maandag 30 november 2015

Als mijn vrouw ’s avonds op de bank in slaap valt, laten we haar lekker liggen. Ze vindt dat gezellig, na een drukke dag wegdoezelen terwijl er een thriller op is en het is haar gegund. Want ze werkt hard. Ik waarschuw Hunter en Reyer dan rustig aan te doen: ,,Ssst, mama niet wakker maken.’’

Hoe anders is het als ik op de bank in slaap val, wat de laatste tijd opvallend vaak voorkomt. Ik slaap dan niet echt, zweef ergens tussen waken en dromen en hoor in de verte kinderstemmen smoezen: ,,Zullen we papa wakker maken?’’

,,Doe maar niet’’, zegt mijn vrouw dan. En tegen mij, als ik van het geroezemoes toch wakker wordt: ,,Waarom ga je niet lekker naar bed?’’

,,Waarom? Ik vind het net als jij ook fijn om hier zo te liggen.’’

Als ik na de daaropvolgende discussie toch maar zuchtend richting slaapkamer loop, klinkt het: ,,Ah, blijf toch nog maar even bij ons. Is wel zo gezellig.’’

Waarna een nieuw debat volgt en ik vraag waarom er geen probleem is als mama op de bank in slaap valt en wel als papa dat overkomt: ,,Je ligt er altijd bij alsof je neergeschoten bent.’’

vrijdag 27 november 2015

Een dirigent/componist vertelde in een interview, lang geleden, dat hij gek op Portugal en/of fado was. Idolaat van het Mediterrane leven, die cultuur. Zoiets. Het was een Nederlander. Op de vraag of hij daar dan heen wilde emigreren zei hij van niet. Dat werd zijn ondergang. De man zou, zo bekende hij, tot niets meer komen. Alleen maar elke avond in een restaurant of bar zitten, whisky en/of port drinken, sigaren roken en naar fadozangeressen luisteren. Daar moest ik vandaag aan denken.

donderdag 26 november 2015

Het is elf over tien als ik aan dit stukje begin. Ik zit op de groene bank, zoals wel vaker ’s avonds, alleen staat het meubel op een andere plek. Net zoals onze grote zwarte bank. Ze staan op elkaars plek nu. De reden van de verschuiving is me onduidelijk. Dat doet mijn vrouw. Die heeft dat eens in de zoveel tijd. Dan moet de inrichting van de kamer weer anders. Van mij hoeft het niet, maar goed, mij wordt niks gevraagd. Het zit wat apart, want ik heb nu een muur in de rug en ik zit schuin voor de televisie.

Het grootste deel van de avond ging op aan de commissie ABZ in Bedum. Daar zat voor de krant van morgen niet direct een verhaal in, maar zo vaak ik kan ga ik naar een vergadering. Je weet nooit of je niet iets hoort waar je later iets mee kunt. Bovendien is het belangrijk om de mensen te zien en de mensen jou. Journalistiek blijft een kwestie van bronnen. Om de doodeenvoudige reden dat we nog steeds geen nieuws kunnen ruiken. Iemand moet je dat vertellen.

Naast mee staat een glaasje whisky, leeg, en een bakje chips, ook leeg en ik weet dat als ik dit af heb, ik naar bed ga. De Hulk is op tv, maar de film haalt het niet bij de serie die er op was toen ik jong was. Daarbij boeit televisie me de laatste tijd nauwelijks. Ik lees vooral en ik verslind het ene boek na het andere. Na Vrouw van Knausgård en een bundel korte verhalen van Tsjechov begin ik nu aan een nieuwe, maar ik weet nog niet welke. Voordat ik aan het slotdeel van de cyclus van de Noorse auteur begon was ik half bezig in Zuckerman Bound van Philip Roth en nu twijfel ik.

Lees ik eerst Roth uit, of begin ik aan In een mens van John Irving? Dat heb ik vaker. Dan ben je ergens mee aan het lezen, maar dan komt er een nieuwe titel van een favoriete auteur en dan moet die eerst. Dat heb ik dus onder meer met Irving. Ik neig naar hem, omdat ik Roth in het Engels lees en voor het slapen gaan is dat niet altijd handig. Je leest hooguit drie pagina’s en valt in slaap. Maar ik wil Roth ook niet steeds vooruit schuiven.

Daarbij: Irving is typisch iemand die lekker weg leest rond kerst. Dus bewaren. Aan de andere kant ligt er nog van alles op het nachtkastje: Effi Briest van Theodore Fontane, Infinite Jest van David Foster Wallace, een biografie van Hunter S. Thompson, de speciale uitgave Vergeten Helden van Hard Gras, een enorme pil met wielerverhalen en nog wat dingen die ook lekker zijn met kerst. Dus zou Irving nu kunnen. Maar ik ben ook weer iemand die vindt dat eerst Roth uit moet. Gewoon: omdat die er ligt. Eerst afmaken waar je aan begonnen bent. Dan het volgende. Zo leerden wij dat vroeger.

Het is inmiddels half elf en terwijl ik net mijn tweede bakje chips over het toetsenbord gooi, per ongeluk, ben ik er nog niet uit. Ik slaap tijdelijk op het bed van Reyer (geen ruzie of zo hoor) en voor de zekerheid heb ik zowel Roth als Irving op zijn boekenkastje gelegd. Over een kwartier maak ik de keuze.

woensdag 25 november 2015

dinsdag 24 november 2015

,,Ik heb niks vandaag.’’

(…)

,,Nee.’’

(…)

,,Wat?’’

(…)

,,Nou ja… gewoon…’’

(…)

,,Heeft er niks mee te maken.’’

(…)

,,Vind ik niet. Dat is, eh…, hoe zal ik het zeggen…’’

(…)

,,Kan ik je niet uitleggen.’’

(…)

,,Neehee.’’

(…)

,,Hou maar op. Niet van belang. Is gewoon iets van mezelf. Gaat over niks. Eigenlijk.’’

maandag 23 november 2015

Mijn schoonvader drinkt elke avond een biertje voor het eten. Na het afruimen gaat de televisie aan. Onder het kijken van nieuws en actualiteiten drinkt hij een paar glazen water. Om half elf is het mooi geweest. Dan wordt overgeschakeld op een van de vijftig Duitse muziekzenders. Er komt een borreltje op tafel en een bakje zoute pinda’s, soms een schaaltje leverworst. Tegen half twaalf gaat de radio uit, net als het licht in de woonkamer en zit hij in het donker nog een tijdje naar buiten te kijken.

vrijdag 20 november 2015

Windjacks en werkschoenen. Bemodderde auto’s in het gras. Kale bomen en bleke gezichten. Een crematie op het platteland. In de aula klinken Motörhead, Nick Cave, Rammstein en Edwin Jongedijk.

Ik ben terug in de wereld waar ik vandaan kom, de wereld waar ik vandaag niet wil zijn en dat is op de uitvaart van Okki.

Okko en Gerrie. Gerrie en Okko. De gebroeders Ten Hoff. Uit Musselkanaal. Veendorp langs het kanaal dat Bareveld met Ter Apel verbindt.

Ze zijn onderdeel van mijn jeugd, deel van mijn leven. Zo lang ik bij Seta voetbalde (Sportclub Eerste Exloërmond tot Afdraai), zo lang stonden zij elke zaterdag langs de lijn. Zo lang ken ik ze.

De aula is afgeladen. Gezichten uit een voorbij leven. Terwijl Lemmy bezig lijkt aan een soort van ballade, komt de familie binnen. Ik zie Gerrie zoals ik hem niet ken. Huilend. Een gebroken man. Zijn broertje, zijn Okki, ligt in een kist.

Onderwijl Nick Cave zingt van waar de wilde rozen groeien denk ik aan het jaar dat Okki en ik leider waren van Seta D1. Dat bleek achteraf geen goed idee. Tijdens een weekend in kampeerboerderij De Alinghoek in Drouwen, deden de rest van de begeleiding en ik geen oog dicht. Overdag hadden we de zorg voor de jongste jeugd en ’s nachts konden we achter Okki aan die in de verkeerde slaapzalen rondhing.

Okko en Gerrie, Gerrie en Okko. Een kennis van mijn ouders noemde ze ‘vreselijke mensen’ en dat was, gek genoeg, een compliment.

Ze waren apart. Heel apart. Sloffe praters, intelligente jongens, scherp van de tong en zwaar alternatief. Sjappen, maar ónze sjappen. Ze gaven kleur aan het leven. Authentiek, helemaal zichzelf. Sans gene.

Al zagen ze dat zelf niet zo. Op een van de familiedagen van Seta, jaarlijkse afsluiting van het seizoen, zat ik met Okki te praten en hadden we het over een familie uit Ceresdorp. ,,Die mensen,’’ bezweerde Okko, ,,dat zijn héél aparten.’’

Broer Bert, met zus Liesbeth de enige ‘normale’ kinderen van het gezin Ten Hoff, schetste tijdens de uitvaart een hilarisch beeld. Want Okko en Gerrie stonden elke zondag langs de lijn bij voetbalvereniging Musselkanaal. Uit en thuis, in weer en wind. Supporters in hart en nieren. Kwam niet aan de club, dan kwam je aan hen. Wat meermaals tot dolle taferelen leidde. Als er iets gebeurde wat hen niet zinde, renden ze het veld in.

Eerst Okko die verhaal ging halen bij scheids, keeper of trainer, daarachter Gerrie, om zijn broer te beschermen en daar achteraan vader Batse, hetzij om zijn zoons in toom te houden, hetzij om er ook op los te meppen, dat was niet altijd even helder en daar weer achteraan broer Bert, die, werkzaam bij Lokale Omroep Kanaalstreek, microfoon en koptelefoon aan de kant gooide en het veld in stoof om zijn familie tot de orde te roepen en in zijn kielzog een handvol bestuursleden.

Okko zat, op de jaarlijkse familiedag, bij voorkeur tussen de wat oudere vrouwen, waaronder mijn moeder en sprak met hen over de zorgen van alledag en het huishouden. Hij dronk, in tegenstelling tot alle andere mannen, geen bier. De jongste Ten Hoff had suikerziekte. In plaats daarvan dronk hij rum, met cola light en bij wijze van traditie, of omdat het gesprek met de oudere dames hem verveelde, stond hij aan het einde van de middag bovenop de tafel en liet zijn broek zakken.

De laatste act op de familiedag was penalty schieten voor iedereen. Ik vond het elke keer bijzonder om mijn moeder een strafschop te zien nemen. Als een van de laatsten was Okki aan de beurt en elke keer tijdens de aanloop liet hij zijn broek zakken. Daarna ging de deur van de kantine op slot en was het vakantie.

Als het tijd wordt om afscheid te nemen staat Gerrie voor de kist. Hij heft de armen in de lucht. Zelden iemand zo radeloos gezien. Hij roept iets van ‘ouwe rocker’ en wordt door broer en zus afgevoerd, snikkend.

Als ik aan Okki denk, denk ik aan hem met zijn broek op de enkels, klaar voor de aanloop. Een herinnering met een lach.

P.S. Het laatste nummer op de uitvaart was Ohne dich van Rammstein. Tip: luister dit met de volumeknop op max.