik bij de supermarkt langs, kocht Nesquik chocopops, melk, twee flesjes vissaus, schnitzels, spruiten, sperziebonen, een pakje jachtsaus, boter, salami, twee komkommers, hygiënedoekjes en een pak wc-papier.

Bij terugkomst zette ik de grijze container buiten, maakte koffie en deed mijn laptop aan. Ook ging ik nog even stofzuigen omdat ik bij het leegschrapen van de pannen knoeide toen ik hutspot in de vuilniszak wilde vegen. Ik haalde een lapje over het gasfornuis, daar zat een bruine aangebrande vlek en ik deed mijn pyama aan. Toen ging ik zitten schrijven, aan het boek over Milko Djurovski. De basis van het verhaal staat al, maar ik ga in maart naar Belgrado, onder meer om hem te interviewen en ik moet vragen bedenken. Die haal ik uit wat ik heb. Of beter: wat ik nog niet heb.

Ik at bij de koffie een broodje met chocopasta. Dat had ik per ongeluk gesmeerd voor de zoon die op school ontbeet. Toen moest ik naar de wc, poepen, checkte Twitter en keek porno (grapje). Omdat ik toch achter de tafel weg was, ging ik me meteen scheren. Het apparaat zette ik eerst op vijf millimeter voor mijn wenkbrauwen en toen op een halve millimeter voor mijn gezicht. Daarna ging ik weer een uurtje werken, stapte onder de douche, deed de douchekop daarna in een bak met azijn om te ontkalken en reed naar school om de jongste op te halen.

Zoals altijd op woensdagmiddag bakte ik voor hem twee eitjes en maakte voor mezelf een blikje soep warm. Hij nestelde zich vervolgens achter de Playstation, ik kroop nog even achter de computer, belde een vriend terug wiens oproep ik had gemist, oefende een half uurtje op gitaar en ging eten koken. Ze moesten beide sporten vanavond dus ik wilde om vier uur het eten klaar. Na het sporten krijgt niemand er een hap door, dus dan maar van te voren. Mits op tijd is dat beter. Terwijl ik de spullen voor het eten pakte, noteerde ik de naam van R.L. Burnside als diegene waarvan ik op korte termijn een cd wil kopen.

Ik schilde aardappels, zette sperziebonen en spruitjes zachtjes op en verwelkomde de oudste die thuiskwam. Even later liet ik boter warm worden, deed de schnitzels in de pan, roerde het zakje jachtsauspoeder met 250 milliliter water en zette ook dat zachtjes op het vuur. Na twintig minuten zei ik dat alle apparatuur uit moest omdat we gingen eten. De jachtsaus, een probeersel, vonden ze vies, maar de heren aten toch hun bord leeg.

Ik ging naar het washok en legde voor ieder een stapeltje sportkleren klaar. De jongste werd om vijf uur opgehaald en een kwartier later stapte ik met de oudste in de Audi, haalde zijn teamgenoot op en reed de twee naar de sporthal in Hoogezand. Ik liep via de zijkanten van het speelveld naar de tribune, keek een minuutje of twintig en liep toen weer naar buiten, naar het nabijgelegen voetbalveld waar de jongste in de regen aan het trainen was. Dat was om half zeven afgelopen.

Ik nam hem en zijn teamgenootje en beste vriend, die in ons dorp aan de Hoofdweg woont, mee, zette de jongen af en reed door naar huis. Daar liep mijn vrouw door de gang te telefoneren en na een knikje ging ik naar de slaapkamer en deed mijn pyama aan. Ik sommeerde de jongste dat ook te doen. Hij had nog honger, dus maakte ik hem een kommetje chocopops. We keken naar According to Jim, Two and a half men, the Big Bang Theory, onderwijl de oudste weer van hockey terugkwam en na nog een broodje met kaas was het voor de jongste tijd om te gaan slapen. Ik bracht hem naar zijn kamer, zei dat hij nog even mocht lezen, keerde terug naar de bank, waar de oudste zich naast mij nestelde met zijn werkboek Nederlands. Ik zette de laptop aan en schreef dit stukje.

dinsdag 26 januari 2016

Een man en vrouw lopen op straat, hand in hand. Ik zie ze als ik op weg ben om mijn zoon van school te halen. Het is dinsdagmiddag half drie. Ik kijk nog eens naar het stel. Overdreven, is mijn eerste gedachte. Dat is mijn probleem. Ik kan het zelf niet. Mijn vrouw probeert het soms, die enkele keer dat we samen winkelen. Dan pakt ze mijn hand en zegt ‘gezellig, hé’ en dat meent ze ook. Maar dan kijk ik onmiddellijk of andere mensen het zien. Ik schaam me, terwijl het doodnormaal is. Dat is mijn probleem. Ik heb moeite emoties te tonen. Althans, liefde. Boos zijn gaat me goed af. Maar laten zien dat je van iemand houdt, dat ik van mijn vrouw hou, of gewoon, dat we bij elkaar horen, dat je blij met iemand bent, daarvan heb ik zoiets: dat hoef ik niet te laten zien, want dat is zo. Dan hoef ik dat niet te benadrukken. De man en vrouw doen het wel. Die hebben daar geen problemen mee. Die lopen hand in hand, omdat ze dat willen. Even voordat ik afsla, richting de school van mijn zoon, zie ik dat ze even naar links kijken, naar rechts, weer naar links, de weg oversteken en het ziekenhuis binnengaan.

maandag 25 januari 2016

Een haas rent naast me. Ik rij met een gangetje van 80 over een B-weg, vanaf het Afwateringskanaal richting Slochteren, door ’t Roegwold, het gebied dat de mens zogenaamd terug heeft gegeven aan de natuur. Wat natuurlijk niet zo is, want als je maar lang genoeg niks aan een gebied doet, wordt alles vanzelf weer natuur.

Ik ben op de weg terug naar huis na een raadsvergadering in Loppersum. Die duurde tot één minuut voor tien. Dat had in mijn beleving een uur sneller gekund, dus ik zet het gas erop. Zo werkt dat. Als je denkt dat iets te veel tijd heeft gekost, dan wil je dat goed maken.

Alsof dat kan.

Maar we doen wel vaker alsof iets kan.

De haas rent zigzaggend door de berm en duikt even later, tot mijn opluchting, het donker in. Het duurt niet heel lang als ik verderop een nieuwe haas zie. Ook die begint te rennen, kruist voor me de weg over, sprint een tijdje aan de andere kant mee en zoeft opnieuw voor me langs. Ik ga langzamer rijden en ook dit exemplaar verdwijnt in het donker en als ik weer voor me kijk staat haas nummer drie al in de startblokken. Ik word er een beetje zenuwachtig van.

Rustig aan mensen, denk ik, als ook dit diertje het op een lopen zet en van links naar rechts door de berm snort, even dicht bij mijn wielen komt en, verrassend, opeens stil zit, met de rug naar de weg toe, op de rand van de sloot en net doet alsof er helemaal geen auto is,  nooit geweest ook.

Ik vraag me af wat de hazen van mijn wagen vinden. Ik bedoel, ik weet dat zij hazen zijn, maar weten zij wat ik ben, dat ik in een Volvo rijd? Is onze ontmoeting voor hen een soort Close Encounters of the Third Kind?

Je kunt niet zeggen dat ik ze ongemoeid laat, anders zouden ze niet als gekken beginnen te rennen. Dan vraag ik me af wat ze na het sprintje doen, hoe het ze deze nacht verder zal vergaan, of het een spelletje voor het slapen was, of ze dat bij elk voertuig doen en hoeveel hazen er eigenlijk wel niet zijn in ’t Roegwold en of het wel hazen zijn en geen konijnen en wat voor andere dieren er allemaal huishouden en ik realiseer me dat ik toch bar weinig weet van het gebied waar ik woon en werk.

donderdag 21 januari 2016

Terwijl ik luister naar de gemeenteraad van Bedum die drie moties aanneemt in aanloop naar het debat in de Tweede Kamer van volgende week over het MJP van de NGC, zie ik op mijn laptop op de DvhN-site dat een collega een bericht heeft gemaakt over het gitzwarte beeld van de woningmarkt in aardbevingsgebied.
Terwijl iedereen de mond vol heeft van terugkeer van vertrouwen in de NAM en de politiek, neemt de wanorde in Noord-Groningen eigenlijk alleen maar toe. We mogen zo langzamerhand wel concluderen dat een heel landsdeel aan zijn lot overgelaten wordt.
Terwijl de lokale politici pogingen doen de landelijke collega's zoveel mogelijk van munitie te voorzien denk ik: hou maar op, het wordt gewoon niks. Buiten Groningen interesseert het niemand een bal.

woensdag 20 januari 2016

Etentje gehad met redactie Groningen van DvhN. Op een schip. Om daar te komen moest je over een ander schip. Daarvan was het dek glad. Je zal op dat ene schip wonen, dacht ik. Steeds volk over je dek, dat naar het etentjeschip loopt. Maar we vielen niet in het water. En het eten was lekker. Quiche, met gehaktballetjes in tomatensaus, couscous, veldsalade en een toetje na. Mooi schip ook van binnen. Oude klipper waar ze nog steeds mee varen en af en toe zelfs wedstrijden en dan moeten ze heen vijf zakken mest meenemen en terug bloemen. Iets met vroeger. Want het schip was heel oud. Het was eerst kort, toen is het verlengd en daarna weer ingekort, weer verlengd en dat nog een paar keer zodat ik niet meer wist of we nu op de korte versie zaten of de lange. Kort, zei iemand, ik weet niet wie. Ik nam bij het eten een Berenburg, toen een wijntje en toen een Fanta en tot slot koffie. Ik was immers met de auto. Mijn vrouw zou vroeg thuis zijn, maar dat was ze niet, dus kon ik niet met de bus. Achteraf goed, denk ik. Want het was glad, ook toen we weer van de boot afgingen. De doorgaande wegen waren verder droog. Toen ik thuis kwam ging mijn vrouw net naar bed. Ik zette me voor de buis en keek verder naar de docu over Keith Richards. Daarbij dronk ik een pilsje en een whisky. Dat heet bij mij een Greek Head Bunk en er is nog één iemand op de wereld die dat snapt.

dinsdag 19 januari 2016

Is het verstandig om je schrijvende voorbeelden te ontmoeten? De meeste waaraan ik mij spiegel zijn dood; zonder uitzondering zelfmoord. Ernest Hemingway, Hunter Thompson, David Foster Wallace, Nanne Tepper. Andere grootheden wier werk ik met enige regelmaat herlees, zoals Joseph Roth, Tip Marugg en Charles Bukowksi, hebben zich min of meer dood gezopen.

Ik sta steeds meer in de stand dat boeken gewoon gelezen moeten worden. Wat de schrijver daarnaast doet, in zijn privéleven, of wat hij hier of daarvan vindt, is minder interessant. Het werk, daar gaat het om. Al zijn de oeuvre’s van voornoemde auteurs dermate met hun wezen verbonden dat een grens daartussen moeilijk is aan te geven. Maar had ik ze willen spreken?

Alleen bij Tepper is dat twee keer gebeurd. Die ontmoetingen had ik niet willen missen, al heb ik uit zijn boeken meer over hem gehaald dan in die korte gesprekken en stond hij bij de laatste keer al met een been in het graf.

Knausgård leeft nog, al twijfelde ik enorm of ik hem wilde zien. Ik wist dat hij naar Groningen kwam, kaarten reserveren deed ik niet. Als de chef kunst mij niet had gevraagd of ik er heen zou willen, voor de krant, was ik ook niet gegaan. Maar hij vroeg me wel. Dus ging ik.

Dat was zondag.

In een uitverkochte Der Aa-kerk in stad.

Omdat de man een zesdelige cyclus over zijn leven had voltooid, 3800 pagina’s, had ik geen idee wat ik nog van hem zou willen weten. Het belangrijkste, zijn geschriften en meer nog zijn verhouding tot de literatuur en de mentaliteit – zoals ook Tepper die had – dat eigenlijk alles in het leven ondergeschikt zou moeten zijn aan het schrijven, waren een feest der herkenning. Behalve wat kleine dingetjes, die me niet verbaasden, leverde het interview weinig verrassende zaken op. Daarbij bleek hij in de anderhalf uur, exclusief pauze, ongeveer de gewoonste mens ooit.

En toch.

Toen ik een half uur voor aanvang de kerk binnenkwam sleurde de organisatrice me direct mee: ,,Ik leid je meteen naar je plek.’’

Die bleek op de eerste rij: ,,Daar zit jij’’, zei ze gedecideerd, ,,daar Kester en naast jou Knausgård.’’

Dat leek me onwaarschijnlijk omdat hij immers moest optreden, maar inderdaad: bij binnenkomst ging hij naast mij zitten. Hij knikte me toe en ik zei ‘Hello’ en terwijl de organisatrice de avond inleidde zaten we even naast elkaar en raakten onze bovenarmen elkaar. Dichterbij een schrijvend voorbeeld ben ik nooit gekomen.

Dat deed me wel iets.

Al bleef het daar natuurlijk bij, want verder dan luisteren kom je op zo’n manifestatie niet. Zo’n man wordt geleefd tijdens zo’n avond en je moet nooit de illusie hebben dat je bij zoiets een vriendschap voor het leven begint.

Er is nog een reden waarom je nooit naar lezingen van succesvolle auteurs moet gaan. Terwijl Knausgård in de rust signeerde en rijen fans stonden te wachten op een krabbel in een van de zes delen van Mijn Strijd, kwam een mij bekende vrouw naast me staan. Ze glimlachte: ,,Zover ben jij nog niet hé?’’

Dat beaamde ik.

,,Of schrijf jij ook’’, vroeg de niet onknappe jongedame die rechts van mij stond.

Ook dat beaamde ik.

,,Hoe heet jij dan?’’

,,Herman Sandman. Waarschijnlijk nog nooit van gehoord.’’

,,Nee. Hoe spel je dat? Ga ik thuis wel even googelen.’’