vrijdag 9 oktober 2015

Met een plenaire vergadering besloten we vandaag de werkweek. Zo’n bijeenkomst is een zeldzaamheid, maar we spraken af het vaker te doen. Het was sowieso mijn eerste, omdat ik net twee maanden deel uitmaak van de redactie Groningen.

De vrijdagmiddag is een wat merkwaardig moment voor zoiets, omdat je twee kranten moet maken. Die van zaterdag en voor een groot deel die van maandag.

Dat leidde om half vier tot verbaasde blikken bij de nieuwsdienst: ,,Waar gaat iedereen heen?’’

,,Villa Sassenhein.’’

,,Waarvoor?’’

,,Plenaire.’’

,,Plenaire? In Sassenhein? Toe maar weer.’’

Een uitspanning als Sassenhein, vooral op vrijdagmiddag met een oranje zon boven de bijbehorende vijver, roept meteen op tot allerlei wilde plannen.

,,Ik wil hier wel wonen’’, zei een collega-journalist.

,,We kunnen hier een survival doen’’, zei ik, ,,voor het groepsgevoel. Of met zijn allen vissen.’’

,,Een barbecue’’, meende een ander.

Dat kwam er vandaag nog niet van. Wel koffie met gebakjes, een borreltje met Japanse nootjes, zoute haring op roggebrood en de bitterballen, waar we ons de hele week op hadden verheugd. Ik kende de verhalen van redactiebijeenkomsten die volledig uit de hand liepen, zoals in good old De Sleutel in de stad, maar de laatste vier mensen, waaronder ik, liepen om tien over zeven de deur uit.

Zoals wel vaker op dat soort bijeenkomsten dacht ik: als er nu iemand een bom op Sassenhein gooit, komt er de volgende dag geen krant uit.

Dat is natuurlijk niet zo. Die krant komt er wel, alleen zonder ons.

woensdag 7 oktober 2015

Op de jaarmarkt zag ik een schim. Een gezicht uit het verleden. Hij keek mij aan, ik keek hem even aan. Ik dacht: hé, is dat niet…? Ik weet het bijna wel zeker. Karakteristiek hoofd, zwarte ogen, zwart haar. Niks veranderd. Alleen wat ouder, de rug wat krommer. Hoe lang zal het geleden zijn dat ik hem voor het laatst zag. Twintig, dertig jaar, zoiets.

Hij stond bij de viskar. Ik zat aan de zijkant met mijn jongste zoon. Die wilde kibbelingen, ik een haring met uitjes. Bij het pakken van een servetje zag ik zijn gezicht. De blik was indringend, maar die blik kende ik. Ik had op hem toe kunnen stappen. Maar ik deed het niet. Waarom weet ik niet. Ja, dat het niet mijn ding is: zomaar op mensen af gaan. Een groet was het minste geweest. Hé hoe ist? Goed en met jou? Meer zou het niet geweest zijn. Maar ik deed het niet. Daarvan heb ik nu een beetje spijt. Aan de andere kant: hij stapte ook niet op mij af.

dinsdag 6 oktober 2015

Het was een uur of acht op de eerste dinsdag in oktober van het jaar 2014 toen ik een telefoontje kreeg van mijn oudste zoon. Ik was op weg naar de raadsvergadering in Tynaarlo: ,,Waar is mama?’’

Ik zei dat ik dat niet wist.

,,Ze zou hier al zijn. Nu missen we het vuurwerk!!! Godverdomme!!!’’

,,Kom, niet vloeken’’, zei ik, ,,klinkt niet leuk.’’

,,Moet jij zeggen!!!’’

Op de achtergrond hoorde ik mijn jongste zoon huilen. Met lange uithalen. Van medelijden of zelfmedelijden ging de oudste meehuilen en om eerlijk te zijn stond mij het huilen ook nader dan het lachen. Omdat we die avond als ouders faalden.

Opvoeden is een kwestie van plannen en dat was de soep in gegaan. Ik moest om acht uur op het gemeentehuis in Vries zijn en mijn vrouw had toegezegd bijtijds terug te zijn van haar werk, zodat zij met de heren mee kon. Ik was op tijd weg voor de raad, dat ging goed, maar het op tijd zijn van mijn vrouw niet.

Op zulke momenten wil ik eigenlijk alles terzijde gooien, werk, hobby’s, om het even wat, omdat ik vind dat je er op zulke momenten moet zijn. De Nacht van Slochteren is zo’n moment.

Het begint met een lampionnentocht voor alle kindertjes, vanaf woonzorgcentrum ’t Olderloug slingerend door het dorp tot de ijsbaan, alwaar om even over acht het vuurwerk de feestavond in De Boerderij inluidt en de dag erop is het de jaarmarkt.

Het verliep dit jaar zonder huilende kinderen. Al was het een gedenkwaardige avond, want voor het eerst in dik tien jaar (zelfs vorig jaar, kon nog net voordat ik weg moest) liepen wij niet met een of twee zoons mee in die lampionnentocht.

Te oud, te groot.

Wat jammer is. Niet alleen omdat het een mooi gezicht is, al die kinderen met lampions door de wijken en straten, maar om het idee alleen al. De dorpsvereniging die het allemaal organiseert. Vrijwilligers die er uren in steken om de jeugd een mooie avond te bezorgen. Een tractor voorop en verkeersregelaars die zorgen dat het verkeer geen slachting onder de jongste jeugd aanricht. Zelfs de politie is van de partij. Ik kan ontroerd raken door de moeite die mensen doen om het leuk te maken in het dorp. Daar vind je nooit iets over terug in geschiedenisboeken. Daarin staan de grote verhalen, maar zoals ik het zie gaat het juist om dit soort evenementen. Dat – en niet het gedoe over de herindeling of het opstappen van een wethouder - zal ik me later herinneren als ik zelf in ’t Olderloug zit en de kinderen van mijn kinderen met lampionnen voorbij komen.

maandag 5 oktober 2015

Er valt een blaadje op de weg voor mij, als ik tegen half zes in de middag over het viaduct bij Kolham rij. Op de N387 mag je 100. Het is een kort moment dat ik het op de rijbaan zie liggen. Een seconde hooguit, nog niet eens, dan ben ik er voorbij.

Een enkel blaadje van een boom, precies midden op het asfalt, precies voor mij, precies op het hoogste punt van het viaduct.

Da’s jammer, denk ik, want dat blaadje heeft op het asfalt geen functie meer. Of de wind moet het meenemen en alsnog in de berm blazen zodat het daar vergaat en voedsel voor het gras, de struiken of andere bomen wordt, maar als het op de weg blijft liggen, dan is de zin van dat blaadje weg.

Als er geen asfalt had gelegen was alles gegaan zoals het had moeten gaan. Maar die N387 is daar.

Ik reed vrijdagmiddag ook over die weg en ook toen, op precies dezelfde plek, viel er een blaadje op de rijbaan.

vrijdag 2 oktober 2015

Ik kijk het Journaal. Gaat over roken. Dat moet verder worden ingeperkt. In Engeland is het in de auto verboden, als er kinderen meerijden. In Frankrijk krijg je een boete als je een peuk op straat gooit. Wij waren in 2001 in Singapore. Daar gold dat toen al. 250 dollar stond er voor. Dat vonden wij toen een enge samenleving.

donderdag 1 oktober 2015

Collega R. zegt dat ik mijn haar moet wassen. Dat ik een colbert aan moet, dat ik er rekening mee moet houden dat ik acht kilo dikker lijk, dat ik niet aan mijn borsthaar mag krabben, niet mag drinken onder het praten, dat ik vragen moet negeren en gewoon mijn eigen verhaal vertellen, liefst twee anekdotes en dat ik iemand mee moet nemen omdat er na afloop niemand is die naar je omkijkt.

Ik zit naar haar te kijken zoals een kip naar het onweer.

Mijn vrouw had me eerder verteld dat ik mijn bril moest afdoen.

Collega K. zei me niet te bescheiden zijn (daar zijn we weer). Hij zei: jij schrijft gemakkelijk, maar denkt te moeilijk. Zoiets.

In de roos.

Alle adviezen betroffen de uitnodiging van Pauw, om daar vanavond in de uitzending te vertellen over hoe dat voelt: een aardbeving. Die maakten wij gisteravond om even over acht mee. Over hoe dat voelde, daarover had ik in de krant van vandaag een verhaal geschreven. Om kort te zijn: dat voelde niet fijn.
 
Angstig. Instinctief voel je gevaar, je beseft: hier zijn krachten aan het werk die we niet beheersen. Onmacht, onwetendheid, onbegrip dat we het laten gebeuren.

De goede bedoelingen ten spijt; om vier uur hoorde ik dat ik toch niet naar Amsterdam hoefde. De reden was dat onze burgemeester niet kon. Daarom was het item geschrapt. De redactrice ging er vanuit dat ik dat logisch vond. Nee, maar ik ging natuurlijk niet zeggen: ik kom toch. Helemaal rouwig was ik er niet om. Je bent de hele avond kwijt en bent, als je geluk hebt, om half drie ’s nachts weer thuis. Daarbij zou ik de commissie ABZ in Bedum missen en dat zat me ook niet lekker.

De redactrice vroeg of ze een volgende keer weer mocht bellen. Ze hoopte dat het niet zou hoeven, maar die hoop heb ik niet; zo lang ik leef zullen er in Groningen aardbevingen zijn.

De aardbeving van gisteravond, 3.1 op de schaal van Richter, epicentrum Hellum, hakte er blijkbaar zo in bij mij dat ik er vannacht over droomde. Een nachtmerrie. Ik werd om kwart over vier 's nachts wakker, helemaal in de war. Wat ik wel dacht was: ik moet die droom, die nachtmerrie opschrijven.

Aardbevingsdroom

Siddering, beweging ineens, chaos, de kamer is overhoop, er is iets gebeurd, wat is er gebeurd, een beving, in ons huis, ja in ons huis, kijk ons huis, de muren bewegen, kijk de vloer dan, de vloer is kapot, tegels schuiven over elkaar heen, het voelt zo, het voelt raar, zie de vloer ook bewegen, komt dreigend omhoog, alles vloeit en kronkelt en ik weet wegwezen en ik kijk om me heen en zoek, wat zoek ik, ik kijk om me heen, ren door muren, door kamers, ja, dit moeten, hé dit zijn de kinderkamers, waar zijn mijn zoons, ik zie ze niet, ik wil weten waar mijn vrouw is, buiten moet ik zijn, daar is het veilig, daar loop ik heen, al ga ik door een andere voordeur dan de mijne, ik zie niet goed meer, alles is vaag en ik sta plotseling op een berg, ergens buiten, zou Indonesië kunnen zijn en de tegels van de kamer zijn aardplaten geworden, platen in kleurboekkleuren, die schuiven over elkaar heen, met donderend natuurgeweld, dit is echt, dit is niet best en we moeten vluchten, ik wankel, zoek evenwicht, maar de aarde wankelt en ineens zijn daar mijn kinderen, mijn vrouw, we houden handen vast, ik wil dat we handen vasthouden, in een kring zoals bij zakdoekje leggen en we moeten elkaar niet meer loslaten, wat er ook gebeurt, bij elkaar blijven, ja zegt mijn vrouw we blijven bij elkaar, maar waar gaan we heen, daarheen, waarheen, niemand zegt iets en we lopen een richting uit die ik niet ken en ik zie een vliegtuig op een plek die lijkt op de camping in Luxemburg waar we meestal overnachten op weg naar Frankrijk en ik besef, dat zie ik niet, dat er bekenden mee zijn, mensen uit het dorp, buren, vrienden, wie zal het zeggen, ik voel ze alleen en dat we met zijn allen moeten vluchten, het is de enige optie en ik voel in mijn zakken en jas die ik niet aan heb en nee, we hebben geen paspoort meer, nee, niemand heeft een paspoort, geld, spullen, alles is kwijt, alles wat in ons huis was is verloren, maar daar is begrip voor begrijp ik, hoor ik en veel tijd om er over na te denken is er ook niet, belangrijkste is weg te komen, weg van hier, weg van deze plek, we zullen nooit meer terugkeren, nooit meer omkijken en er staan twee, drie roltrappen richting vliegtuig, dat zowaar stewardessen heeft, een ervan heet ons welkom en probeert ons gerust te stellen, er hangen vlaggetjes om het vliegtuig heen, alsof het feest is, ik voel in mijn kontzak en het vliegtuig staat onder een luifel en ook tegen een aarden wal met gras begroeid, zonder de trap te gebruiken zijn we in het vliegtuig, vol, helemaal vol, er is geen plek, nergens en we willen bij elkaar zitten en als ik om me heen kijk zijn mijn vrouw en kinderen weer weg en hoe ik ook om me heen kijk ik zie ze niet en ik weet dat verder zoeken geen zin heeft, dat ik ze nooit meer zal zien, dat ze weg zijn, maar ik weet ook dat mijn vrouw voor ze zal zorgen en dat stelt een beetje gerust en ik ben alleen, ik zit alleen in een ander vliegtuig, dat geen beplating meer heeft, alleen het ijzeren geraamte en we taxiën over een snelweg, proberen vaart te maken om weg te komen en ik zie, ik zie lantaarnpalen langs de weg en ik denk wat gek, want de vleugels van het vliegtuig zouden die palen moeten raken en daardoor kapotgaan, maar dat is niet zo en als ik voor me kijk zie ik dat we over auto’s heenrijden, over mensen die over de weg liggen, maar terwijl we over die mensen heen rijden, ik kan niet zien of ze al dood zijn, voel ik geen gebonk zoals dat zou moeten en we rijden door, we taxiën door en rijden over nog meer auto’s en mensen en we rijden en rijden en ik voel dat ik bijna in veiligheid ben, maar het vliegtuig stijgt niet op, we rijden alleen maar door, steeds harder.