maandag 12 oktober 2015
vrijdag 9 oktober 2015
Met een plenaire vergadering besloten we vandaag de werkweek.
Zo’n bijeenkomst is een zeldzaamheid, maar we spraken af het vaker te doen. Het
was sowieso mijn eerste, omdat ik net twee maanden deel uitmaak van de redactie
Groningen.
De vrijdagmiddag is een wat merkwaardig moment voor zoiets,
omdat je twee kranten moet maken. Die van zaterdag en voor een groot deel die
van maandag.
Dat leidde om half vier tot verbaasde blikken bij de
nieuwsdienst: ,,Waar gaat iedereen heen?’’
,,Villa Sassenhein.’’
,,Waarvoor?’’
,,Plenaire.’’
,,Plenaire? In Sassenhein? Toe maar weer.’’
Een uitspanning als Sassenhein, vooral op vrijdagmiddag met
een oranje zon boven de bijbehorende vijver, roept meteen op tot allerlei wilde
plannen.
,,Ik wil hier wel wonen’’, zei een collega-journalist.
,,We kunnen hier een survival doen’’, zei ik, ,,voor het
groepsgevoel. Of met zijn allen vissen.’’
,,Een barbecue’’, meende een ander.
Dat kwam er vandaag nog niet van. Wel koffie met gebakjes,
een borreltje met Japanse nootjes, zoute haring op roggebrood en de bitterballen,
waar we ons de hele week op hadden verheugd. Ik kende de verhalen van
redactiebijeenkomsten die volledig uit de hand liepen, zoals in good old De
Sleutel in de stad, maar de laatste vier mensen, waaronder ik, liepen om tien
over zeven de deur uit.
Zoals wel vaker op dat soort bijeenkomsten dacht ik: als er
nu iemand een bom op Sassenhein gooit, komt er de volgende dag geen krant uit.
Dat is natuurlijk niet zo. Die krant komt er wel, alleen
zonder ons.
woensdag 7 oktober 2015
Op de jaarmarkt zag ik een schim. Een gezicht uit het
verleden. Hij keek mij aan, ik keek hem even aan. Ik dacht: hé, is dat niet…?
Ik weet het bijna wel zeker. Karakteristiek hoofd, zwarte ogen, zwart haar. Niks
veranderd. Alleen wat ouder, de rug wat krommer. Hoe lang zal het geleden zijn
dat ik hem voor het laatst zag. Twintig, dertig jaar, zoiets.
Hij stond bij de viskar. Ik zat aan de zijkant met mijn
jongste zoon. Die wilde kibbelingen, ik een haring met uitjes. Bij het pakken
van een servetje zag ik zijn gezicht. De blik was indringend, maar die blik
kende ik. Ik had op hem toe kunnen stappen. Maar ik deed het niet. Waarom weet
ik niet. Ja, dat het niet mijn ding is: zomaar op mensen af gaan. Een groet was
het minste geweest. Hé hoe ist? Goed en met jou? Meer zou het niet geweest
zijn. Maar ik deed het niet. Daarvan heb ik nu een beetje spijt. Aan de andere
kant: hij stapte ook niet op mij af.
dinsdag 6 oktober 2015
Het was een uur of acht op de eerste dinsdag in oktober van
het jaar 2014 toen ik een telefoontje kreeg van mijn oudste zoon. Ik was op weg
naar de raadsvergadering in Tynaarlo: ,,Waar is mama?’’
Ik zei dat ik dat niet wist.
,,Ze zou hier al zijn. Nu missen we het vuurwerk!!!
Godverdomme!!!’’
,,Kom, niet vloeken’’, zei ik, ,,klinkt niet leuk.’’
,,Moet jij zeggen!!!’’
Op de achtergrond hoorde ik mijn jongste zoon huilen. Met
lange uithalen. Van medelijden of zelfmedelijden ging de oudste meehuilen en om
eerlijk te zijn stond mij het huilen ook nader dan het lachen. Omdat we die
avond als ouders faalden.
Opvoeden is een kwestie van plannen en dat was de soep in
gegaan. Ik moest om acht uur op het gemeentehuis in Vries zijn en mijn vrouw
had toegezegd bijtijds terug te zijn van haar werk, zodat zij met de heren mee
kon. Ik was op tijd weg voor de raad, dat ging goed, maar het op tijd zijn van
mijn vrouw niet.
Op zulke momenten wil ik eigenlijk alles terzijde gooien,
werk, hobby’s, om het even wat, omdat ik vind dat je er op zulke momenten moet
zijn. De Nacht van Slochteren is zo’n moment.
Het begint met een lampionnentocht voor alle kindertjes,
vanaf woonzorgcentrum ’t Olderloug slingerend door het dorp tot de ijsbaan,
alwaar om even over acht het vuurwerk de feestavond in De Boerderij inluidt en
de dag erop is het de jaarmarkt.
Het verliep dit jaar zonder huilende kinderen. Al was het
een gedenkwaardige avond, want voor het eerst in dik tien jaar (zelfs vorig
jaar, kon nog net voordat ik weg moest) liepen wij niet met een of twee zoons
mee in die lampionnentocht.
Te oud, te groot.
Wat jammer is. Niet alleen omdat het een mooi gezicht is, al
die kinderen met lampions door de wijken en straten, maar om het idee alleen
al. De dorpsvereniging die het allemaal organiseert. Vrijwilligers die er uren
in steken om de jeugd een mooie avond te bezorgen. Een tractor voorop en verkeersregelaars
die zorgen dat het verkeer geen slachting onder de jongste jeugd aanricht. Zelfs
de politie is van de partij. Ik kan ontroerd raken door de moeite die mensen
doen om het leuk te maken in het dorp. Daar vind je nooit iets over terug in
geschiedenisboeken. Daarin staan de grote verhalen, maar zoals ik het zie gaat
het juist om dit soort evenementen. Dat – en niet het gedoe over de herindeling
of het opstappen van een wethouder - zal ik me later herinneren als ik zelf in
’t Olderloug zit en de kinderen van mijn kinderen met lampionnen voorbij komen.
maandag 5 oktober 2015
Er valt een blaadje op de weg voor mij, als ik tegen half zes in de middag over het
viaduct bij Kolham rij. Op de N387 mag je 100. Het is een kort moment dat ik
het op de rijbaan zie liggen. Een seconde hooguit, nog niet eens, dan ben ik er
voorbij.
Een enkel blaadje van een boom, precies midden op het
asfalt, precies voor mij, precies op het hoogste punt van het viaduct.
Da’s jammer, denk ik, want dat blaadje heeft op het asfalt
geen functie meer. Of de wind moet het meenemen en alsnog in de berm blazen
zodat het daar vergaat en voedsel voor het gras, de struiken of andere bomen
wordt, maar als het op de weg blijft liggen, dan is de zin van dat blaadje weg.
Als er geen asfalt had gelegen was alles gegaan zoals het
had moeten gaan. Maar die N387 is daar.
Ik reed vrijdagmiddag ook over die weg en ook toen, op
precies dezelfde plek, viel er een blaadje op de rijbaan.
vrijdag 2 oktober 2015
Ik kijk het Journaal. Gaat over roken. Dat moet verder
worden ingeperkt. In Engeland is het in de auto verboden, als er kinderen
meerijden. In Frankrijk krijg je een boete als je een peuk op straat gooit. Wij
waren in 2001 in
Singapore. Daar gold dat toen al. 250 dollar stond er voor. Dat vonden wij toen
een enge samenleving.
donderdag 1 oktober 2015
Collega R. zegt dat ik mijn haar moet wassen. Dat ik een
colbert aan moet, dat ik er rekening mee moet houden dat ik acht kilo dikker
lijk, dat ik niet aan mijn borsthaar mag krabben, niet mag drinken onder het
praten, dat ik vragen moet negeren en gewoon mijn eigen verhaal vertellen,
liefst twee anekdotes en dat ik iemand mee moet nemen omdat er na afloop
niemand is die naar je omkijkt.
Ik zit naar haar te kijken zoals een kip naar het onweer.
Mijn vrouw had me eerder verteld dat ik mijn bril moest
afdoen.
Collega K. zei me niet te bescheiden zijn (daar zijn we
weer). Hij zei: jij schrijft gemakkelijk, maar denkt te moeilijk. Zoiets.
In de roos.
Alle adviezen betroffen de uitnodiging van Pauw, om daar vanavond
in de uitzending te vertellen over hoe dat voelt: een aardbeving. Die maakten
wij gisteravond om even over acht mee. Over hoe dat voelde, daarover had ik in de
krant van vandaag een verhaal geschreven. Om kort te zijn: dat voelde niet
fijn.
Angstig. Instinctief voel je gevaar, je beseft: hier zijn krachten aan het werk die we niet beheersen. Onmacht, onwetendheid, onbegrip dat we het laten gebeuren.
De goede bedoelingen ten spijt; om vier uur hoorde ik dat ik
toch niet naar Amsterdam hoefde. De reden was dat onze burgemeester niet kon. Daarom
was het item geschrapt. De redactrice ging er vanuit dat ik dat logisch vond. Nee,
maar ik ging natuurlijk niet zeggen: ik kom toch. Helemaal rouwig was ik er
niet om. Je bent de hele avond kwijt en bent, als je geluk hebt, om half drie ’s
nachts weer thuis. Daarbij zou ik de commissie ABZ in Bedum missen en dat zat
me ook niet lekker.
De redactrice vroeg of ze een volgende keer weer mocht
bellen. Ze hoopte dat het niet zou hoeven, maar die hoop heb ik niet; zo lang ik leef zullen er in Groningen aardbevingen zijn.
De aardbeving van gisteravond, 3.1 op de schaal van Richter,
epicentrum Hellum, hakte er blijkbaar zo in bij mij dat ik er vannacht over
droomde. Een nachtmerrie. Ik werd om kwart over vier 's nachts wakker, helemaal in de war. Wat ik wel dacht was: ik moet die droom, die nachtmerrie opschrijven.
Aardbevingsdroom
Siddering, beweging ineens, chaos, de kamer is overhoop, er is iets gebeurd, wat is er
gebeurd, een beving, in ons huis, ja in ons huis, kijk ons huis, de muren
bewegen, kijk de vloer dan, de vloer is kapot, tegels schuiven over elkaar
heen, het voelt zo, het voelt raar, zie de vloer ook bewegen, komt dreigend
omhoog, alles vloeit en kronkelt en ik weet wegwezen en ik kijk om me heen en zoek,
wat zoek ik, ik kijk om me heen, ren door muren, door kamers, ja, dit moeten, hé
dit zijn de kinderkamers, waar zijn mijn zoons, ik zie ze niet, ik wil weten
waar mijn vrouw is, buiten moet ik zijn, daar is het veilig, daar loop ik heen,
al ga ik door een andere voordeur dan de mijne, ik zie niet goed meer, alles is
vaag en ik sta plotseling op een berg, ergens buiten, zou Indonesië kunnen zijn
en de tegels van de kamer zijn aardplaten geworden, platen in kleurboekkleuren,
die schuiven over elkaar heen, met donderend natuurgeweld, dit is echt, dit is
niet best en we moeten vluchten, ik wankel, zoek evenwicht, maar de aarde
wankelt en ineens zijn daar mijn kinderen, mijn vrouw, we houden handen vast,
ik wil dat we handen vasthouden, in een kring zoals bij zakdoekje leggen en we
moeten elkaar niet meer loslaten, wat er ook gebeurt, bij elkaar blijven, ja zegt
mijn vrouw we blijven bij elkaar, maar waar gaan we heen, daarheen, waarheen,
niemand zegt iets en we lopen een richting uit die ik niet ken en ik zie een
vliegtuig op een plek die lijkt op de camping in Luxemburg waar we meestal overnachten
op weg naar Frankrijk en ik besef, dat zie ik niet, dat er bekenden mee zijn,
mensen uit het dorp, buren, vrienden, wie zal het zeggen, ik voel ze alleen en dat
we met zijn allen moeten vluchten, het is de enige optie en ik voel in mijn
zakken en jas die ik niet aan heb en nee, we hebben geen paspoort meer, nee,
niemand heeft een paspoort, geld, spullen, alles is kwijt, alles wat in ons
huis was is verloren, maar daar is begrip voor begrijp ik, hoor ik en veel tijd
om er over na te denken is er ook niet, belangrijkste is weg te komen, weg van
hier, weg van deze plek, we zullen nooit meer terugkeren, nooit meer omkijken
en er staan twee, drie roltrappen richting vliegtuig, dat zowaar stewardessen
heeft, een ervan heet ons welkom en probeert ons gerust te stellen, er hangen
vlaggetjes om het vliegtuig heen, alsof het feest is, ik voel in mijn kontzak
en het vliegtuig staat onder een luifel en ook tegen een aarden wal met gras
begroeid, zonder de trap te gebruiken zijn we in het vliegtuig, vol, helemaal
vol, er is geen plek, nergens en we willen bij elkaar zitten en als ik om me
heen kijk zijn mijn vrouw en kinderen weer weg en hoe ik ook om me heen kijk ik
zie ze niet en ik weet dat verder zoeken geen zin heeft, dat ik ze nooit meer
zal zien, dat ze weg zijn, maar ik weet ook dat mijn vrouw voor ze zal zorgen
en dat stelt een beetje gerust en ik ben alleen, ik zit alleen in een ander
vliegtuig, dat geen beplating meer heeft, alleen het ijzeren geraamte en we
taxiën over een snelweg, proberen vaart te maken om weg te komen en ik zie, ik
zie lantaarnpalen langs de weg en ik denk wat gek, want de vleugels van het
vliegtuig zouden die palen moeten raken en daardoor kapotgaan, maar dat is niet
zo en als ik voor me kijk zie ik dat we over auto’s heenrijden, over mensen die
over de weg liggen, maar terwijl we over die mensen heen rijden, ik kan niet
zien of ze al dood zijn, voel ik geen gebonk zoals dat zou moeten en we rijden
door, we taxiën door en rijden over nog meer auto’s en mensen en we rijden en
rijden en ik voel dat ik bijna in veiligheid ben, maar het vliegtuig stijgt
niet op, we rijden alleen maar door, steeds harder.
Abonneren op:
Posts (Atom)