,De meningen die Hitler verkondigde, waren duidelijk en
helder: hij hield niets achter en voor hetzelfde geld hadden ze geen gehoor
gevonden; op zich hadden hij en zijn partij geen macht, die macht verkregen ze
doordat het volk naar hen luisterde en daarin zichzelf hoorde, de stem van het
eigen verstand, die zei dat het zo was. Duitslands tragedie was dat niets die
stem van het verstand, de gedachten die men in stilte had, tot zwijgen bracht,
dat geen van de structuren die het laag-bij-de-grondse afwezen meer functioneerde.
dinsdag 17 november 2015
maandag 16 november 2015
Een vriend is dood. Ik werd daarover gebeld toen ik in de
lobby van het ziekenhuis stond, op weg naar mijn vrouw die net bij lag te komen
van een operatie. Een andere vriend deelde het me mee. Die was net op de hoogte gebracht door
de neef van de overleden vriend.
Hij was vanochtend niet op zijn werk verschenen en toen ze
bij zijn huis kwamen lag hij dood op bed. Vermoedelijke oorzaak: hartstilstand.
Overleden in zijn slaap.
Daar was ik even stil van. Daar ben ik nog steeds stil van.
donderdag 12 november 2015
woensdag 11 november 2015
De bel. Klasgenootje D., gebracht door moeder E. Tot onze
verbazing staat er nog een jongetje bij. T.. Van dezelfde klas. Wil ook mee.
Daar hebben we geen moeite mee. In plaats van dat de mannen de hort op gaan,
willen ze eerst naar de buren van A., geen klasgenootje. Daar krijgen ze party
poppers, zegt. D. Die wonen echter aan de overkant van de Hoofdweg. Dus breng
ik ze daar heen, omdat mijn zoon van ons nog niet zelf de grote weg over mag.
Ik zeg de jongens dat ze in de auto moeten gaan zitten en
dan halen we N. op. Daar aangekomen blijkt er nog iemand mee te gaan. Een
meisje, I. Ondanks dat ik best een grote wagen heb gaat vijf kinderen niet
lukken. De moeder van N., L., zegt dat ze ook wel even mee gaat met de auto. Wij
rijden de zeshonderd meter naar de Hoofdweg, parkeren bij de bibliotheek en
zetten ze de weg over.
Ik wacht bij mijn auto, L. aan de overkant. Het vijftal doet
niet alleen de buren van A. aan, maar pakt de rest van de straat eveneens mee. Dus
staan moeder L. en ik elkaar een minuut of wat aan te kijken, elk aan een kant
van de weg. Na gedane zaken, geen party poppers, wel iets anders leuks, helpen
we ze weer de straat over. ,,Volgend jaar krijg je daar popcorn’’, zegt D. ,,Elk
een stukje?’’, vraag ik. ,,Nee, elk een zak.’’
We verdelen de vijf weer over de twee auto’s, rijden de
zeshonderd meter terug naar het huis van N. en moeder L. en na een minuut of
vijf instructies over uitkijken met oversteken en bij elkaar blijven en geen
gekke dingen doen, mogen ze alleen de buurt in.
Omdat mijn vrouw en andere zoon op visite gaan bij jarige
schoonzus heb ik het rijk even alleen. Ik rij naar de supermarkt, voor koffiefilters,
bouillonblokjes en Maggi en zie bij de ingang een lange tafel met groene
zakjes. ,,Allemaal voor Sint Maarten’’, vraag ik. ,,Ja’’, zegt het kassameisje,
,,we zijn op alles voorbereid.’’
Ik rij door naar de Chinees. Die is dicht. Ik rij terug naar
het centrum, nou ja, centrum…, naar de snackbar, bestel een
houthakkersschnitzelmenu, praat even kort met een dorpsgenoot over het boek van
schrijver A., dat zich tientallen jaren geleden afspeelde in een streekje nabij
ons dorp, neem de tas met het eten in ontvangst en rij weer naar huis. Ik zet
me aan de keukentafel, werk het naar binnen, onderwijl ik een novelle van een
andere regionale schrijver, N., herlees en maak het me daarna comfortabel op de
bank.
Ik sms D., omdat ik net op de radio het bericht hoor dat de
lampionstokjes van A. te warm kunnen worden zodat de handvaten kunnen smelten. Lekker
is dat, zo’n bericht, net op het moment dat miljoen kinderen op stap gaan.
Als ik op de bank zit, merk ik ineens dat het stil is. Dat
komt niet alleen omdat ik alleen ben, of omdat er geen tv aan staat en geen
playstation, iPad, of laptop, het komt vooral omdat er geen kat meer is die
vlakbij mij gaat liggen. Op de bank, op de ruglening, in de stoel vlakbij, of op
de televisietafel. Het is de derde dag dat hij dood is. En door zijn dood is er
iets veranderd in dit huis. Ik weet niet of ik daar aan ga wennen.
De bel gaat. Twee kindertjes die ik niet ken zingen een versje
dat ik nog nooit gehoord heb. Ze mogen van mij ieder twee dingen uit de schaal
met snoep pakken. Ik bedank ze voor het lied en sluit de deur. De bel gaat even
later weer. Mijn zoon met D. en T. Alweer zonder N. en I. dus. Waar die gebleven
zijn wordt niet helemaal duidelijk. Maar de drie zijn nog niet klaar, zegt mijn
zoon, en of ik ze even naar het huis van T. wil brengen. Dat is een
oud-klasgenoot van mijn oudste zoon H. ,,Dat is aan de andere kant van het dorp’’,
zeg ik, ,,waarom willen jullie daarheen?’’
,,Daar krijgen we broodjes knakworst.’’
dinsdag 10 november 2015
Dag Raï,
Een rare gewaarwording vanochtend: de eerste keer in 16,5
jaar, uitgezonderd vakanties, dat jou binnenlaten en eten geven niet het eerste
was wat ik deed nadat ik wakker werd. Je bent dood. We hebben je gisteren laten
inslapen. Om je een lijdensweg te besparen. De dierenarts zei zaterdag dat je
hart op de hobbel was. Vermoedelijk na een infarct. Sloeg 200 per minuut en de slagen werden niet afgemaakt
zodat de circulatie in je lichaam slecht was. Vandaar de opgezette pootjes en
je zware ademhaling. De pilletjes hielpen zondag niet.
Je hebt het misschien niet meegekregen, maar toen Hunter jou
maandagochtend een plakje worst wilde geven, toen je weggekropen was in de
garage, schrok hij ontzettend. Het vocht zat onder je kin waardoor je op een
voorwereldlijk monster leek. Ik weet, ze kijken te veel griezelfilms, maar
wij begrepen waarom hij schrok.
De dierenarts had het al gezegd: ik hoop dat de pillen
aanslaan, anders wordt het een moeilijk verhaal. Dat laatste is het geworden en
het is nog steeds een moeilijk verhaal.
Ik zou aan het werk, maar in plaats daarvan reden jij en ik
naar Schildwolde voor wat jouw laatste uur op deze aarde zou worden.
Je hebt het niet meegekregen, maar toen ik op school aan de
juffen vertelde dat Reyer mogelijk verdrietig zou zijn omdat het niet goed met
je ging, zat ik zelf in de klas te grienen. Ze schrokken zich wild, omdat ik
niet uit mijn woorden kwam. Dachten waarschijnlijk eerst dat Joke en ik gingen
scheiden of zo, of dat een van ons een erge ziekte had.
Maar het ging om jou.
We hebben ons gisteren de hele dag afgevraagd of het de
juiste beslissing was, maar we refereerden aan de woorden van de dierenarts:
omdat je niet meer at, het hart op hol bleef en je vocht bleef vasthouden, was
je vroeg of laat gestikt of verhongerd. Dat wilden we niet.
Je kreeg een spuitje voor het slapen, je hebt nog even bij
me op schoot gezeten en nadat je sliep heeft ze een vloeistof in je hart
gespoten, waardoor dat stopte.
Dat de arts na een paar minuten zei: ,,Hij is al vertrokken’’,
ging door merg en been en ook daar moest ik weer om je huilen.
Ze legde je mooi in je reismand, alsof je sliep en ik heb je
weer meegenomen naar ons huis, daar waar je de afgelopen 16,5 jaar was, daar
waar je hoort. We hebben je nog even op de salontafel laten staan en nadat we
waren uitgehuild heb ik een diepe kuil gegraven, jou erin gelegd zodat het leek
alsof je sliep en de kuil weer dichtgegooid. De aanblik van jou in de grond en
de eerste schep zand erop zal ik niet snel vergeten.
Je ligt op een mooi plekje, vinden wij.
Misschien doet het je goed om te weten dat we gisteren een
rotdag hadden. Ik zou aan het werk, maar heb gebeld dat ik thuis ging werken. Daar
kwam ik tot niks. Nooit geweten dat het zo’n impact zou hebben. Zoals een
collega zei: je staat versteld van jezelf.
Ik reed gistermiddag naar Groningen om Hunter op te halen
omdat hij zei dat hij naar huis wilde. Dat wilde hij uiteindelijk toch niet en
ik reed alleen terug over het Slochterdiep. De donkere wolken boven het land
werden ineens mijn gedachten en toen de regen langzaam begon te vielen, kwamen
de tranen weer. Wij hebben nogal om je gehuild en doen dat nog, zij het zonder
tranen.
Je wilt niet weten hoe leeg het is in huis. Ik praat nog
hardop tegen je, al ben je er niet meer. Je was geen aanhankelijke poes, je
hebt in al die 16,5 jaar nooit bij iemand op schoot gelegen, maar waar wij
waren daar was jij. Als ik zat te schrijven, lag je tegen mijn rechterhand, de
laatste weken kroop je bijna in de laptop. Nu weet ik waarom. Je moet het
hebben gevoeld.
Ook nu, tijdens het schrijven, kijk ik om me heen of ik je
zie en ik verwacht half en half het geluid van het kattenluikje weer te horen. Maar
dat gaat niet gebeuren.
Je bent weg, al prent ik mezelf in dat je gewoon in een
hoekje van onze tuin, onder de grond ligt te slapen. Lieve Raï, waar je ook
bent, je was een lieve kat en ik wil je even laten weten dat ik het fijn vond dat
je bij ons was.
vrijdag 6 november 2015
De oudste heeft zijn eerste schoolfeest. Op de middelbare
dan. In stad ook nog. Ik breng hem. Ik haal hem weer op. Hij heeft geen zin. Zoals-ie geen zin had aan schoolkamp en andere
publieke activiteiten. Daar herken ik iets in. Ik had ook nooit ergens zin aan.
Mijn zusje ook niet. We deden nergens aan mee. Dansavonden, toneelstukken, het
was aan ons niet besteed. Wat we wel deden? Geen idee. Op de bank liggen, denk
ik. Televisie kijken. Lezen. Bekvechten. Slapen.
Ik zeg hem ervan te genieten: ,,Het is de eerste keer, je
weet niet wat te verwachten, daarom denk je dat het niks wordt. Maar die is er
en die en die en die. Komt goed man. In het begin zal iedereen afwachtend zijn,
daarna gaat het los. Maak feest, je bent maar een keer jong.’’
Ik wil best weer jong zijn. Dat gaat niet. Je krijgt geen
tweede kans.
donderdag 5 november 2015
Ik jaag over het Slochterdiep, het is half elf, ik wil naar
huis, naar eindelijk op de bank na weer een avond weg en ik zet het gas erop,
wetend dat ik na de N46, Ringweg-Oost, Damsterdiep en Borgweg alleen nog het
Slochterdiep over moet en het is een mooie weg nu, met nieuwe asfalt, nog wel
wat bobbelig, maar mooi breed en ik doe het groot licht aan omdat ik dan harder
kan rijden en dat doe ik, al is het uitkijken, want het is hartstikke donker,
echt goede straatverlichting is er nog niet en ik weet ook niet hoe dat komt en
zelfs bij de nieuwe chicanes hou ik niet in, want ik ben er wel een beetje
klaar mee deze week, elke avond op pad en morgen wacht weer een nieuwe werkdag
en ik zie de brug bij Lageland al en ik schrik want ik verbeeld me dat ik
kikkertjes op de weg zie springen of nee, het zijn blaadjes die over het asfalt
waaien, maar nee, echt, het zijn toch kikkertjes en echt, ik moet uitkijken,
want ik wil ze niet doodrijden dat zou zielig zijn en oeps dat was er een, of
toch niet, want ik voel geen bonkje, wat wel zou moeten als ik er een overrijd,
want het zijn kleine kikkers en een keer weet ik zeker dat ik met mijn
linkervoorwiel er een bijna raak dus die zal wel wat jeuk op zijn neusje hebben
en zie je, het zijn echt kikkers en nu zit er een midden onder mijn auto als ik
er met tachtig kilometer per uur overheen ga en ik zou langzamer kunnen rijden maar
dat doe ik niet want ik heb ook pijn in mijn linkerschouder en ik weet zeker
dat het met vermoeidheid te maken heeft en even voor een pittige S-bocht moet
het groot licht uit vanwege een tegenligger, waarbij ik wel wat gas terugneem
omdat ik de breedte van het asfalt minder goed kan inschatten, maar als de
tegenligger voorbij is heb ik met een klik van de richtingaanwijzer weer
volledig zicht en ik weet dat ik moet oppassen omdat de weg hartstikke modderig
is, nog van de wegwerkzaamheden en ook van de boeren die op het land bezig
zijn, hé, zie je wel, links zie ik lichten op het land en er komt nu een mooi
recht stuk tot Denemarken, maar ook daar is het weer oppassen geblazen, vanwege
nieuwe kikkers en ik denk, kikkertjes, kikkertjes, jullie moeten allang slapen
en ik verbeeld me dat ik nu en dan een hoopje witte brokjes op het wegdek zie
liggen en ik denk: zijn dat doodgereden kikkers en ik wil snel thuis zijn, maar
ik minder toch vaart, want van de gedachte dat ik een moordenaar op vier wielen
ben word ik ook niet vrolijk en ik neem nog meer gas terug zodat als ik weer zo’n
vrolijk springende vriend zie ik meer kans heb om hem te ontwijken en hé, was
dat een fietser op het fietspad naast de weg, zo laat nog bij pad en ik zie in
het schijnsel van mijn koplampen een vogel wegvliegen, moet een reiger zijn en
wat gebeurt er toch nog veel zo laat op de avond en ik leg het laatste stukje
af tot de witte brug die de entree van mijn dorp markeert en ik minder vaart,
ik laat me als het ware uitvieren tot ik nog geen twintig per uur rijd en ik
doe het knipperlicht uit en ik rij onze oprit op en ik ben blij want ik heb
geen enkele bonkje gevoeld.
Abonneren op:
Posts (Atom)